Mozaïek november 2009
Gesprek met dr. Manuela Kalsky, hoofdinleider Winteracademie 2010
Hoofdinleider bij de Winteracademie dr. Manuela Kalsky (1961) is theologe en directeur van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving. Als 23 jarige kwam zij uit Marburg in Duitsland naar Amsterdam om haar theologiestudie voor te zetten. Ze is sindsdien in Nederland gebleven en in 2003 Nederlandse geworden; Ze werkte o.a. voor de Universiteit van Amsterdam bij Vrouwenstudies Theologie en promoveerde in 2000 op een onderzoek naar de christologie vanuit het perspectief van vrouwen in verschillende culturen. Zij is mede-initiatiefnemer van het project W!J en hoofdredacteur van www.nieuwwij.nl een multimediale website over levensbeschouwing, dialoog en samenleving.
Op zoek naar een nieuw wij
Op de omslag van haar laatste boek zie je een koe, een schaap en een dromedaris in een groen weiland onder witte wolken in een blauwe lucht. W!J-land is de titel, voorbij de bindingsangst. Manuela Kalsky heeft het samen met Bart Brandsma gemaakt en daarvoor volgens de achterflap 'negen prominente intellectuelen, zoekers en visionairs' ondervraagd, zoals Joep Dohmen, Doekle Terpstra en Halleh Gorashi. Over wat zij vinden van een Nederland verstrikt in (religieuze) wij-zij tegenstellingen. En wat er nodig is om Nederland een 'nieuw wij' te bezorgen, dat alle Nederlanders een thuisgevoel kan geven. Het is een heel ander beeld dan op het boek van Paul Scheffer over migratie in Nederland. Het land van aankomst toont een eenzaam schaap, dat ons aankijkt vanuit een mistig weiland. Als teken van de verwarring die zowel Nederlander als nieuwkomer is overvallen. Dat geeft een ander idee dan zo'n zonnige weide. Is zij werkelijk zo optimistisch over de toekomst van Nederland als het om het samenleven van verschillende bevolkingsgroepen gaat? Manuela Kalsky: Ja, zeker wel. Laat ik eerst vaststellen dat die diversiteit er is. Nederland is een multi-cultureel land, Amsterdam is een stad van vele culturen en er zijn heel veel dingen die goed gaan. Om me heen zie ik veel zogenaamde allochtonen goed functioneren en ik zie mensen van verschillende achtergrond die dingen samen doen. Wat wij met dat nieuwe wij en dat W!Jland (ja dat uitroepteken staat er niet voor niets) bedoelen moet je misschien niet meteen heel groot opvatten. Juist op buurt- en wijkniveau gebeurt er al veel. We roepen mensen op zich op buurtniveau met elkaar te verbinden en iets samen tot stand te brengen. Laatst was er in de Indische buurt in Amsterdam een 'foodnight' waarbij allerlei ondernemers lieten zien wat ze op voedselgebied te bieden hadden. Zo leer je elkaar kennen en waarderen.
Praktische dialoog
Als het over interreligieuze ontmoetingen gaat schaar ik me achter een theoloog als Paul Knitter. Die vindt inmiddels discussies met moslims over de overeenkomsten en verschillen tussen God en Allah veel minder belangrijk, dan samen iets doen , omdat je je dan gevoelsmatig verbindt. Geloof komt dan eerder terloops ter sprake, maar dat hoeft niet minder intens te zijn. Bovendien zie ik dat veel mensen hun inspiratie niet uit één godsdienst halen maar uit meerdere, zoals christendom en boeddhisme of jodendom en soefisme. Meervoudige religieuze identiteit komt in Azië veel voor en je ziet het ook steeds meer in Nederland. Ik geloof helemaal niet dat een sterke geloofsidentiteit als christen of als moslim een voorwaarde is om een interreligieuze dialoog te voeren. Bovendien moet je mensen niet op één kenmerk - geloof of etniciteit- vastpinnen en dan tot één groep maken. 'De' moslims bestaan niet. Ik kan heel goed begrijpen als moslims niet voortdurend met terrorisme willen worden geassocieerd en dat ze dan op een gegeven ogenblik zich terugtrekken. Of zoals nogal wat Turks-Nederlandse studenten daarom liever teruggaan naar Turkije. Als Duitse studente in Nederland had ik er op een gegeven moment ook genoeg van dat over Duitsers als 'de moffen' werd gesproken. Ik was dan ook 'een mof' en ik vond dat gewoon onbeschoft en beledigend. 'Ik en de ander' is dus ook een autobiografisch thema voor mij, waarover ik graag met mensen van gedachten wissel.
Wat vonden haar ouders ervan toen
zij in 2003 Nederlandse werd? Manuela Kalsky: "Ze
begrepen het wel. Alleen mijn vader zei: je bent toch niet meer echt Duits,
je bent gewoon anders." Ze lacht
W!Jland is een uitgave van Ten Have. www.nieuwwij.nl
LSP-coördinator Jos Noordanus kijkt tevreden terug.
LSP project stopt. Taken overgedragen aan Landelijke Organisatie Cliëntenraden
96 % van de instellingen een functionerende cliëntenraad - dat is de bijna perfecte score die Jos Noordanus, coördinator van het project Landelijk Steunpunt cliëntenraden in de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang (LSP) kan presenteren. Op 10 december wordt het project van de Landelijke Vereniging Thuislozen (LVT) en het Mozeshuis, afgesloten met een symposium in de Mozes & Aäronkerk. Dan worden de taken van het LSP overgedragen.
Instellingen voor dak- en thuislozen zijn wettelijk verplicht een cliëntenraad te hebben. Ook dak- en thuislozen moeten kunnen meepraten over de opvang die ze krijgen. Dat is gezien de mensen om wie het gaat minder gemakkelijk dan het lijkt. Want hoe zorg je ervoor dat mensen die al moeite hebben hun eigen leven te organiseren, met elkaar samenwerken binnen zo'n raad. De behoefte om mee te praten is er meestal wel. Maar veel vertrouwen in de maatschappij en in elkaar hebben ze niet. Ook hebben sommigen moeite zich aan afspraken te houden. Hoe krijg je geschikte mensen en hoe zorg je ervoor dat zo'n raad iets voorstelt en blijft functioneren. Dat was de opdracht waar Jos Noordanus als LSP-coördinator voor stond toen hij er drie jaar geleden aan begon.
Jos Noordanus: "Eerst heb ik alle 90 instellingen een enquêteformulier gestuurd. Iedereen reageerde en tweederde had een cliëntenraad. Maar hoe die functioneerde, dat was heel wisselend. Daarna heb ik veel instellingen bezocht om het veld goed te leren kennen. Er bleek veel goede wil en bereidheid iets te doen. Ik ben vervolgens gaan werken met contactpersonen. Omdat zij zelf in de dak- en thuislozenopvang hadden gezeten en de wereld van binnenuit kenden, werkte dat heel goed . Ze werden officieel aangesteld, ontvingen een kleine vrijwilligersvergoeding en kregen een certificaat om hun status officieel te maken. Voor heel Nederland had de LSP er zes, die optraden als mijn ogen en oren. Als zij ergens geweest waren, ging ik daarna samen met hen op bezoek.
Maar contacten leggen en een raad oprichten is één, je moet de mensen ook wat te bieden hebben. Samen met scholingsinstituut Odyssee heb ik een scholingsprogramma voor cliëntenraadsleden opgesteld. Daarin krijgen ze vergadertechniek, het maken van notulen, omgaan met de directeur. Ook een belangrijk onderwerp: Hoe ga je als cliëntenraad met je bevoegdheden om. Dat was heel leerzaam voor alle partijen, ook voor mij.
Je komt in dit werk mooie dingen tegen . Het is me opgevallen, dat er in de opvang mensen zitten, die het gemaakt hadden in het leven en die na grote tegenslagen uiteindelijk dakloos waren geworden. Heel verrassend als zij weer contact durfden te maken. Ander mooi voorbeeld: In Utrecht was geen cliëntenraad bij de vrouwenopvang. Vrouwen, vaak met kinderen, zitten daar niet zo lang, dus er was veel wisseling. Ook veel vrouwen, die weinig Nederlands spreken. Die durven of willen niet in zo'n club. Daar is uiteindelijk een meisje van 18 met twee kinderen voorzitter geworden. Zij werd met veel publiciteit aangesteld. Dat hielp. Maar het heeft gewerkt door deenorme inzet die zij zelf had om er iets van te maken. Daar heb ik veel bewondering voor.
Het LSP project zou eerst tot eind 2008 duren. Maar we kregen er van VWS nog een jaar bij om de resultaten te bestendigen en te zoeken naar een organisatie die het werk structureel over kon nemen. Samen met LVT en Mozeshuis heb ik daar intensief naar gezocht. Er zijn gesprekken geweest met diverse instellingen. Uiteindelijk is gekozen voor het LOC (= Lan-delijke Organisatie Cliënten-raden.) Alle cliëntenraden in de maatschappelijke en vrouwenopvang kunnen daarvan lid worden en ze krijgen faciliteiten als scholing en hulp. Ik denk dat ze daarmee goed verder kunnen.
Op 10 december 2009 is de feestelijke
overdracht van het project in de Mozes & Aäronkerk en zit mijn werk
als LSP coördinator erop. Dan vier ik dus mijn afscheid en ga ik weer met
pensioen. Drie jaar geleden was ik eigenlijk al gestopt met werken toen dit
er tussen kwam. Nu is het tijd om andere leuke dingen te doen, zoals reizen.
Hoewel... af en toe nog wat freelance werkzaamheden dat zal er ook wel van komen."
?
www.lspthuisloos.nl www.loc.nl
Enthousiaste reacties na rigoureuze verbouwing
Heel erg opgeknapt
Eigenlijk wisten we het wel. Zo'n verbouwing als het Mozeshuis deze zomer heeft ondergaan, gaat je niet in je kouwe kleren zitten. Onverwachte tegenvallers, werk dat langer duurt dan gedacht, zaken waar je helemaal niet bij stil gestaan hebt, dingen die overgedaan moesten worden... het zorgde bij menige Mozeshuismedewerker voor stress en slapeloze nachten. En dan de opening die steeds dichter bij kwam en waarvan de uitnodigingen al de deur uit waren. Vrijdag 11 september 2009 heropening,! Op de dag precies veertig jaar na de officiële opening in 1969, mooier, symbolischer kon het toch niet voor het huis van Mozes, die in het bijbelverhaal veertig jaar door de woestijn trok op weg naar het beloofde land. Maar ja, symboliek en praktijk. Die willen nog wel eens botsen. Terwijl het andere werk van het Mozeshuis gewoon door ging. Vanaf 1 september zouden we weer cursussen geven en groepen ontvangen. Hadden we beloofd. Die belofte maakten we ook waar, al moesten de eerste bezoekers slalommend langs wat late schilders zich naar de vernieuwde zalen begeven. Op donderdagavond 10 september werd nog vloerbedekking gelegd en de hele vrijdagmorgen werd stof gezogen, gedweild en gesopt. Toen, vrijdag 11 september vier uur: de opening.
Heropening een feest
Dat was een feest. We hadden gedacht aan ruim honderd gasten, het werden er bijna twee honderd, die met gezichten vol verwachting de kerk in kwamen. Ook veel oude bekenden, die we jaren hier niet gezien hadden. Het Iraanse ensemble Shandiz zong zijn melancholieke oude Iraanse liefdes liederen (inmiddels op CD) en wethouder Maarten van Poelgeest, franciscaan Frans Gerritsma en uit eigen kring voorzitter Els Agtsteribbe en directeur Cor Bon hielden hun toespraken. De wethouder die het Mozeshuis goed kende, ook van vele vergaderuren die hij in een eerder functie hier had doorgebracht, zwaaide het Mozeshuis lof toe. Vooral voor onze inspanningen jegens vluchtelingen en daklozen. Terwijl het college van B&W een paar maanden eerder nog zo rigoureus op het Mozeshuis had willen bezuinigen wat bijna het einde van het Mozeshuis had betekend. Maar niemand die hem dat kwalijk nam. Het was immers goed afgelopen.
Toen naderde het moment waarop iedereen gewacht had. De deur van de kerk naar het Mozeshuis ging open voor de rituele openingshandeling van schaar en lint. Uit het archief van het Mozeshuis waren we wat dat betreft niet verder gekomen dan het plan van een geel lint, een rood sierkussen met een grote schaar die dat lint moestdoorknippen.. Of het werkelijk zo gebeurd is, weten we niet. Maar dit keer moest het dus zo: Officemanager Tonny Snabel kwam met het rode kussen (uit eigen bezit) en een schaar, die door voorzitter Els Agtsteribbe plechtig aan de wethouder ter hand werd gesteld Knip! Applaus en toen stroomde de kerk leeg in de foyer van het Mozeshuis en verspreidde men zich vervolgens over de zalen. Ook al kon iedereen zien dat de inrichting nog niet helemaal af was, de reacties waren enthousiast en meer dan positief. Wat is er veel gebeurd en wat is het opgeknapt! Veel meer sfeer en uitstraling. Een hele verbetering. Op zo'n moment hoor je tegelijk hoe mensen het voorheen gevonden hadden: simpeler, kaler, zestiger jaren met die grijze tegelvloeren en witte muren. Nu werd het chic genoemd met die mooie vloerbedekking, de kleurige wanden, nieuwe tafels en stoelen in de zalen, stijlvolle bankjes in de foyer (een royale gift van de Vrienden van de Mozes). En dan die prachtige nieuwe wc's vooral voor de dames. Drie wc's erbij en extra ruimte bij de wasbakken. Een paar stoelen en je kunt hier prima vergaderen! riep een vrouw enthousiast. Het werd nog een heel gezellige middag.
Rondleiding door een bijzonder pand
Het weekend erna, Open Monumentenweekend hadden we naast de kerk met in totaal zes orgelbespelingen ook het Mozeshuis opengesteld. Open Mozeshuisdagen hadden we het genoemd, met mogelijkheid van een rondleiding door het gerenoveerde pand. Dat was eenbeetje opportunistisch gedacht, want wat valt er nu over een weliswaar fraaie cursus- en vergaderlocatie te vertellen. Dat viel hard mee, want het Mozeshuis was, is en blijft een heel apart pand. Voorzover we dat zelf niet al wisten, waren het de vragen van bezoekers die ons op dat spoor zetten. Want er was genoeg belangstelling. Op zo'n moment bekijk je je eigen gebouw met andere ogen. Natuurlijk wisten we dat architect Sier van Rhijn en de Franciscanen als opdrachtgevers in 1970 er de vijfjaarlijkse architectuurprijs van de stad Amsterdam voor gekregen hadden. Aan de hand van bouwtekeningen en foto's en een interview dat Sier van Rhijn destijds aaneen Architectuurblad had gegeven, was een vrij duidelijk beeld te schetsen hoe het geweest was. Met de kapel (voorheen Grote nu FranciscusZaal) en de sacristie (via Kleine Zaal tot SpinozaZaal) en de rondingen en aparte muurtjes die een intieme sfeer moesten creëren. De borstweringen en gangetjes die je het pand gaandeweg moesten laten ontdekken. Een (nu) Rembrandtzaal die in eerste aanleg geen ramen had om het groepsproces niet van buiten te laten verstoren. Veel van die ideologische détails waren in het praktisch gebruik al eerder gesneuveld en nauwelijks meer herkenbaar. (De vrouw van de architect schijnt na de oplevering van het Mozeshuis de Franciscaanse bewoners en gebruikers gevraagd te hebben hoe het pand beviel. Toen die voorzichtig opperden dat er 'misschien een paar dingetjes wat anders hadden gekund' zei zij: Ja, bij mij thuis wil ik zelf ook wel verbouwen.) Deze grote renovatie heeft wat dat betreft de laatste stap gezet door ook de buitenentree aan te pakken. Van een karakteristiek buitenportaaltje, gewilde overdekte slaapplaats van daklozen en toeristen en de laatste jaren populair bij rokers, met het abstract houten kunstwerk, een cadeau van de architect- is niets meer over. De gevel is rechtgetrokken en via een binnentrap staat de bezoeker recht voor een moderne receptie. De oude receptie, oorspronkelijk een spreekkamer, is nu uitgebreid en als Wibautzaal weer een vergaderlocatie geworden. De bezoekers waren vol aandacht. Wie hier wel vaker kwam, herkende het bijna niet terug.
Nu zijn we een paar weken verder. Aan de laatste détails wordt nog gewerkt maar het pand is volop in gebruik. Wij zijn al haast gewend aan de nieuwe situatie. Maar iedere keer nog zijn we blij verrast als we mensen die hier komen vergaderen tegen elkaar horen zeggen: Wat is het hier opgeknapt zeg!
Rubriek Thuis
in het Mozeshuis
De beelden van Anne van Odyck-Höfte
Permanent thuis in het Mozeshuis én in de Mozes & Aäronkerk. Zelfs van de medewerkers van het Mozeshuis kun je dat niet zeggen. Maar wel van Anne van Odyck-Höfte of liever van enkele beelden van deze beeldhouwster uit Haarlem. Drie daarvan hebben een permanente plaats in het gebouw gekregen: 'God de Vader en de kleine mens', een hardstenen reliëf ingemetseld in de muur van de foyer, 'De doortocht door de Rietzee' in de kerk en een vrouwenfiguur zonder naam in de Aäroncrypte. Regelmatig krijgen we daar vragen of opmerkingen over, waarbij 'dat is vast heel erg oud' de de bekendste is. Materiaal en stijl doen inderdaad aan de Middeleeuwen denken, de tijd van de Romaanse kloosters. Maar oud zijn de beelden niet. En de maakster? Anne van Odyck-Höfte is 85 jaar, geboren in Haarlem waar ze nog steeds woont. Noem haar ook niet oud, want in haar atelier blijft ze bezig om nieuwe beelden te maken. Haar 'kinderen' in het Mozeshuis, die ze in de jaren negentig aan deze plek schonk is ze echter niet vergeten.
Vlak voor de heropening van het Mozeshuis op 11 september jl. werden we verrast door een telefoontje van haar. Of ze met haar vaste hulp kon langskomen om haar beelden schoon te maken en de sokkel van het beeld in de kerk in de was te zetten. Want als er bij de opening zoveel mensen kwamen om de kerk en het vernieuwde Mozeshuis te bekijken, dan moesten die er toch mooi bij staan. Nee, dat hoefden wij niet zelf te doen. Toen ze er was en direct aan de slag ging, wilde ze nog even goed vertellen wat ze voorstelden "Want tegenwoordig weten heel veel mensen dat niet!"
De steen in de foyer noemt ze 'God de Vader en de kleine mens'. Het is een eenvoudige voorstelling van een grote en een kleine figuur met daarbij een zon en een plant als teken van de Schepping. Daarmee bedoelt ze: God is groot, de mens is klein en wat God in zijn Schepping in het groot doet, moeten wij mensen op aarde in het klein doen. Het is nog uit haar Academietijd in Maastricht, maar niettemin heel trefzeker gemaakt.
Het beeld dat door Anne 'De tocht van Mozes door de Rode Zee' wordt genoemd refereert aan het Bijbelverhaal in Exodus 14. Het onderdrukte joodse volk onder leiding van Mozes en Aäron ontvlucht Egypte, maar dreigt bij de Rietzee, uitloper van de Rode Zee, achterhaald te worden door het Egyptische leger. God splijt het water, zodat ze met droge voeten aan de overkant komen. De Egyptische ruiters komen daarna om in de weer toegesloten golven. Het volk is gered en aan de andere kant vieren de Israëlieten feest. Het bijzondere van dit beeld is dat niet alleen Mozes en Aäron samen met twee volksgenoten zijn afgebeeld. Ook hun zus Mirjam is hier te zien, met de tamboerijn in haar hand, zoals beschreven in het bijbelverhaal. Toen Anne het beeld aan de vorige coördinator Jan Ruijter aanbood voor in de kerk, was die onmiddellijk enthousiast. Op Maria, de moeder van Jezus, en een enkele andere vrouw op de kruiswegstaties na, toch bijna alleen beelden van mannen in de kerk. Dus Mirjam, die in de bijbel zelfs profetes wordt genoemd, was van harte welkom. Anne wijst nog even op het hieltje dat zij als subtiel détail van de dansende Mirjam heeft gehakt. Dit beeld heeft ze in Frankrijk uit één groot brok steen gehakt. Ook dit lijkt oud, maar op de zijkant is het jaar 1986 en haar naam duidelijk te lezen. Ook het derde beeld, dat vanwege de plaats in de Aäroncrypte relatief onbekend is, heeft een duidelijk verhaal. Deze vrouwenfiguur gesneden in polystireen, een zachte kunststof heeft ze gemaakt toen ze in de krant las over vernederingen die vrouwen in Oostbloklanden moesten ondergaan. Maar toch krachtig bleven en dat is in dit beeld ook te zien.
Als we haar voor deze rubriek vragen iets over haar achtergrond te vertellen, wil ze dat eigenlijk niet. Het enige wat ze over carrière kwijt wil, is dat ze vrijwel alles aan de beroemde Mari Andriessen, te danken heeft gehad. Die heeft er bijv. voor gezorgd dat ze op de Academie kon komen. Hij was haar steun en toeverlaat en een groot voorbeeld. Zijn bekendste beeld staat vlakbij de Mozes: De Dokwerker. Als op 25 februari bij de Herdenking van de Februaristaking de bloemenkransen bij dat beeld worden gebracht, liggen ze eerst in de Mozes & Aäronkerk. Misschien dat de beelden van Anne van Odyck-Höfte zich ook daarom hier zo goed thuis voelen?
Rubriek KOLOM
AOW & Arbeidsethos
Waar ik me de afgelopen maand het
meest over heb opgewonden is de regering. Ik ben natuurlijk niet de enige. En
er is al veel overgeschreven. De manier waarop wordt omgegaan met de vakantiewoning
van het kroonprinselijk paar, de polder in Zeeuws Vlaanderen of wat ook maar,
het is hemeltergend. Velen zeggen: wat een besluiteloosheid. Het is maar hoe
je het bekijkt. Die AOW wordt nu toch voortvarend aangepakt? In de campagne
beschuldigde Balkenende Bos er nog van dat de AOW niet veilig was in PvdA-handen.
Dat is inderdaad het geval, alleen die van het CDA zijn minstens zo onveilig.
Het 'aanpakken' van de AOW op de wijze zoals dat nu dreigt te gebeuren, is puur
kiezersbedrog. De argumenten daarvoor deugen van geen kant. De economische crisis
heeft er al helemaal niets mee te maken. Wel de vergrijzing. Maar waarom wordt
de vergrijzing toch zo vaak als een probleem gezien? Het is toch een voorrecht
en weelde om oud te kunnen worden. De hele welvaartsstaat is er op gericht (geweest)
om mensen gezond en lang te laten leven. Vergrijzing is geen probleem, maar
een oplossing, een kans, een wens van vele mensen!
Het beslag van de AOW-uitgaven op de collectieve uitgaven is niet verontrustend.
En kan makkelijk op aanvaardbaar peil gehouden worden door AOW'ers met forse
pensioenen zwaarder te belasten. En zorg er nu eens eerst voor dat een ieder
die tot zijn 65ste ook echt kan werken, dat ook gaat doen!
Voorstellen van bijv. GroenLinks om de AOW te flexibiliseren zijn onuitvoerbaar.
En onwenselijk. Ook dat ergert me. Na veertig jaar werken, inclusief een uitkering,
krijg je AOW. Maar wat als je besluit een paar jaar niet te werken en van het
geld van je partner leeft? Wat als partners die niet werken maar de zorgplicht
op zich voelen drukken? Of drie jaar in het buitenland hebben gereisd? Of als
vrijwilliger te hebben gewerkt? Zorgvuldig moet alles in de grote Nationale
Computer worden gestopt om nauwlettend het leven van iedere Nederlander te boekhouden.
Dit had zelf Orwell in 1984 niet voorzien. Wat mij nog het meest tegen de borst
stuit is het absolute verband dat wordt gelegd tussen AOW en arbeidsethos. Alleen
wie werkt, of ter beschikking staat van de arbeidsmarkt, krijgt AOW. Zo had
zelfs Drees, toch een man van de Partij van de Arbeid, het niet bedoeld.
Leo Platvoet verzorgde
dit jaar KOLOM. Hij is socioloog, adviseur, auteur, oud-Eerste Kamerlid voor
Groen Links en Amsterdammer sinds 1988. Samen met Maarten van Poelgeest schreef
hij Amsterdam als Emancipatiemachine www.leoplatvoet.nl
Mozaïek september 2009
Gesprek met Hein Lagerberg, Jan Ruijter en Cor Bon over veertig jaar Mozeshuis
Over de idealen van toen en nu
door Gerard van den Boomen
In een zaal van het nog in renovatie verkerende Mozeshuis praat ik over de veertig jaar dat het huis bestaat met drie mannen, die het profiel ervan goeddeels bepaalden. Onderwerp: zijn de idealen van vroeger nog die van nu?
Hein Lagerberg was al op deze plek werkzaam, voordat het Mozeshuis in september 1969 open ging. Maar hij heeft ook een groot stuk van het vervolg meegemaakt en is nog steeds bestuurslid van de Vrienden van de Mozes. Hij behoorde tot de paters Franciscanen, die al lang in de Mozes & Aäronkerk zaten en daar als bedrijfsaalmoezeniers apostolaatswerk verrichtten onder werkende mensen. De oude pastorie werd afgebroken en aan de andere kant van de kerk verrees een modern en voor veel doeleinden te gebruiken gebouw, dat open stond voor nieuwe uitdagingen. Dat nieuwe Mozeshuis startte in het midden van de roemruchte jaren zestig en zeventig en in de revolutionaire vernieuwingsmuziek van die tijd blies het geducht zijn partijtje mee. Hein Lagerberg formuleert peinzend en bedachtzaam, maar in die tijd had hij het over 'geestelijke guerrillastrijders' en hij schrikt nog niet terug voor opmerkelijke uitspraken. "We wilden home en stroom zijn voor sjaloom, vrede tussen de mensen. Wij wilden sjaloom zowel in de mystieke als de politieke zin van het woord. Dat streefden we na door viering en bewustwording, door emancipatie zowel in de maatschappij als in de kerk. Natuurlijk ging dat toen bij wijze van experiment. In de kerk deden we behalve aan gewone diensten aan experimentele gespreks- en theatervieringen en we hadden discussiekringen rond projecten als Centraal Wonen en de vredesthematiek. Dat gebeurde allemaal onder de leiding van de statige, maar bewogen en bevlogen Thieu Duindam, de oude pastoor en nieuwe directeur van het Mozeshuis."
Na een paar jaar werd Duindam opgevolgd door de franciscaan Gerard Heesterbeek, die door Lagerberg betiteld wordt als 'jonge enthousiaste hond met een groot netwerk'. Onder diens leiding breidde het vormingswerk in gespreksgroepen en cursussen voor gepensioneerden en WAO-ers zich uit, maar er werden ook grote bijeenkomsten georganiseerd over dringende problemen die in stad en land speelden. Ook werd de kerk open gezet voor de binnen- en buitenlandse hippies van die tijd. Zo was de Mozes & Aäronkerk een jaar of vijf in de zomer een vrolijk theehuis, waar uit de hele wereld tv en schrijvende journalisten op af kwamen. "In die tijd was de kerk een soort vrijplaats en dat zorgde voor heel wat reuring en ophef", zegt Hein Lagerberg, "maar er was een brug geslagen naar de jongeren en het gaf ook een ander gezicht aan de kerk; er werd iets als kerk hervonden, samen scholen, samen spelen, samen vieren." Een hoogtepunt in die tijd was het maandenlange asiel in de kerk van zogenaamde illegale Marokkaanse gastarbeiders. Zo probeerde het Mozeshuis een trefpunt te zijn voor educatie, vorming, hervorming, actie en viering en wel vanuit de joods-christelijke inspiratie voor gerechtigheid, met name voor de onderdrukten. Het werk was boeiend en vermoeiend. Hij is geneigd te zeggen, dat hij en zijn kompanen er in geslaagd zijn om hun idealen vorm te geven. Wel plaatst hij de kanttekening, dat de vieringen allengs verdwenen en hij vraagt zich af of de religieuze component niet teveel verschrompelde. "Want", aldus Lagerberg, "religieuze ontroering en politieke beroering moeten voor zover mogelijk samengaan; spiritualiteit en gerechtigheid horen bij elkaar."
Idealistisch
In 1980 trad Jan Ruijter aan als
directeur. Hij had naam gemaakt als inspirator van een kritische kerkelijke
gemeente in de IJmond, met druk bezochte beatmissen, en als voorman van de progressieve
priesterbeweging Septuagint. Een kwart eeuw lang heeft hij zijn stempel gedrukt
op het Mozeshuis. Hij zegt: "Ik ben geen meester in het formuleren van
idealen, maar ik mag wel zeggen dat ik idealistisch ben. Meteen na mijn aantreden
zette ik de kerk weer open voor illegale Marokkanen, die er drie maanden verbleven,
en ik hield de vinger aan de pols als mensen in de verdrukking kwamen. Zo waren
zigeuners die het land uit moesten met hun muziek welkom in onze kerstviering.
Eerder gestarte cursussen gingen door, maar er kwam veel nieuw werk op: zomerprogramma's,
themaweken over van alles wat in de maatschappij gistte, acties voor slachtoffers
van dictaturen in Latijns-Amerika en tegen de apartheid in Zuid-Afrika We bekommerden
ons om druggebruikers en dak- en thuislozen, organiseerden ontmoetingen tussen
politie, misdadigers en slachtoffers van criminaliteit. In de kerk werd een
grote bijeenkomst gehouden tegen antisemitisme en racisme en elk jaar waren
de Surinamers en Nederlanders te gast, die bleven protesteren tegen de Decembermoorden
in Paramaribo. We speelden ook een niet onbelangrijke rol in de Joods-Palestijnse
Dialoog en toen aids een groot probleem werd hebben we jarenlang hartverscheurende
en hartversterkende bijeenkomsten gehouden over deze levensbedreigende ziekte.
Menig dodelijk slachtoffer van aids wilde uit onze kerk uitgedragen worden,
met oude of geheel nieuwe uitvaartvormen. Opmerkelijk dat zo het religieuze
element als vanzelf weer terugkeerde. Dat gebeurde ook met Allerheiligen/Allerzielen,
met Goede Vrijdag en in de oecumenische en multiculturele kerstbijeenkomsten.
Zo is eigenlijk een nieuw kerkelijk jaar ontstaan." Nieuwe cursussen en
projecten doemden op: sollicitatietrainingen, computerscholing, Zomerschool
en de Winteracademie, mantelzorg. En over veel van wat er gebeurde verschenen
boeken.
Twee keer kwam koningin Beatrix op bezoek. Een keer in stilte in 1989 om zich
over aids te laten voorlichten door Jan Ruijter en de zieken zelf en de tweede
keer in het openbaar in 1991 bij het feestelijke heropening van de grondig gerenoveerde
kerk. Jan Ruijter had een goede relatie met de opeenvolgende burgemeesters van
Amsterdam en hij werd opgenomen in de gemeentelijke Adviesgroep Binnenstad.
"Kort en goed, ik geloof te mogen zeggen dat de idealen van het Mozeshuis
ook in mijn periode zijn waar gemaakt", aldus constateert hij simpel.
Plek van ontmoeting, dialoog en verbondenheid
Sinds 2005 is de leiding in handen
van Cor Bon. Hij is sociaal-cultureel en theologisch opgeleid, was actief in
vormingswerk voor jongeren en heeft zich vooral op provinciaal niveau bezig
gehouden met migranten. Hij zegt: "Ik kan me helemaal vereenzelvigen met
wat Hein over gerechtigheid en wat Jan over idealisme heeft gezegd. Ik ging
door met veel van wat er al gebeurde, zoals bijvoorbeeld succesrijke projecten
als Zomerschool en Winteracademie, maar we hebben inmiddels ook veel nieuws
gestart.
Mijn ideaal is om van het Mozeshuis steeds meer een plek van ontmoeting, dialoog
en verbondenheid, die mensen stimuleert maatschappelijk actief mee te doen te
maken. Wij willen een bijdrage leveren aan een sterke sociale en tolerante samenleving
gebaseerd op culturele en levensbeschouwelijke diversiteit. In het project 'Mixen
in Mokum' bevorderen we bijvoorbeeld op buurtniveau contacten tussen 'nieuwe'
en 'oude' Amsterdammers!
Men zegt wel eens dat religie heeft afgedaan, maar dat is helemaal niet het geval. In onze cursus 'Wereldreligies/Levensbeschouwing' laten we de Amsterdammers kennis maken met de grote diversiteit én overeenkomsten aan waarden en normen, aan opvattingen over wat de mensen ten diepste drijft. Komend najaar zullen bij de Nederlandse lancering van het Charter for Compassion in de Mozes mensen als rabbijn Awraham Soetendorp, moslimfilosoof Tariq Ramadan, econoom Herman Wijffels en burgemeester Job Cohen optreden. In inleidingen en workshops staat 'de Gulden Regel' centraal: 'Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet', die regel geldt in vele religies en ethische tradities. We gaan op zoek naar de medemenselijkheid in de praktijk van het leven van alledag. Ik noem de 'iftarmaaltijd' van het Joods-Marokkaanse Netwerk in de kerk tijdens de Ramadan vorig jaar en de Interreligieuze Vredesbijeenkomst voor de slachtoffers van Gaza begin dit jaar. Is het niet opmerkelijk dat zoiets volgens die clubs alleen maar in de Mozes kon. Je ziet dus het wonderlijke verschijnsel dat joden en moslims gezamenlijk iets willen vieren en een van huis uit katholieke kerk aanwijzen als plek waar dat mogelijk is."
Dan ontspint zich een debat tussen Jan Ruijter en Cor Bon over het ter beschikking stellen van kerk en Mozeshuis aan derden. Jan ging bij de afweging aan wie hij de kerk voor enige tijd ter eigen invulling beschikbaar stelde uit van de wijze waarop het Mozeshuis uitging van de joods-christelijke inspiratie. Cor Bon wil dat het Mozeshuis als plek van ontmoeting en dialoog sowieso ruimte biedt aan vogels van verschillende pluimage. Jan Ruijter stelt dat ook die vogels in zijn tijd welkom waren en dat er respect was voor andere levensopvattingen. Juist in de ontmoeting met anderen moet je volgens hem duidelijk uitgaan van wat je zelf gelooft: "Alleen dan is er kans op een vruchtbare dialoog." Cor: "Ik hecht er aan dat we, uitgaande van ieders eigen inspiratiebronnen, opvattingen en ervaringen, zoeken naar wat anderen beweegt en wat ons dan verbindt. Die openheid vind ik essentieel." Zij worden het niet eens.
Mij is na dit gesprek overigens duidelijk,
dat in het werk van het Mozeshuis een duidelijke lijn loopt van de idealen van
veertig jaar geleden naar die van nu. (GvdB)
Dag Hammarskjöld symposium in de Mozes & Aäronkerk
Merkstenen als bakens bij je innerlijke reis
Op 31 oktober is er in de Mozes en
Aäronkerk een symposium, over het spiritueel dagboek Merkstenen van de
Zweed Dag Hammarskjöld, tussen 1953 en 1961 secretaris generaal van de
Verenigde Naties. Dit wordt georganiseerd door het Mozeshuis, Ignatiushuis,
La Verna, het IKON pastoraat en 'Wellness voor de ziel.' Een van de inleiders
en begeleider van een workshop is Jos Huls. Hij is Karmeliet en wetenschappelijk
medewerker aan het Titus Brandsma instituut in Nijmegen.Het Titus Brandsma instituut
houdt zich o.a. bezig met wetenschappelijk onderzoek van spiritualiteit. Ook
met het oogmerk om werken in het veld te ondersteunen.
Jos Huls leerde Hammarskjöld kennen tijdens zijn studie in 1979. Hij werd zo door zijn persoon en ideeën gegrepen dat hij zowel zijn kandidaats- als doctoraalscriptie gewijd heeft aan de betekenis van de teksten van Hammarskjöld. Tijdens zijn leven en werk voor de VN hield deze een dagboek bij : Merkstenen. Deze titel, in het Zweeds, Vägmärken, verwijst naar stenen, die de weg markeren, zoals in het noorden van Zweden gebruikelijk is. Maar ook naar de Bijbel, naar Jeremia 31, vers 21: "Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israëls, keer weder tot deze uw steden". In deze tekst roept de profeet Jeremia zijn gehoor op om terug te keren naar de weg die hun hart hen wijst.
Volgens Jos Huls ligt het belang van Dag Hammarskjöld in de manier waarop hij heeft laten zien dat mystiek niet iets is voor 'heiligen', maar dat mystiek iedereen kan leiden in zijn dagelijkse leven. Huls ontdekte dat reeds in de Middeleeuwen dezelfde lijnen werden aangegeven als Dag Hammarskjöld gebruikt in zijn boek. De mens heeft de neiging om zich te laten bepalen door wat anderen aangeven; anderen als het ware naar de ogen te zien. Als je echter leert luisteren naar je hart, kom je innerlijk vrij van die anderen, kom je dichter bij God.
"Door de teksten van Dag Hammarskjöld
te lezen, maak je er als het ware zelf een innerlijk reis mee. Je gaat daardoor
beter je eigen relatie met de anderen begrijpen."
Jos Huls noemt als voorbeeld het thema vriendschap: bij vriendschap hoort wezenlijk
eenzaamheid, omdat je de ander, je vriend, zijn eigen weg moet laten gaan. Daarmee
laat je hem vrij. Zo gezien is die eenzaamheid niet iets negatiefs. Ook aan
de hand van het thema 'loslaten als ouders van je kinderen' is dit goed duidelijk
te maken. Ouders moeten leren dat hun kinderen hun eigen fouten moeten kunnen
maken, om hun eigen weg te gaan.
Voortgedreven word ik,
het onbekende land in.
De bodem wordt harder,
de lucht tintelend koud.
Aangeroerd door de wind die waait
van mijn onbekende bestemming
trillen de snaren
van verwachting.
Nog altijd vol vragen
zal ik aankomen,
daar waar het leven wegsterft-
één enkele heldere toon
in de stilte.
Dit openingsgedicht van Merkstenen is één van de stukken, die Jos Huls het meest aanspreken in het boek. Het gedreven worden herkent hij ook bij zichzelf: "Je gaat luisteren naar je innerlijke gedrevenheid, die je een onbekende weg doet gaan."
Als mens zijn we voortdurend bezig te zoeken naar onze eigenheid, onze ziel. Daarmee kun je bij je eigen bron komen. Van die bron heb je volgens hem altijd al geweten, maar je bent je er niet altijd van bewust geweest. Het boek van Hammarskjöld sluit aan bij onze tijd, waarin veel mensen op zoek zijn naar hun 'onbekende land'.
Behalve lezingen en workshops is er 31 oktober 's middags de muziektheater voorstelling De weg naar binnen op basis van Merkstenen. Muziektheatergroep ImpAkt heeft teksten van Dag Hammersköld en van mystici alsJohannes van het Kruis en Thomas à Kempis bewerkt en van muziek en beelden voorzien. Jos Huls heeft bij de eerste uitvoering een inleiding verzorgd. Het sprak hem heel erg aan en hij merkte dat de aanwezigen er ook door geraakt werden. In het stuk wordt de innerlijke dialoog verbeeld door een man en een vrouw. Het is een zoektocht naar waar het in het leven om gaat. Huls: "Je ziet hoe Hammarskjöld als het ware met een scheermes te werk is gegaan om zijn eigen onechtheid aan te pakken. Dat is het fascinerende in het boek en in de voorstelling". ?
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Wout van Doornik, directeur Gilde-Amsterdam
"Voor een samenleving is wezenlijk dat mensen elkaar helpen." Hij formuleert voorzichtig, maar nadrukkelijk. Want hierin ligt voor Wout van Doornik (63) niet alleen een diepe persoonlijke overtuiging. het is ook de basis van Gilde, de vrijwilligersorganisatie van ouderen, die hij als mede-oprichter en directeur van Gilde-Amsterdam al 25 jaar dient. Op 9 oktober bestaat Gilde 25 jaar en dit wordt met een manifestatie in de Mozes & Aäronkerk gevierd. Dan neemt Van Doornik ook afscheid.
Gilde met 65 lokale afdelingen in het land is een begrip, maar hoe is het ontstaan?
Van Doornik: "Ruim 25 jaar geleden deed ik als consulent Pensioen In Zicht (PIZ) onderzoek naar de PIZ cursussen. Wat zou er verbeterd kunnen worden en wat hadden de mensen eraan die met pensioen gingen. Bij PIZ zeiden we altijd: blijf na je pensioen in contact met de samenleving, ga bijv. vrijwilligerswerk doen. Maar ik constateerde dat het voor ouderen niet gemakkelijk was om dat vinden. Bij de Vrijwilligerscentrale zaten ze niet op ouderen te wachten. Ze moesten het dus zelf organiseren! Het idee ontstond dat ouderen, als een soort gildemeesters van vroeger hun kennis en ervaring aan anderen door zouden moeten geven. Op 10 oktober 1984 werd die boodschap tijdens een ouderenmanifestatie in de Nieuwe Kerk gebracht. Gilde was geboren. Huisvesting werd gevonden in het Mozeshuis."
Van Doornik: "Dit initiatief kreeg veel publiciteit en sloeg geweldig aan. Ouderen begonnen zich direct aan te melden. In december 1984 hadden we al vijftig 'aanbiedingen' die we in een Gildegids zetten. In januari 1985 kwam de eerste uit als bijlage bij het Amsterdams Stadsblad. Meteen reacties van mensen die graag van het advies van ouderen gebruik maakten én nieuwe aanbieders. De tweede Gildegids een paar maanden later was al twee keer zo groot. Overal in het land werden nu vergelijkbare Gildeprojecten opgericht en kwam er ook een landelijke organisatie."
Het bleef niet bij de Gilde-gids. Tweeëneenhalf jaar later was er 'Mee in Mokum': Oudere Amsterdammers die groepjes mee de stad in namen en rondleidden. Onmiddellijk een succes en nog steeds. In 1993 volgde SamenSpraak: vrijwilligers die met anderstaligen Nederlands oefenen. Daar bleek heel veel behoefte aan vooral bij nieuwkomers. En zo ging het verder met steeds nieuwe projecten.
Het Gilde groeide al snel het Mozeshuis
uit en kwam op eigen benen te staan in de Hartenstraat, pal naast de Vrijwilligerscentrale.
Enkele jaren geleden volgde verhuizing naar een hofje op de Keizersgracht.
De relatie met het Mozeshuis is gebleven. Trainingen van SamenSpraakvrijwilligers
vonden in het Mozeshuis plaats, er werd samen een boekje over SamenSpraak geschreven,
jubilea werden in de Mozes & Aäronkerk gevierd en Wout van Doornik
promootte Gilde in de PIZ cursussen en Zomerschool.
Al die jaren was hij de schier onuitputtelijke
bron van nieuwe ideeën die door 'zijn' oudere vrijwilligers enthousiast
werden opgepikt en uitgewerkt. Al is de kern van Gilde nog steeds: mensen die
kennis en ervaring belangeloos overdragen, er zijn ook dingen veranderd.
Systematisch als hij is, geeft Van Doornik het volgende rijtje:
* Van ad hoc kennisoverdracht is er een verschuiving naar langduriger coachen
en ondersteunen bijv. van beginnend ondernemers en buitenlandse HBO studenten.
* De leeftijdsgrens van boven de 50 jaar is er niet meer. Vooral door SamenSpraak
is een kwart van de vrijwilligers jonger dan 50 jaar. Waarom zou je ouderen
ook apart zetten?* De screening van ervaring is wat strenger dan voorheen. Nu
wordt door een apart team gekeken of mensen kunnen wat ze zeggen te kunnen.
Gilde staat voor kwaliteit.
* De samenwerking met andere organisaties is gegroeid bijv. met scholen. In
het samenwerkingsproject School 's cool krijgen kinderen uit de brugklas ondersteuning
van vrijwilligers. Al beperkt zich dit tot de brugklassers, het aardige van
een organisatie als Gilde is dat sommige begeleiders 'hun' leerling de hele
school tot aan het eindexamen blijven volgen. Ook zijn er nu honderden mensen,
die kinderen met leesachterstanden op de basisschool elke week helpen met lezen.
Wout van Doornik: "Na 25 jaar is Gilde actueler dan ooit en stevig geworteld in de Amsterdamse samenleving. Het is een mooi moment voor mij om te vertrekken. Ik heb een geweldige tijd gehad bij Gilde. In alle projecten heb ik mijn creativiteit kunnen gebruiken. Nu is het tijd voor een ander om verder te gaan".
Zelf gaat deze geboren en getogen
Amsterdammer op het Friese platteland wonen, waar hij al een huis heeft. Voorheen
bouwde hij kano's, nu denkt hij aan boetseren. Ook wil hij daar proberen een
School 's cool -project op te zetten. Want ben je eenmaal besmet met het Gildevirus,
dan kan je zoiets toch niet laten liggen. (www.gilde-amsterdam.nl)
KOLOM , column van Leo Platvoet
1012
1012, het postcodegebied van de oude
binnenstad, is ook de codenaam die de gemeente Amsterdam heeft gegeven aan een
ambitieus plan om de binnenstad op te schonen. Weg met allerlei duistere, (semi-)
criminele activiteiten, bordelen worden gesloten, coffeeshops ontruimd en de
openbare ruimte krijgt een facelift. Ik heb daar ambivalente gevoelens over.
Dat criminele activiteiten bestreden moeten worden staat buiten kijf, maar ik
verwacht -en vrees- dat de belwinkel eerder aan de beurt is dan schimmige transacties
op Beursplein 5. Prostitutie is in Nederland een gelegaliseerde bedrijfstak,
maar de gemeente lijkt daar anders over te denken. Dat legalisatie de vrouwenhandel
heeft aangewakkerd lijkt onmiskenbaar, maar die handel pak je aan door de slachtoffers
een veilige omgeving te bieden, waardoor zij eerder geneigd zullen zijn aangifte
te doen. Een repressief beleid lost niets op, integendeel. En dat coffeeshops
niet vlak bij een school moeten liggen klinkt redelijk, maar hoe zit het dan
met café's en snackbars?
Ergerlijk in de oude binnenstad vind ik de genadeloze commercialisering. Al
twintig jaar wordt er in de gemeenteraad gediscussieerd over het terugdringen
van de stuitende reclameongein die over stoepen en gevels wordt uitgestort.
Steevast wordt naar Florence verwezen als lichtend voorbeeld. Maar de gemeente,
cq het stadsdeel Centrum slaagt er maar niet in de binnenstad schoon te vegen.
Integendeel. Enorme reclamedoeken met Aegon, Bacardi Breezers en het computerspel
Killzone 2 grijnzen je tegemoet. Nu de binnenstad op de werelderfgoedlijst van
de UNESCO kan komen, dreigen deze roet in het eten te gooien. Want er is natuurlijk
weinig monumentaals aan gevels die achter die doeken schuil gaan. Els Iping,
de voorzitter van het stadsdeel, vindt die doeken echter mooi, goed verzorgd
'en ze geven de binnenstad allure' zo lees ik in mijn krant. Als het deze allure
is die de gemeente wil bereiken met haar 1012-project, slaat ze alle denkbare
planken mis.
Tenzij het 1012-project bedoeld is om uiteindelijk het grote geld in de binnenstad
te laten triomferen. Dan moet het kleine ongemak verdwijnen, om Amsterdam het
middelpunt te maken van een globaliserende wereld. Een binnenstad die een mix
is van de PC Hooftstraat, Madurodam en de Zuidas? Met eens per jaar de Gaypride
als schaamlap!
Leo Platvoet verzorgt dit
jaar KOLOM. Hij is socioloog, adviseur, auteur, oud-Eerste Kamerlid voor Groen
Links en Amsterdammer sinds 1988. Samen met Maarten van Poelgeest schreef hij
Amsterdam als Emancipatiemachine www.leoplatvoet.nl
Tussen de Torens
Ludo Vugs terug in de Mozes & Aäronkerk met een concert van zijn kerkmuziek
Als Ludo Vugs (57) op de orgelbank heeft plaatsgenomen, komen de herinneringen vanzelf. "Veertien, vijftien zal ik geweest zijn, toen ik voor het eerst bij Jan Scholten, eind jaren zestig orgelles kreeg. Dat was wat. Jan Scholten van de Mozes was een naam in die tijd. Een forse man in een manchesterpak, die zijn brommer aan een paal voor de kerk vastmaakte. Zo zie ik hem nog voor me, een voortreffelijk organist, maar misschien nog wel een beter leraar. Vooral een man die veel geduld met je had en je vertrouwen gaf dat je het kon. Nu ik zelf al jaren orgelles geef en koren dirigeer besef ik dat steeds meer: Hier is de basis voor mijn loopbaan in de muziek gelegd."
Op zondag 27 september om 15.00 uur
heeft Ludo Vugs een eigen concert in de Mozes & Aäronkerk georganiseerd.
Een concert waarin hij niet zelf speelt, maar stukken van hem voor het eerst
worden uitgevoerd. Zes Latijnse motetten, een sonatine voor fluit en orgel en
een orgelsonate. De motetten worden gezongen door Voices uit Bussum. Wybe Kooymans
bespeelt het orgel. Vugs: "Mijn bedoeling van dit concert is om koorzangers
uit kerken nieuw repertoire te presenteren. Koren en kerken heb ik nadrukkelijk
uitgenodigd, al is natuurlijk iedereen welkom en wordt het met Mendelssohn en
Hendrik Andriessen gewoon een mooi concert. Maar als dit aanslaat hoop ik jaarlijks
zo'n middag voor kerkmuziek en koren te organiseren. Ik werk zelf mijn hele
leven al in Zeist, maar dit moet ik natuurlijk in Amsterdam doen. En de Mozes
& Aäronkerk is met dat fantastische orgel, maar ook met zijn licht,
lucht en losse stoelen de locatie bij uitstek. Dus hij doet het hier niet uit
nostalgie? 'Nee!, natuurlijk niet !" maar na even nadenken: "Ja, ook
wel. Ik heb hier zulke mooie herinneringen."
Al is Zeist sinds hij daar bij de paters op school ging zijn woon- en werkplek,
in Amsterdam liggen zijn wortels. Katholieke wortels. "We hoorden bij de
voormalige Willibrord aan de Amsteldijk. Mijn vader, officier van justitie,
bespeelde daar soms ook het orgel en mijn broers en ik zaten in het jongenskoor.
En toen ik drie jaar lang bij Thijs Kramer de vaste organist daar, pianoles
had gehad, mocht ik mijn broer Olof achterna: orgelles bij Jan Scholten. Vanaf
mijn vijftiende ben ik acht jaar lang iedere week voor een uur uit Zeist naar
de Mozes & Aäronkerk gegaan. Als het heel koud was in de kerk had ik
les bij hem thuis in de Berenstraat waar hij een piano met pedaalklavier had.
Met twee borrelglaasjes en een flesje oude jenever in de kast met muziekboeken.
Goed, ik heb één keer een glaasje gehad toen mevrouw Scholten
boodschappen deed. Als ik in de kerk les had, dan zat mijnheer Scholten schuin
achter me, te luisteren.... alleen bij moeilijke passages zat hij naast me op
de orgelbank. Soms mocht ik voorafgaand aan de les in het Lof de Marialiederen
begeleiden. Stond hij tussen het koortje of zat hij beneden. Na afloop gaf hij
wel commentaar: je deed het zo, maar waarom niet zo en dan gaf hij een variatie.
Ik heb thuis nog muziekboeken vol rode en blauwe aantekeningen - rood voor de
vingerzetting, blauw voor de registers. Allemaal van Jan Scholten. Jammer dat
hij in 1994 al overleden is, maar mijn concert hier is ook een beetje voor hem."
Rubriek
Amsterdam tussen Trots en Ergernis
WAT
WAREN WE BOOS,
WAT ZIJN WE TROTS !
We wisten dat het geen rustige zomer zou worden. Op 18 mei ging de renovatie van het Mozeshuis van start. Na een intensief gebruik van 40 jaar was die ook wel nodig. We wisten dat renovatie stof en herrie betekent en flexibiliteit, incasserings- en improvisatievermogen vergt. Maar met het oog op de toekomst was dit een noodzakelijke investering. Het ongerief gedurende enkele maanden namen we voor lief, daar hadden we ons op ingesteld.
Een week nadat het breekwerk was begonnen werd ik gebeld door AT5. Wat mijn reactie was op de voorgestelde bezuiniging op het Mozeshuis in de Voorjaarsnota 2009? Die simpele vraag kon ik in eerste instantie niet bevatten. Wat? Bezuiniging? Op het Mozeshuis? Ongeloof, want als er al plannen waren om te bezuinigen op het Mozeshuis, dan zou ik dat immers wel rechtstreeks en tijdig van de Gemeente vernomen hebben en niet via de pers. Bovendien, de Gemeente had zich de laatste jaren met regelmaat zeer tevreden getoond over zowel onze samenwerking als de resultaten van het werk van het Mozeshuis. Maar het was waar. Een donderslag bij heldere hemel. Hierop hadden we ons absoluut niet ingesteld.
En toen volgde een circus van bijna
zes weken. Medewerkers en bestuur informeren en overleg over hoe te handelen.
Al snel werd duidelijk dat we een bezuiniging van 80% per januari 2010 niet
konden overleven, ook al zijn we in staat om de helft aan eigen inkomsten (bijna
een half miljoen) binnen te halen. Deze bezuiniging zou betekenen dat we onze
activiteiten in het Mozeshuis en in de Mozes & Aäronkerk moesten beëindigen.
Omdat wij ervan overtuigd zijn dat het Mozeshuis met zijn activiteiten de stad
veel te bieden heeft, besloten we ons 'met hand en tand' te verweren.
We schreven een 'adres' aan de gemeenteraad, overlegden met politieke partijen,
spraken in bij raadscommissies, benaderden de pers, hingen een groot spandoek
op en vroegen onze deelnemers, relaties en organisaties ons te steunen. En langzaam
maar zeker sloeg de ergernis om in vertrouwen. Vertrouwen omdat politici wilden
luisteren, vatbaar waren voor argumenten en actief meedachten over een oplossing.
Maar dat vertrouwen in een goede afloop steeg nog het meest toen bleek op hoeveel
steun we konden rekenen van onze achterban en relaties. De gemeenteraad kreeg
een overweldigend aantal protestreacties via kaarten en mails maar ook zeer
persoonlijke brieven waarin men aangaf wat het Mozeshuis voor hen en voor Amsterdam
betekent.
Te midden van die renovatie en die actieweken ging het werk 'gewoon' door. 18 juni startte onze jubilerende Zomerschool, die ook nog eens gepaard ging met de overlast van de reconstructie van het Mr. Visserplein. Het thema kon niet treffender: 'Tussen trots en ergernis'. Oud-burgemeester van Thijn opende deze 20e editie, zoals hij ook de allereerste Zomerschool in juni 1990 opende onder dezelfde titel. Hij stak ons een hart onder de riem en vertelde dat hij een brief over het Mozeshuis geschreven had die hij eindigde met: "Doorgaan, er is geen andere optie." In de pauze trokken de deelnemers naar buiten om op de foto te gaan om uiting te geven aan hun ongenoegen om te bezuinigen op 'hun' Mozeshuis. Ondertussen werd me toevertrouwd: "Wat willen ze nu, dat ik achter de geraniums ga zitten en verpieter!"
Uiteindelijk liep het allemaal goed af. Op 2 juli nam de gemeenteraad met algemene stemmen een motie aan waarin de voorgenomen bezuiniging op o.a. het Mozeshuis werd afgewezen.
"Aan trots gaat ergernis vooraf" stelde Ed van Thijn bij de opening van de Zomerschool. Ik kan het volledig beamen. De aangekondigde bezuiniging en de manier van communiceren waren een bron van ergernis. Maar wat zijn we blij met onze toegankelijke politici. En wat zijn we trots op de talrijke zeer uiteenlopende en hartverwarmende steunbetuigingen die we van zoveel verschillende kanten mochten ontvangen. Het was echt afzien afgelopen zomer, maar nu zijn we trots: een prachtig gerenoveerd pand en een op de toekomst gerichte organisatie die een bijdrage kan blijven leveren aan een sterke, sociale en kleurrijke stad.
Cor Bon
directeur Mozeshuis/Mozes & Aäronkerk
Mozaïek mei 2009
Je kunt nog zoveel
Symposium in de Mozes & Aäronkerk over dementie biedt betrokkenen nieuwe inspiratie.
De meeste symposia die ik bezoek zijn dodelijk saai en uiteindelijk hoor je niet veel nieuws, maar hier heb ik echt van genoten en ook wat van opgestoken. En de sfeer was heel goed.' Ook een paar dagen later steekt de verzorgster uit de Drie Hoven haar enthousiasme over het Dementiesymposium dat het Mozeshuis op 19 maart organiseerde niet onder stoelen of banken. Wat die professor Scherder zei over een half uurtje lopen per dag en dat je de mensen ook wat moet laten kauwen en niet alleen maar zacht voedsel moet laten slikken, dat moeten we bij ons ook invoeren.' En op mijn vraag of zij daar met haar collega's wel tijd voor heeft, zegt ze: "Iedereen moet daar aan meedoen. Dus ook de fysiotherapie en de vrijwilligers. Vaak vragen vrijwilligers bij ons wat ze kunnen doen. Nu kan ik zeggen: probeer s of je met die mevrouw wat kunt gaan wandelen. Of schil een appeltje, dat je haar laat opeten."
Met 165 deelnemers was de opkomst
verheugend groot. Gezien de capaciteit van de zalen voor de workshops zat het
vol. Ruim de helft werkte in de zorg, de andere helft had in het eigen leven
te maken met een dementerende. Die mix van ervaring en betrokkenheid werkte
heel goed. De drie inleiders van het ochtendprogramma prof. Erik Scherder, Jos
Cuijten en Gerard van den Boomen speelden daar ook op in. Ieder op zijn eigen
wijze.
Wondere wereld
Communicatietrainer en dementiedeskundige Jos Cuijten beet het spits af met een verhaal dat zij De wondere wereld van de dementie' had genoemd. Zij probeerde de deelnemers te laten kijken vanuit de beleving van de dementerende zelf. Als de dementerende langzamerhand in zijn eigen wereld belandt, hoe ziet die wereld er dan uit ? Hoe kun je er voor zorgen dat je de kloof tussen die wereld en de' wereld overbrugt. s Middags in de workshop die zij gaf maakte ze dat concreet door als dementerende dame de zaal in te stappen en zo reacties uit te lokken. Dat leverde soms confronterende, af en toe hilarische taferelen op.
Voor Jos Cuijten staat voorop dat je voor de dementerende een omgeving creëert waarin hij zich thuis voelt. De immateriële omgeving is een veilige omgeving, waar geborgenheid geboden wordt en waar geen haast is. "Wij moeten proberen langzaam te zijn". Ze erkende dat de zorgsector er op gericht is dat zorg vooral snel en efficiënt is. Langzaam doen zit er gewoon niet in. En toch zou het terwille van de dementerende langzamer moeten. Voorbeelden van een druk heen en weer rennende verzorger die én koffie schenkt én vragen stelt én zelf de antwoorden geeft, riepen duidelijk herkenning op.Probeer voorts de dementerende zonder dwang te benaderen. Dwang leidt tot weerstand en agressie. Blijf gericht op de beleving. Meegaan in die beleving is van het grootste belang. En negeer negatieve gevoelens. Ze zijn lang niet altijd zo bedoeld en bovendien heel gauw weer vergeten. Tenslotte: laat dementerende niet voortdurend het gevoel hebben te falen. Stel geen moeilijke vragen en ga niet in discussie was haar advies "Wat geeft het als het donderdag is en iemand zegt dat het dinsdag is."
Blijf bewegen
Professor Erik Scherder, neuropsycholoog en bewegingswetenschapper leek haast wel een entertainer. Hij probeerde zijn publiek te laten meedenken over uitdagende stellingen, zoals Mensen van tachtig die in hun jonge jaren veel aan sport hebben gedaan hebben minder last van dementie'. Eric Scherder: " Nu, zie ik u denken, hoeveel heb ik eigenlijk aan sport gedaan, toen ik twintig, vijfentwintig was en hoe groot is de kans nu dat ik later dementie krijg - wacht even, ik heb gezegd, dat we in de wetenschap hebben ontdekt dat er een verband is, niet meteen een oorzakelijk verband. Natuurlijk zeg ik niet dat het aan uzelf ligt, of u dementie krijgt of niet. Dat is niet zo, maar de gunstige effecten van bewegen zijn er wel Ook als u wat later begint. Maar dan er wel mee doorgaan!" Ondertussen switchte hij naar plaatjes van hersenen, waarop hij aanwees waar het bij mensen met Alzheimer vooral mis gaat. "De hippocampus is kwetsbaar voor dementie en dat orgaan heeft te maken met het geheugen en met beweging. En in de prefrontale cortex, dus boven je neus aan de voorkant, zit een gebiedje waar het initiatief zit en de zelfstandigheid. Als dat is aangetast dan gaat het vervolgens op heel veel andere gebieden mis. Als dementerenden geen initiatief meer nemen om te bewegen, help hen dan. Zorg voor een omgeving waarin dat bewegen ook kan. Nu is het nog vaak zo dat als mijnheer Jansen van de psycho-geriatrische afdeling van zijn stoel opstaat, dat het personeel zegt: "Mijnheer Jansen, gaat u toch lekker zitten." Op den duur is dat slecht voor mijnheer Jansen. En zijn ze soms druk of agressief. Bindt hen niet meteen vast of spuit hen plat."
"Maar als de mensen om fysieke redenen nauwelijks meer bewegen kunnen?" vroeg iemand. "Zorg dan in ieder geval voor zo'n omgeving dat mensen uitgedaagd worden actief te zijn. Praat met hen en zorg vooral dat de mensen zelf wat vertellen. Op de meeste psycho-geriatrische afdelingen is het dodelijk stil. Daardoor gaan dementerenden sneller achteruit." Uiteindelijk wist hij op zijn vraag: "Dus waar gaat het om ? " de zaal tot een luid gescandeerd: "BEWEGEN!" te verleiden.
Toch een bijzondere band
Gerard van den Boomen was gevraagd om vanuit zijn ervaring commentaar op deze twee inleidingen te geven. Hij vertelde hoe zijn dementerende vrouw Grietje tot haar overlijden, 13 jaar lang thuis verzorgd had. Gelukkig samen met zijn kinderen ." Alleen had ik het niet gered." Het was een zware tijd geweest, maar ook een mooie en waardevolle tijd. Je moet er de humor ook bij bewaren. Of hij het gezien de adviezen van Jos Cuijten altijd goed had gedaan, wist hij niet. Geen moeilijke vragen stellen en niet discussiëren ? Gerard van den Boomen: "M'n leven lang heb ik dat met Grietje gedaan. Dat heb ik op een bepaalde manier ook volgehouden. Grietje zei vaak. "Ik ga naar huis." en dan bedoelde zij: ik ga naar mijn moeder. En dan zei ik: Je bent zelf bijna negentig, hoe oud denk ik je dat je moeder nu is: 120? Dan leek ze te begrijpen, dat het niet kon en dan had ze het er niet meer over."
Er waren in de loop der tijd vele moeilijke momenten geweest, die af en toe een verrassende wending hadden gekregen. Van den Boomen: " Steeds vaker herkende ze me niet meer, of hield ze me voor een ander, bijv. haar zoon of haar broer. Dat was dus niet leuk, maar ik ging daar altijd relativerend op in. Nee Grietje, ik ben niet je broer en ook niet je zoon, maar wel je man, je chauffeur, je kok, je verpleger en je schoonmaker. "Oh", zei ze toen, "ik wist wel dat ik een bijzondere band met je had!" En dan lachten we weer." Als reactie op prof. Scherder of hij met Grietje genoeg aan beweging had gedaan ? "Toen het nog mogelijk was, gingen we elke dag wandelen - eerst gewoon, toen met de rollator en uiteindelijk de rolstoel. Of dat wat geholpen heeft weet je nooit."
Een deel van zijn ervaringen heeft hij na haar dood vastgelegd in Ik wil de kluts kwijt' een boek met de dvd van twee tv uitzendingen die aan hem en Grietje waren gewijd. In de pauze ging die grif van de hand.
Workshops
Iedereen had s middags de kans om twee workshops te volgen. Omgaan met dementerenden met Jos Cuijten in de kerk. In het Mozeshuis een gesprek met Sjef van Bommel naar aanleiding van de documentaire Benjamin en de anderen'. Sjef van Bommel die zijn partner aan Alzheimer verloor bevestigde wat Jos Cuijten die ochtend had gesteld. Door op een gegeven moment toch mee te gaan in de wereld van je dementerende partner, krijg je ook liefde terug. Bij alle verdriet kan dat ook troost geven. Yvonne van Amerongen vertelde in een andere workshop over de aanpak in De Hogeweijk, een wijkje gemaakt door verpleeghuis Hogeweij in Weesp, waar dementerenden in gewone huizen wonen en waar per huis een aparte leefstijl wordt gehanteerd. Van Goois tot s tads' en van ambachtelijk' tot christelijk', Indisch' en cultureel'. Een vierde workshop was met loketcoördinator Harm Puite van de Dienst Zorg en Samenleven van de Gemeente Amsterdam over wat er aan zorg mogelijk is en hoe je dat moet regelen. Hadden de deelnemers tijdens het ochtendprogramma nog weinig gelegenheid gehad om met hun eigen ervaringen en vragen naar voren te komen., nu werd dat volop gedaan. En al bleek uit de reacties dat de meeste deelnemers jarenlange ervaring met dementerenden hadden, na afloop hoorde je regelmatig: "Toch weer wat geleerd!".
Interview met René Louman over de (Zomerschoolexpositie) Heden en verleden, altijd nu
Fotograaf René Louman:
"Mijn
foto's hebben te maken
met het proces waarin ik zelf zit"
Heden en verleden, altijd nu' is de tentoonstelling van fotomontages waarmee René Louman de Zomerschool zal opluisteren. Bewoners van De Flesseman, een centrum voor ouderen in de Nieuwmarkt-buurt, zette hij op de foto en die foto combineerde hij met foto's van vroeger die zij zelf aanbrachten. Een leuk idee, prachtig uitgewerkt. Maar deze fotograaf werkt dan ook al acht jaar als parttime receptionist in De Flesseman'. Als receptionist vindt hij het een van zijn taken aan een zo goed mogelijke sfeer in het huis bij te dragen. En dat is met deze fotoserie ook zeker gelukt.
De vader van René Louman was
geboren en getogen Amsterdammer, hij niet. Maar na Velsen, Eindhoven, Utrecht
en Maastricht kon hij 15 jaar geleden de roep van Amsterdam niet weerstaan en
hij woont nu in het centrum vlakbij zijn werk. Met zijn fototoestel is hij regelmatig
op stap om het leven in de binnenstad vast te leggen. Als ik vraag of ik hem
voor dit artikel mag fotograferen wil hij dat niet. "Ik wil niet dat mensen
me op straat teveel herkennen. Voor het maken van foto's werkt dat niet."
René Louman heeft ooit geschiedenis gestudeerd, maar een loopbaan als
historicus is er nooit van gekomen. Fotografie was altijd een hobby, die hij
steeds professioneler is gaan beoefenen. Vooral door steeds nieuwe dingen uit
te proberen. Ook het werken met fotoprogramma's via de computer heeft hij zichzelf
aangeleerd.
Hij wil graag dingen fotograferen, die bij hem passen. Zo heeft hij in zijn
volkstuin heel veel insecten gefotografeerd en daar ook geëxposeerd. "Alle
dingen die ik onderneem, wil ik graag organisch bij mij laten passen. Zij moeten
een geheel vormen met waar ik zelf mee bezig ben." Dat is eigenlijk ook
de basis van het Flesseman project. Het idee was om voor het twintig jarig bestaan
alle bewoners te fotograferen. Maar René Louman wilde meer. Om mee te
kunnen doen vroeg hij hun ook of ze een foto uit hun jonge jaren mee wilden
nemen. Uiteindelijk deden er 42 bewoners mee. Ik stond er versteld van
hoeveel foto's de bewoners meebrachten. Sommigen kwamen echt met schoenendozen
vol aanzetten, anderen hadden er maar 3 of 4. Maar dat was allemaal goed voor
mijn project."
De expositie heet niet voor niets: Heden en verleden, altijd nu': "De bewoners in dit huis hebben allemaal een lang leven gehad en veel meegemaakt in hun leven. Dat dragen zij allemaal met zich mee. Daarom heb ik de foto van hen zoals ze nu zijn geplaatst in hun oude foto's en soms omgekeerd. Voor mij vormen de personen van vroeger en nu een geheel. Dat komt in de gecomponeerde foto's goed tot uitdrukking. Het was heel leuk om samen met hen bij de nieuwe foto een passende foto van vroeger te zoeken. De foto's van vroeger riepen bij veel bewoners levendige herinneringen op. Iedere bewoner heeft een paar foto's gekregen. Dat werd erg gewaardeerd." Sinds het maken van de foto's is een aantal mensen overleden, maar hier hebben ze met plezier aan mee kunnen werken. Dat geeft mij ook een goed gevoel. Ik wilde graag dat het project belangrijk zou zijn voor de sfeer in het huis en ik heb het gevoel dat ik daarin geslaagd ben." René Louman denkt met plezier terug aan dit project: "Het liep gewoon goed, alles zat me ook mee. Zelfs financieel kwam het uit, al was dat niet het belangrijkste. Een paar kranten, zoals de Volkskrant in het zaterdagse Magazine, hebben foto's en artikelen geplaatst. Met allerlei aardige reacties tot gevolg." "Het heeft me goed gedaan met dit project bezig te zijn geweest. Het laadt het me weer op voor nieuwe fotoprojecten.."
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Aktion Sühnezeichen Friedensdienste
Op 15 en 16 mei 2009 werd in de Mozes & Aäronkerk gevierd dat Aktion Sühnezeichen Friedensdienste (Aktie Teken van verzoening , Dienst aan de vrede) 50 jaar in Nederland werkt. Opgericht in Duitsland om vrijwilligers naar landen te sturen die in de Tweede Wereldoorlog onder de bezetting van de nazi's hebben geleden en daar aan de wederopbouw bij te dragen. En al is het lang geleden dat Berthold, Frank, Barbara en andere ASF vrijwilligers thuis in het Mozeshuis' waren, de band met ASF is altijd gebleven. Vandaar een korte kennismaking met ASF via twee ASF-ers van nu, coördinator Barbara Schöpping en vrijwilliger Sarah McDonnell die ondanks haar Schotse achternaam toch echt een Duitse is die uit Hamburg komt.
Barbara Schöpping is negen jaar coördinator van ASF in Nederland: "Al in 1959, een jaar na de oprichting in Duitsland, kwamen de eerste vrijwilligers naar Nederland. Zij hielpen in Rotterdam mee bij de bouw van vakantiewoningen voor havenarbeiders en bij het Oecumenisch Centrum Visser 't Hooft. Maar het ging niet alleen om bouwen. Na 1970 kwamen er ook vrijwilligers voor ondersteunende werkzaamheden in organisaties, die iets met de herdenking van de Tweede Wereldoorlog te maken hadden. Zoals de Anne Frank Stichting en het Verzetsmuseum Van 1982 tot 1989 hebben er vrijwilligers in het Mozeshuis gewerkt, met name voor de stichting Lau Mazirel. Deze stichting, mede opgericht door het Mozeshuis, verzorgde documentatie over zigeuners en deed aan belangenbehartiging voor hen. Barbara zelf is in Nederland met ASF in contact gekomen. Toen zij hier een jaar woonde zag ze de advertentie met de vacature voor een coördinator. Als pedagoge wilde zij graag met jongeren werken en als Duitse in Nederland de band met Duitsland behouden. Bij ASF kon ze dat combineren.Haar werk bestaat uit het coachen van de vrijwilligers, die een jaar in Nederland komen werken.. "Tot een paar jaar geleden kwamen de vrijwilligers voor 1 ½ jaar, omdat men dit werk kon kiezen als vervangende dienstplicht. Een jaar sluit veel beter aan bij een studie die de vrijwilligers daarna willen doen." Naast het coachen is zij bezig met het zoeken van geschikte werkplekken. Verder organiseert ze in september de introductieweek voor de 150 nieuwe vrijwilligers en ook seminars voor hen. Tenslotte onderhoudt ze contacten met de projectpartners,. Zij heeft op dit moment 18 vrijwilligers geplaatst bij diverse instanties in Amsterdam, Rotterdam, Westerbork, Amstelveen, Amersfoort en Den Haag .
Sarah McDonnell is één
van die vrijwilligers. Ze werkt voor het Sinaïcentrum in Amstelveen. Dat
is een joodse instelling voor geestelijke gezondheidszorg en begeleiding van
mensen met een verstandelijke handicap. Het centrum is gespecialiseerd in de
behandeling van trauma's ten gevolge van oorlog, geweld en verlies. Na haar
middelbare school wilde Sarah liefst een jaar werken. Na het schrijven van een
motivatie, het opgeven van referenties en een pittig sollicitatiegesprek in
maart 2008 kon zij in september bij ASF aan de slag. Maar dat betekende eerst
een seminar van 10 dagen in Berlijn met workshops over omgang met gehandicapten
en ouderen, maar ook over discriminatie en de Tweede Wereldoorlog. Op school
bij haar in Hamburg werd al veel over de oorlog gesproken. Ze heeft toen ook
een concentratiekamp in Polen bezocht. Haar motivatie om zich later sociaal
in te zetten werd toen alleen maar sterker. Op het Sinaïcentrum werkt zij
op verschillende afdelingen, zoals het schilder-, keramiek- en textielatelier
en de ontwikkelingsgroep. Haar taak is contact te hebben met bewoners en hen
te helpen., waar ze dat nodig hebben. Hoe vind ze het werken in een joodse instelling?
Sarah: "Dat was voor mij helemaal nieuw, al is het joodse wel herkenbaar.
Ik kom zelf uit een katholieke traditie dat is heel anders. Voor de bewoners
was dat geen probleem. Toen ik nog geen Nederlands sprak keek ik vooral naar
hun non-verbale gedrag. Bij ouders en andere relaties van bewoners merkte ik
wel afstand, tot ik Nederlands ging praten. Toen ging het beter. Bij de rabbi's
die hier werken merk ik veel enthousiasme om me laten zien hoe de joodse cultuur
is. Dat ontroert me. Om over vier manden weer weg te gaan vind ik wel zwaar.
Ik houd van de mensen hier, heb hier vrienden gemaakt. Maar om straks weer in
de buurt van mijn ouders en mijn vriend te zijn is natuurlijk ook fijn. Wat
gaat ze verder doen? Voor dit jaar dacht ik dat ik leraar wilde worden in het
basisonderwijs, maar nu ga ik de opleiding sociaal werk doen aan de Hogeschool
van Hamburg. Dat ligt zeker ook aan het jaar dat ik hier als ASFvrijwilliger
bezig ben geweest.
Rubriek
KOLOM
column van Leo Plavoet
Monetaire meltdown & moraliteit
Het is tamelijk onthutsend te moeten constateren hoe politiek Nederland omgaat met de economische crisis. Met het redden' van enkele banken werd gedacht het tij te kunnen keren. Toen dat niet lukte kwam er een plan van aanpak, waarmee volgens de beproefde Poldermethode kool en geit werden gespaard.
Deze crisis vraagt echter om een fundamentele herbezinning op de ontoelaatbare wildgroei waarin de economie terecht is gekomen. Een wildgroei waarvan de bonussen- en graaicultuur het veel en terecht - bekritiseerde topje van de ijsberg vormt. Maar daaronder gaat een veel groter drama schuil: de globalisering van een economisch systeem dat gedreven wordt door winstzucht, geldschepping, malafide financieringssystemen en onverantwoord consumentisme. Een economisch systeem, dat onvoldoende tegenwicht kreeg van overheden. Integendeel, vanaf de jaren '80 heeft de ideologie van het marktdenken gedomineerd. Wat goed is voor het bedrijfsleven is goed voor de maatschappij, zo luidde het dogma. De overheid trad terug, niet uit luiheid of onkunde, maar om de vrije markt te faciliteren. Het meest ontluisterend komt dit tot uitdrukking in voormalige (semi-)overheidssectoren, zoals de energievoorziening, de gezondheidszorg en de sociale volkshuisvesting. Het decennia lang opgebouwde collectieve goed kwam in handen van bestuurders die op een rijdende trein sprongen en verzekerd waren van een goed marktaandeel. Toch lieten zij zich belonen, alsof zij met bloed, zweet en tranen vanaf de grond een sprankelend bedrijf hadden opgebouwd.
De overheid moet vol aan de bak om te voorkomen dat de gevolgen van de mondiale, monetaire meltdown worden afgewenteld op de zwakste schouders. Misschien zit de kern van een zich herpakkende overheid wel in het begrip moraliteit. Dan doel ik niet op het opgeheven vingertje of de leerstelligheid van religieuze boeken. Maar wel op een overheid die solidariteit en betrokkenheid organiseert, creativiteit en ontplooiing stimuleert en economisch egocentrisme bestrijdt. Kortom, een overheid waar ieder beschaafd mens zich in kan herkennen.
Leo Platvoet verzorgt dit jaar KOLOM. Hij is socioloog, adviseur, auteur, oud-Eerste Kamerlid voor Groen Links en Amsterdammer sinds 1988. Samen met Maarten van Poelgeest schreef hij Amsterdam als Emancipatiemachine www.leoplatvoet.nl
Oud-burgemeester Ed van Thijn:
Mijn
hartstocht voor Amsterdam
is niet veranderd.'
"Mijn hartstocht voor Amsterdam
is grosso modo niet veranderd. Dat ondanks de problemen die ik toen noemde en
er nu ook nog zijn."
Dat zegt oud-burgemeester Ed van Thijn die 18 juni a.s. de twintigste Mozeshuis
Zomerschool zal openen. Net als in 1990, 1991 en 1992 bij de eerste drie afleveringen
van wat toen nog de Seniorenzomerschool heette vroegen we hem zijn visie op
de stad te geven. Net als toen onder de titel Amsterdam tussen trots en
ergernis'. Is zijn visie in die bijna twintig jaar veranderd? Kijkt hij er anders
tegenaan nu hij geen burgemeester meer is en zich uit de actieve politiek heeft
teruggetrokken ?
Lastige Amsterdammers
Met een verhaaltje van Simon Carmiggelt
over de Amsterdammer die zijn jasje uitgooit en de gracht inspringt om een kind
te redden en de andere Amsterdammer die het jasje van de dappere stadgenoot
meepikt legde hij in 1990 uit dat er heel veel verschillende Amsterdammers zijn
waar je trots en niet trots op kon zijn. En wat de ene prijst kan de andere
verfoeien. Fantastisch die lastige Amsterdammers' die het stadsbestuur
kritisch volgden, maar wat kon hij die als bestuurder soms ook verfoeien. De
campagne om de Olympische Spelen van 1992 naar Amsterdam te halen werd toen
aardig gefrustreerd door lastige Amsterdammers' die dat helemaal niet
zagen zitten . Trots en ergernis' waren volgens Van Thijn dan ook twee
kanten van dezelfde medaille. De problemen die hij begin jaren negentig noemde
waren vooral: de tegenstelling tussen arm en rijk, de drugsproblemen en de criminaliteit.
En uit zijn antwoord nu blijkt dat hij zich nog steeds zeer betrokken voelt
bij het Amsterdamse stadsbestuur en wat er nu in de stad speelt.Van Thijn: "
Een grote tegenvaller voor de stad is natuurlijk de financiële en economische
crisis die Amsterdam extra treft. Daarom komt een trots project als de Zuid-as
onder grote druk te staan.
Een andere tegenvaller zijn de problemen met de NoordZuidlijn die ons boven
het hoofd lijken te groeien. We zijn in bange afwachting van het rapport van
de commissie Veerman."
Tweedeling
"Eén van de grootste vraagstukken en dat woord gebruik ik bewust, dat staat niet gelijk aan een probleem, dat is de dreigende tweedeling in de stad rond de multiculturele samenleving. We moeten dat echter niet overdrijven, zoals tegenwoordig vaak gebeurt. Veel gaat goed. Maar de kernproblemen, zoals met losgeslagen, vaak Marokkaanse jongeren, die zich in mijn tijd als stadsbestuurder al aandienden en ook benoemd werden, moeten effectief worden aangepakt. Het stadsdeel Slotervaart geeft daarin volgens mij het goede voorbeeld."
"Net als in 1990 ben ik van mening dat tolerantie in Amsterdam een groot goed is maar niet verward mag worden met gedogen. Integendeel: het veiligheidsgevoel van burgers is het cement van een tolerante samenleving." Op 18 juni zal hij dit allemaal toelichten en kunt u hem als deelnemer van de twintigste Zomerschool daar vragen over stellen.
Ed van Thijn (1934) is
geboren en getogen Amsterdammer. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij als
joodse jongen ondergedoken en kwam hij in het doorgangskamp Westerbork terecht.
Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen heeft hij het grootste deel
van zijn werkzaam leven voor de PvdA in de politiek gezeten. Van 1962-1971 zat
hij in de Amsterdamse Gemeenteraad. Vanaf 1967 werkte hij in Den Haag als lid
van de Tweede Kamer (-1983) was 2x (1981-1982 en 1994) Minister van Binnenlandse
Zaken en tenslotte lid van de Eerste Kamer (1999-2007). Van 1983 - 1994 was
hij burgemeester van Amsterdam. De laatste jaren legt hij zich toe op het schrijven
van boeken, zowel over de politiek als over zijn persoonlijke oorlogservaringen
Overslaande vonken
In 1986 werd in de Mozes & Aäronkerk de tentoonstelling Kunstwerk in de Actiekerk gehouden. Kunstenaars die zich bij politieke en vredes manifestaties verdienstelijk hadden gemaakt, wilden laten zien wat ze individueel in hun mars hadden. Het was een afsluiting van een periode van bijna twintig jaar, waarin groepen als Kukeleku, het Februaricollectief, Kunstenaars in Verzet actief waren. Voor hen was de Mozes & Aäronkerk vooral Actiekerk geweest, waar bijv. het 500 meter lange doek Rustplaats voor een Megadode met 1 miljoen kruisjes was beschilderd als protest tegen de atoombewapening. Eén van de kunstenaars waarmee deze periode begonnen was, is de vroeg overleden Herman Ysebaert. Zijn dochter Nele heeft met enkele bevriende kunstenaars een retrospectief gemaakt als hommage aan haar vader en diens collega's. Die zal zowel in de Oosterkerk (v.a. 17 mei) als in de Mozes & Aäronkerk (tijdens de Zomerschool) worden gepresenteerd. Met kijkdozen van de gevoerde acties, maar ook foto's uit die tijd en bijdragen van kunstenaars die zich nu met speelse, beeldende vormen van activisme bezighouden.
Een beschilderd doek van 5 bij 8 meter dat het volledige hoofdaltaar van de Mozes & Aäronkerk bedekte voor de Vredesweek van 1969. Beschilderde doeken over alle veertien kruiswegstaties om de lijdensweg van de mens nu te laten zien. Daar is de naam van Herman Ysebaert aan verbonden. Beeldend kunstenaar en speels activist. In 1967 ging de ex-roomse heiden' Ysebaert uit Sint Niklaas de alliantie aan met de hervormde predikant Gustaaf Prast en het kritisch katholieke kunstenaarsechtpaar Jan Koperdraat en Toos Koedam. In het door Prast opgerichte Komité Vredesweek Amsterdam, een bundeling van organisaties die zich verzetten tegen de Vietnamoorlog en de koloniale oorlogen in Afrika vinden ze elkaar. In de Westerkerk komt de eerste Vredesweek tot stand met een actiesymposium, debatten , een vredesmarkt en een verkooptentoonstelling van kunst tegen oorlog. Die wordt gepresenteerd door het Kunstenaarskomité Amsterdam waarin Herman Ysebaert zitting heeft. Ook aan de Antikerstviering die Prast samen met collega- predikant Anton Dronkers organiseert doet de kunstenaar mee. Anti-kerst vanwege de uitgeholde kerstgedachte van vrede op aarde' en het zwijgen van kerken tegenover de oorlog inde wereld. Daarna volgen meer Vredesweken o.a. in de Mozes & Aäronkerk en Anti-kerstvieringen in Paradiso met bijdragen van beeldend kunstenaars, dichters en schrijvers. Herman Ysebaert is ook bij andere verbanden betrokken, zoals bij de groep van Amsterdamse en Gentse kunstenaars die een rol papier van 210 meter bij 1.50 meter beschilderen en het Stedelijk Museum daarmee inpakken om vrij te bezichtigen expositieruimte toe te voegen'. Daarna verhuist de enorme rol papier naar Gent voor een vergelijkbare manifestatie. In 1969 is Ysebaert medeoprichter van schilderscollectief Kukeleku. Behalve het leveren van bijdragen aan politieke manifestaties willen deze kunstenaars stadsbewoners leren, dat ze allemaal creatief zijn en dat ze gelukkiger worden als ze dit ook uitleven. Het collectief opereert vanuit buurthuizen en scholen, waar het blind' tekenen en een ter plekke verzonnen liegverhaal' als methode wordt gebruikt om de creativiteit wakker te kussen'. Dit levert een aantal -grotendeels weer verdwenen- muurschilderingen op.
Hoewel veel actiewerk' verdwenen is, hopen de organisatoren toch dat de vonk' die actie-kunstenaars als Herman Ysebaert toen ontstoken bij de mensen nu zal overslaan.
De herdenkingstentoonstelling Overslaande
vonken rond de actiekunstenaar Herman Ysebaert is voor niet deelnemers aan de
Zomerschool te zien van 20 juni t/m 8 juli op maandag t/m woensdag 13.00 - 17.00
uur en zaterdag 12.00 - 15.00 uur. Op 21 juni is er een openingsmanifestatie.
Mozaïek maart 2009
Bewegen baat het brein
Neuropsycholoog Erik Scherder ontdekte dat zelfs kijken naar beweging ouderen kan helpen.
Als hij ziet dat ik na het interview weer met de fiets naar huis ga roept hij me nog na: “Uitstekend! Blijven fietsen, zolang je kan. ” Professor Erik Scherder die op 19 maart a.s. een inleiding houdt op het Dementie symposium van het Mozeshuis kan werkelijk bevlogen genoemd worden. Altijd met zijn vak bezig en op zoek naar praktische invalshoeken. In Groningen waar hij hoogleraar Bewegingswetenschappen is met een speciale leeropdracht voor ouderen, kende men hem de titel Docent van het jaar 2008 toe na een college over Alzheimer en pijnbeleving. Niet direct het meest swingende onderwerp. Maar, zoals het juryrapport luidde ‘omdat hij zowel fascinatie voor zijn vak als empathie voor de patiënten met Alzheimer wist over te dragen”. Ik tref hem op de VU waar hij sinds 2007 gewoon hoogleraar en hoofd van de afdeling klinische neuropsychologie is. Zo combineert hij in Amsterdam en Groningen twee passies: neuropsychologie en bewegen. De kern van die combinatie laat zich het best samenvatten in vier woorden: Bewegen baat het brein.
Werken en leren
Erik Scherder (1951) is een geboren en getogen Amsterdammer. Hij komt uit een middenstandsgezin in de Watergraafsmeer, waar zijn vader een agentschap in papier en plastic had. Zijn broers gingen werken in het bedrijf van zijn vader. Hij, de middelste, volgde de opleiding voor fysiotherapeut aan het instituut Leffelaar in de Lairessestraat. Om de hoek in de Valeriuskliniek werd hij fysiotherapeut in die tijd deels een neurologische en deels een psychiatrische kliniek. Daar groeide zijn liefde voor de neuropsychologie: “Als medewerker van de kliniek kon ik, als je een beetje op de achtergrond bleef, veel activiteiten bijwonen van neurologie.” In 1985 zette hij een stap verder en begon aan de Vrije Universiteit met de deeltijdopleiding neuropsychologie. Tegelijkertijd werkte hij als fysiotherapeut in een verpleeghuis. Het waren drukke jaren, waarin hij trouwde en drie kinderen kreeg. Zijn vrouw en hij kozen ervoor om allebei parttime te werken en samen voor de kinderen te zorgen. In 1995 zag hij kans om in zijn vrije tijd een promotieonderzoek af te ronden. Hij bleef betrokken bij de universiteit, waar hij ook les kon geven. In 1999 werd hij halftime docent. Daarna is het snel gegaan. In 2002 volgde de benoeming tot bijzonder hoogleraar klinische neuropsychologie aan de VU, in 2004 daarnaast hoogleraarbewegingswetenschappen aan de Universiteit van Groningen. Zo kreeg hij de kans zijn beide liefdes: beweging en wetenschap te combineren. Omdat hij zoveel mogelijk van zijn opgroeiende kinderen wil meemaken, werkt hij in Groningen momenteel nog maar één dag per week.
Ouderen een vergeten groep
Terwijl ouderen toch een groot deel van de bevolking uitmaken, waren ze, volgens Erik Scherder qua bewegingsonderzoek vrijwel een vergeten groep. Voor bewegen van ouderen was überhaupt weinig aandacht. Voor de fysiotherapeut was het van meet aan duidelijk dat de motoriek van het bewegen juist voor hen van belang is. Zijn onderzoeksprogramma naar mensen met dementie sloot daar moeiteloos bij aan. Hij ontdekte dat er via bewegen iets te doen is aan de psychologische gevolgen van het ouder worden zoals achteruitgang van het geheugen. Tijdens zijn studies deed hij al onderzoek naar ouderen in verpleeghuizen o.a. bij Sint Jacob in Amsterdam. Als fysiotherapeut was hij daar natuurlijk ook al voortdurend mee bezig. Op dit moment is hij nog steeds via promovendi en studenten bij dergelijke onderzoeken betrokken.
De laatste jaren verschuiven de inzichten over Alzheimer. Tot voor kort ging iedereen ervan uit dat dementie in 50 tot 70% van de gevallen door Alzheimer komt. Bij deze ziekte is er een stoornis in de eiwitstofwisseling in de hersenen, waardoor zenuwcellen afsterven en het hersenvolume krimpt. Daarnaast kan dementie ook veroorzaakt worden door een aandoening van de bloedvaten in het hoofd. Naast de eiwitstofwisseling spelen dus ook vaatstoornissen een rol bij dementie. Bij ouderen zien we vaak hoge bloeddruk, diabetes of stoornissen in de bloedvaten. Ook is in veel gevallen de hersendoorbloeding niet zo goed. Dat maakt ouderen vatbaarder voor dementie.
Het belang van bewegen
In zijn onderzoeken is voor hem duidelijk geworden dat een fysiek actief leven ideaal is. Door te blijven bewegen kan de invloed van dementie minder worden. Helaas was dat lang onbekend. Vooral als ouderen in verpleeghuizen terecht kwamen, werd weinig aandacht gegeven.aan bewegen. Er was ook weinig tijd voor omdat verpleging van hen op de voorgrond stond. En bij verpleging wordt altijd gezocht om die zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Dus zet hen in een rolstoel, dat gaat sneller dan hen zelf te laten lopen. Maar hadden ze daar baat bij ? Nee, met die rolstoelen gingen ze bij wijze van spreken meer achteruit dan vooruit.
Professor Scherder kan het niet genoeg zeggen: Blijf fysiek in conditie. Juist als je ouder wordt. Dat is wezenlijk voor het vaatstelsel, voor de hersenen en voor het geheugen. Hoe? Dat is niet zo moeilijk: dingen zelf blijven doen, stevig wandelen, fietsen. Veel ouderen kunnen dat tot op hoge leeftijd doen. We hebben weliswaar geen medicijn tegen dementie, maar door te blijven bewegen kan de ziekte wel uitgesteld worden. Mocht bewegen helemaal niet meer lukken, dan is, verrassend genoeg, zelfs het kijken naar beweging belangrijk. Daardoor worden bepaalde delen in de hersenen gestimuleerd, die kwetsbaar zijn voor dementie.” Zo vertelt hij over een nog lopend onderzoek waarbij aan twee groepen ouderen video’s getoond worden. De ene groep krijgt regelmatig een video te zien met lopende mensen, de andere groep video’s met andere beelden. Het wordt langzamerhand duidelijk dat de deelnemers van de eerste groep actiever worden, dat hun geheugen beter is en hun slaapwaak ritme minder verstoord is.
Er lopen onder zijn leiding op dit
moment drie onderzoeken:
a. Een onderzoek van mevr. dr. L. Eggermont naar het belang van handbewegingen.
Dat is bijna afgerond. Het blijkt belangrijk te zijn veel te kijken naar structurele
handbewegingen (voortdurende bewegingen met de handen, bijv. door haken, breien,
timmeren).
b. Een onderzoek naar kauwen en geheugen.
Er bestaat een verband tussen kauwen en de prestaties van de hersenen.
De hartfrequentie gaat omhoog en de hersenen krijgen sensorische prikkels.
Tijdens zijn werk in verpleeghuizen ontdekte hij al dat de mondhygiëne
en mondzorg beter kunnen . “De meeste patiënten in verpleeghuizen hebben
gebitten en krijgen gemakkelijk verteerbaar voedsel voorgezet. Zij kauwen daardoor
nauwelijks meer. Door meer aandacht aan het kauwen te besteden blijken de patiënten
in een betere stemming te blijven en wordt hun geheugen beter. Er moet dus een
verband bestaan tussen kauwen en het brein. Daar wordt nu verder onderzoek naar
gedaan.”
c. Onderzoek naar dementie en pijnbeleving.
De grote vraag is of dementerende ouderen pijn ervaren. Internationaal is hier
veel belangstelling voor. Toch bestaat er geen actief pijnbeleid in de verpleeghuizen.
Veel dementerende ouderen kunnen niet meer aangeven dat zij pijn hebben. Hij
noemt het voorbeeld van een dementerende vrouw die altijd voorovergebogen zat.
Niemand had zich ooit afgevraagd of zij zo zat, omdat ze misschien voortdurend
pijn had in haar lichaam.
Er is nu een onderzoek in een verpleeghuis gestart waarbij de verzorging elke
dag gedurende enkele minuten de dementerende bewoners observeert om te kijken
of zij misschien laten zien of zij pijn hebben. Dat zou wel eens belangrijke
gegevens op kunnen leveren.
Je hoort wel eens zeggen: Dementie, dat is enkel aftakeling, die steeds sneller gaat, niet te voorkomen en niks aan te doen. De onderzoeken van Erik Scherder laten zien dat zo’n stellige uitspraak best wel enige nuance behoeft. Hij komt er 19 maart bij het Mozeshuis Dementie symposium in de Mozes & Aäronkerk verder over vertellen.
Ouders in Dialoog
Levensbeschouwing en identiteit
staan weer volop in de belangstelling. Juist ook bij ouders van schoolkinderen.
Het Mozeshuis is momenteel bezig samen met Arkade-Cilon, een programma
te ontwikkelen voor gesprekken met ouders van kinderen, die het vak levensbeschouwing
op school krijgen. ‘Ouders in dialoog’ hebben we dat genoemd. Juist omdat
in een stad als Amsterdam kinderen van moslim-, christen- of niet-gelovige achtergrond
in dezelfde klas zitten is zo’n dialoog over wat in het leven van waarde erg
belangrijk. Ter kennismaking een gesprek met Kees Kat, directeur van Arkade-Cilon
Kees van Kat van Arcade-Cilon:
“Levensbeschouwing moet aansluiten bij de sociaal emotionele ontwikkeling van het kind.”
Arkade-Cilon is een organisatie die
basisscholen en leerkrachten begeleidt bij hun vragen over levensbeschouwing
en identiteit.
De stichting is in 2004 ontstaan uit een samenwerkingsverband van het Katechetisch
Centrum Amsterdam, het Provinciaal Identiteitscentrum (samen Cilon) en de Stichting
Arkade uit Alkmaar. Arkade-Cilon ondersteunt nu 260 scholen, zowel rooms-katholieke,
protestants-christelijke, interconfessionele als islamitische scholen.
Het laatste jaar sluiten ook openbare scholen zich aan.
Kees Kat (1960) is directeur van Arcade Cilon. Geboren in de Zaanstreek in zoals hij zegt ‘een katholiek gezin met een oecumenische blik’. Na een lerarenopleiding biologie en theologie werd hij docent levensbeschouwing in Almere bij het voortgezet onderwijs. Hij heeft ook bij het RK dekenaat Amsterdam gewerkt en werkt sinds 2002 bij één van de twee stichtingen die nu samen Arkade-Cilon vormen. Arkade Cilon kent twee werkwijzen: Medewerkers worden door basisscholen ingehuurd om hen te begeleiden bij levensbeschouwelijke en identiteitsvragen. En er zijn begeleiders die in dienst zijn van schoolbesturen, maar hun werkplek bij Arkade Cilon hebben.
Op dit moment zijn er 16 medewerkers.
Het werk is meer dan alleen het direct begeleiden van leerkrachten. Onlangs
is het tijdschrift ‘Kleur’ verschenen waaraan Arkade-Cilon heeft meegewerkt.
Hierin worden lesprogramma’s uitgewerkt voor leerkrachten, die aandacht willen
besteden aan levensbeschouwing en identiteitsvragen op school. (www.kleuropschool.nl)
Kees Kat is er van overtuigd dat praten over levensbeschouwing moet aansluiten
bij de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind, dus daar wordt in de lesprogramma’s
altijd rekening mee gehouden.
Begeleiding en onderzoek
Arkade Cilon is gehuisvest bij de IPABO een lerarenopleiding. En dat is niet toevallig. Het heeft volgens Kees Kat alleen maar voordelen. Opleiding en begeleiding van leraren moeten niet te ver uit elkaar lopen. Nu men in één gebouw zit, is er steeds meer samenwerking. Studenten van de IPABO doen onderzoek op het terrein waarop de stichting werkt. Arkade-Cilon begeleidt dan de studenten, die het onderzoek uitvoeren. Op langere termijn werpt dat zeker vruchten af.
Scholen, die begeleid worden, kunnen bij de stichting ook ouderbegeleiding aanvragen. Arkade-Cilon werkt sinds kort samen met Monica Neomagus en Everhard Mulder van het Mozeshuis bij het ontwikkelen van een nieuwe methodiek voor ouders. Uitgangspunt is dat de ouders thuis kunnen ondersteunen wat hun kinderen op school leren. Het idee is om een leskist te maken om ouders te stimuleren met hun kinderen over deze onderwerpen te praten. De kist bevat bijv. een dvd van een les levensbeschouwing, religieuze voorwerpen of poppen om situaties na te spelen. Een inhoud, aangepast aan de behoefte van ouders. Als de leskist klaar is zal hij door Arkade –Cilon beheerd worden. Het is de bedoeling dat het Mozeshuis dit jaar op enkele scholen proefprojecten met ouders start.
Professor Piet de
Rooy schetst de achtergrond
van De Canon van Amsterdam
‘De Olympische Spelen óf de Wallen...’
“Na de lezing van historicus prof. Piet de Rooy op 23 januari jl. voor de Winteracademie moesten er snel boeken bijgehaald worden. Twee dozen ‘De canon van Amsterdam’ bleken lang niet voldoende. Terwijl het verhaal van de voorzitter van de canoncommissie over de tot stand koming van deze 50 vensters op de Amsterdamse geschiedenis toch tal van kritische noten bevatte. Want ook Amsterdam had last gekregen van ‘canonjeuk’, ‘een canon is geen volledige geschiedenis van Amsterdam’ en als er de hoop is dat de geschiedenis zich herhaalt en je nu fouten uit het verleden kunt vermijden: ‘Nee, geschiedenis is voorbij, (..) die herhaalt zich niet.’ ‘50 onderwerpen, min of meer verdeeld over de periode van 1200 tot 2000 is natuurlijk maar een arbitrair getal. Dat hadden er ook 30 of 80 kunnen zijn.’
Ontwikkelingslijnen
Dat prachtige verhaal over de Mozes
& Aäronkerk in 1891 en het feest van pastoor Burgmeijer met zijn
joodse buurtgenoten stond er niet in. En ook als markant gebouw was de kerk
afgevallen. Net als zoveel andere gebouwen. Want als je zo begon, zou volgens
De Rooy het einde snel zoek geweest zijn. De commissie van tien is anders
te werk gegaan door eerst een doel vast te stellen: meer kennis bij Amsterdammers
van de geschiedenis met “de hoop dat ook het besef groeit dat deze stad
niet min of meer vanzelf ontstaan en gegroeid is, maar gemaakt is door onze
ouders en voorouders (...), een stad met een eigen geschiedenis, die we als
het ware een tijdje te leen hebben gekregen en waar we aan voort mogen bouwen.’
Welke ontwikkelingslijnen zijn dan van belang? Er zijn er vijf gekozen:
1. De ontwikkeling van de stad in haar uiterlijke verschijning
2. De ontwikkeling van het samenleven in de stad met allerlei migratiegolven
3. Het bestuur over de stad - hoe is de orde gehandhaafd, hoe heeft het democratiseringsproces
zich afgetekend?
4. De economische ontwikkeling.
5. De verhouding van de stad ten opzichte van Nederland en de wereld.
Dat eenmaal vastgesteld werden langs deze vijf lijnen, verdeeld over 800 jaar
kenmerkende gebeurtenissen, monumenten en personen gezocht om het grotere verhaal
van de geschiedenis van de stad aan op te hangen. Dus het Paleis voor Volksvlijt
van 1864 staat erin, niet als opvallend gebouw, maar ‘omdat het als het ware
de weg wees naar een nieuwe economische structuur met als zwaartepunt de industrie
in plaats van de handel. En daarbij kwam het verhaal over de oprichter, Samuel
Sarphati, die als arts ook veel gedaan heeft aan de verbetering van de hygiëne
in Amsterdam én bovendien het Amstelhotel heeft gebouwd, waarmee de stad
nieuwe allure kreeg.” Zo vulde de commissie volgens De Rooy in grote eensgezindheid
en zonder te stemmen over wat er wel en niet in moest die vensters in. Tot ze
alle vijftig gevuld waren.....en één commissielid opmerkte, dat
de Olympische Spelen van 1928 er niet in stonden. Dat kon toch niet. Dan de
Wallen er maar uit. Nee, dat mocht ook niet. De commissie leek zich volgens
haar voorzitter langs de lijn man-vrouw te splitsen: mannen voor de Olympische
Spelen, vrouwen voor de Wallen. Toen dreigde dat de strijd buiten de commissie
zou worden voortgezet werd op tijd een typisch Amsterdams compromis bereikt:
twee andere verhalen combineren, dan konden Olympische Spelen (1928)
en Wallen (1960) er allebei in. Gelukkig. Daarmee besloot professor De Rooy
zijn betoog en begon de run op de boeken, liefst natuurlijk mét handtekening.
Rubriek: Amsterdam tussen Trots en Ergernis
MOKUM ALEF
door Harry Polak
Een beetje Amsterdammer weet dat Mokum, de naam waarmee de hoofdstad regelmatig wordt aangeduid, afkomstig is uit het Jiddisch. Het betekent plaats’. Voor Joden was Amsterdam (Mokum Alef) een goede plaats om te wonen - met uitzondering van de jaren 1940-1945. Amsterdam werd het ‘Jeruzalem van het Westen’ genoemd. Joden uit Spanje en Portugal werden hier in de zestiende eeuw gastvrij onthaald toen zij daarginds werden verdreven. Zij brachten immers handelscontacten met zich mee in de tijd dat Nederland in opstand was tegen het Spaanse rijk. Toen bekend werd dat Joden hier een goed heenkomen konden vinden, stroomden er ook Joden uit Oost-Europa naar Amsterdam vanwege de Jodenvervolgingen daar. Omdat zij doorgaans armer waren dan hun Portugese geloofsgenoten was Amsterdam minder blij met hun komst. Maar toch, ook zij konden hier neerstrijken op hun vlucht voor het antisemitisme.
Is Amsterdam nog steeds leuk voor Joden? Als je als Jood in West of Oost woont dan zul je doorgaans wat meer op je tellen passen. Woon je in Buitenveldert of in Zuid dan leek er tot voor kort nauwelijks een vuiltje aan de lucht. In oktober werd daar echter een Joodse jongeman uitgescholden en vervolgens neergeslagen omdat hij Joods was uitgedost. De anti-Joodse stemming zit er bij veel Amsterdammers van vooral Marokkaanse en Turkse komaf goed in.
Het is hier niet de plaats om een politieke beschouwing te houden over het Midden Oosten-conflict met de twee staten-oplossing als redelijk compromis. Wat ik hier wel kwijt wil is dat ik er geen zin in heb om Amsterdam steeds meer te zien veranderen in een plaats waar Joden niet meer zonder gevaar voor lijf en leden met een keppel kunnen rondlopen. Of het nou om Noord, Oost, West of Zuid gaat.
Demonstraties houden tegen Israël, het hoort bij onze democratie. Het hoort helemaal bij Amsterdam waar mensen wonen die zich verbonden voelen met de ellende in de wereld. Het is heel goed te snappen dat de beelden uit het Midden-Oosten mensen verdrietig, boos en machteloos maken. Hopelijk hebben die mensen zich net zo gevoeld bij de Kassam-inslagen in S’derot. Of nog niet zo heel lang geleden bij de zelfmoordaanslagen in Jeruzalem, Tel Aviv of andere Israëlische steden.
Iedere Amsterdammer mag zich solidair voelen met anderen elders in de wereld. Wat je echter vooral van Amsterdammers mag verwachten is dat zij zich solidair voelen met andere Amsterdammers. Of ze nou Joods zijn, Marokkaans, Turks of Surinaams, het dondert niet. Je moet in deze stad net zo veilig kunnen rondlopen met een keppel op als met een hoofddoek om. Je moet in deze stad net zo rustig naar een synagoge kunnen gaan op sjabbat als naar een moskee op vrijdag. Je moet in Mokum net zo goed het recht van Israël op veiligheid kunnen verdedigen als het recht van Palestijnen op een eigen staat. Dat moet je kunnen doen als Jood en als Amsterdammer zonder dat je door de opponenten aan het gas wordt gewenst. Anders houdt Amsterdam op om Mokum te zijn.
Harry Polak
Liberaal Joodse Gemeente en lid van het Joods Marokkaans Netwerk Amsterdam.
Amsterdam tussen trots en ergernis is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse) samenleving. Reacties welkom!
KOLOM
column van Leo Platvoet
Post van Job
Deze week kreeg ik een brief van
de burgemeester in de bus. Dat gebeurt niet iedere dag, dus ritste ik met bovengemiddelde
gretigheid de envelop open. De brief was blijkens het kenmerk ‘behandeld’ door
ene I. van Velse. Vind ik altijd een grappige bureaucratische vondst. Riekt
een beetje naar de huisarts en daar zit ik niet op te wachten als ik een brief
van de gemeente krijg. De brief was inderdaad ondertekend door ‘Job Cohen, Burgemeester
van Amsterdam’ maar met een raadselachtig briefhoofd: ‘Dienst Persoons- en Geo-informatie’.
En dan weer van de afdeling ‘verstrekkingen’. Al weer kreeg ik een medicinale
associatie. Met welke verstrekking zou ik behandeld worden? En dan nog wel door
een dienst-met-deze-naam? Persoons- en Geo-informatie? Het zweet brak
me uit, maar toen ik de brief eenmaal gelezen had, was ik geheel gerustgesteld.
Job wees mij op het bestaan van de website ‘www.buurtleven.nl’. Een digitale
ontmoetingsplaats voor en door buurtbewoners die ertoe kan bijdragen dat Amsterdammers
zich meer verbonden voelen met elkaar en met de buurt waar zij wonen. ‘Dat juich
ik natuurlijk toe’ zo voegde de burgemeester er -geheel overbodig- aan toe,
want als er iemand is die op die verbondenheid hamert is Job het wel, en terecht.
Je hoeft niet de hele tijd elkaar koffie te verstrekken -en ik wil ook
niet door mijn buren behandeld worden- maar een gevoel van ‘samen maken
we de buurt sterker’ daar loop ik wel warm voor.
Dus maakte ik mijn computer, die inmiddels in slaap was gevallen, weer wakker
en surfde naar de aangeprezen website. En daar las ik dat het koor van buurtcentrum
De Vergulden Eenhoorn nog leden zocht. En dat ik bij Pieter van Amstel
‘2 grijze tijgertjes en een lapjeskat en ook nog een met de kleuren grijs, oranje,
wit’ kan ophalen. Is dat kleurenpalet mogelijk met één worp, zo
vroeg ik me af. Naast een ‘plein’ is er ook ‘nieuws’ op buurtleven te vinden.
De krantenkiosk zullen we maar zeggen. Van een omgangshuis voor gescheiden ouders
tot een avond vol verzen in Huize Frankendael. Voor dat eerste hoef ik (gelukkig)
niet behandeld te worden, maar die verzen laat ik me graag verstrekken!
Leo Platvoet verzorgt dit jaar KOLOM. Hij is socioloog, adviseur, auteur, oud-Eerste Kamerlid voor Groen Links en Amsterdammer sinds 1988. Samen met Maarten van Poelgeest schreef hij Amsterdam als Emancipatiemachine www.leoplatvoet.nl
Rubriek: Thuis in het Mozeshuis
Cursist in het Mozeshuis
Je interesseren voor de samenleving en bij willen leren is niet
aan leeftijd gebonden. Bij de Winteracademie merken we dat. Deelnemers
blijven terugkomen en worden ouder, zoals mevrouw Frijda (83). Maar we
zien ook jongere mensen zoals Juliette van der Aa (44). Ze deed voor het eerst
mee en vond het leuk ‘dat er zoveel grijze bolletjes rond liepen’. Grijs of
blond, eenmaal jong van geest verouder je hier niet meer. Dat blijkt al
jaren het best bewaarde geheim van Winter- én Zomeracademie (weer vanaf
18 juni!)
Mevrouw J.S. Frijda (1925)
Waarom doet u mee aan cursussen?
Door de TweedeWereldoorlog heb ik een stuk van de middelbare school niet afgemaakt.
Na mijn pensionering in 1985 zag ik kans om er wat van in te halen.
Welke cursussen hebt u bij het
Mozeshuis gevolgd?
Wereldverhalen, Wereldreligies en de Winteracademie
De Winteracademie vanwege de verschillende onderwerpen, de bevlogen inleiders
en de goede organisatie. Maar het is soms wat massaal
Wat heeft meedoen voor u betekend?
Door de cursus Wereldverhalen ben ik meer gaan nadenken over de oude verhalen
en hoe zij in de hedendaagse wereld nog steeds een rol spelen. De twee aanbevolen
boeken heb ik ook gelezen. Hierdoor heb ik eigen vragen, die ik al jaren had
eens op papier gezet en aan een deskundige gestuurd. Hij heeft mij daar zeer
uitgebreid op geantwoord en dat heeft me weer verder geholpen in mijn eigen
levensbeschouwelijke visie.
In de cursus Wereldreligies/Levensbeschouwingen was er veel ruimte voor vragen en discussie. Bijzonder trof mij het Boeddhisme. Ik ging weer mediteren na een bezoek aan hun tempel. Dat heeft ertoe geleid dat ik elke dag een half uur mediteer. Dat brengt mij rust en ik voel mij niet meer zo moe en opgejaagd. Ik heb nooit gedacht, dat het zo zou kunnen werken.” ?
Juliette van der Aa (1964)
is Amsterdamse sinds haar derde en moeder van een dochtertje (Veer) sinds ruim een jaar, woont vlakbij het Vondelpark, werkt als museummedewerker bij de Anne Frank stichting en schrijft en schildert.
Waarom heb je aan de Winteracademie
meegedaan?
“Ik had over de Winteracademie gelezen in het Amsterdams Stadsblad. Het leek
me gelijk interessant en divers en goed te betalen. Van vroeger kende ik de
Mozes & Aäronkerk alleen van de Indiase concerten. De kerk heeft als
locatie wel een meerwaarde, een fijne ruimtelijke ruimte, die voor mij vrij
neutraal aandoet al is het een kerk. Ik bedoel: je voelt je vrij te denken en
uit te spreken wat je wilt.”
Wat heeft meedoen voor jou betekend?
“Ik was wel verbaasd zo’n grote golf grijze bolletjes te zien, moest er even
aan wennen, maar vond het ook leuk. Ik ken niet veel ouderen en heb een paar
leuke ontmoetingen gehad. Een aantal lezingen hebben me echt geraakt,
zoals van Hella de Jonge. Van haar boekje kreeg ik kippenvel. Verder de lezing
over de kinderen van Tsjernobyl en van mevrouw Leeser, de oud-kinderrechter.
Wat luchtiger was de presentatie van muziektherapeute Stans van Leyden.
Mijn dochtertje en ik dansen en zingen nu bijna dagelijks op haar liedjes. Ze
kraait als ik de cd aanzet. Ik ga dus zeker nog eens meedoen.”
Mozaïek november 2008
Hoofdinleider Winteracademie 2009
Prof. dr. Halleh Ghorashi en het perspectief van vluchtelingen
“Migranten kunnen worden gezien als vertalers, die constant bezig zijn diverse werelden met elkaar te verbinden. (..). Niet elke vertaler slaagt erin om deze verbinding op een mooie wijze mogelijk te maken en niet elke migrant slaagt erin het beste uit diverse culturen met elkaar te combineren. Maar het bestaan van deze situatie (..) is een gegeven dat op zichzelf al een potentiële basis is voor verrijking en vernieuwing.”
“Laten we de vluchtelingen en hun kunst als een metafoor zien voor het Nederland van de toekomst. Een Nederland dat als een reiziger durft te experimenteren met de grenzen van de ander om in beweging te kunnen blijven. Een Nederland dat de aanwezigheid van diverse culturen niet als bedreiging maar als uitdaging ziet voor de toekomst .”
Dit zijn twee citaten uit de rede die prof. dr. Halleh Ghorashi, hoogleraar Management van Diversiteit en Integratie aan de Vrije Universiteit, hield bij de opening van de tentoonstelling van vluchtelingenkunstenaars op 16 juni 2007 in de Mozes & Aäronkerk. Daarmee wilde ze toen niet alleen de kunstenaars een hart onder de riem steken, maar ook de Nederlandse publieke opinie prikkelen. Worden vluchtelingen en migranten de laatste jaren niet vooral in het perspectief gezien van problemen? Kijk toch eens naar het talent dat ze meebrengen en dat misschien nu nog achter die problemen schuil gaat. De opening van deze tentoonstelling was mede aanleiding om haar te vragen als hoofdinleider bij de komende Winteracademie. Geloof, hoop en liefde in voor- en tegenspoed. Het is een thema waar juist zij iets over kan zeggen. Als antropologe en hoogleraar, maar ook als vrouw en activiste die in 1988 uit Iran vluchtte. Al is ze nu volgens velen maatschappelijk geslaagd, ze weet hoe het is om in een nieuw onbekend land je weg te moeten vinden.
In Nederland begon voor haar een nieuw leven. Ze studeerde er antropologie en filosofie en schreef een proefschrift dat het dubbele perspectief - wetenschapper en vluchteling - ook in zich heeft. ‘Ways to survive. Battles to win - manieren om te overleven, veldslagen te winnen. Een vergelijking van Iraanse vluchteling vrouwen in Nederland en in de Verenigde Staten.’ De Amerikaanse groep van Iraanse vrouwen bleek zich zowel Iraans als Amerikaans te voelen, maar de Iraanse vrouwen in Nederland voelden zich eigenlijk alleen Iraans. Ondanks een goede opleiding en een goede baan konden ze geen emotionele aansluiting vinden bij Nederland. Dat was haar bevinding in 2001. In een interview met Renée Braams in de Volkskrant uit 2006 zegt Halleh Ghorashi dat volgens haar de situatie zelfs verslechterd is. Iraniërs voelen zich zelfs minder Nederlander. Nu er soms zo negatief over moslims wordt gepraat beginnen sommige Iraanse vluchtelingen, die als seculier en anti-religie voor een islamitisch bewind waren gevlucht, zich met de moslimgroep te identificeren. Zelf voelt zij zich wel Iraanse en Nederlandse. Beide identiteiten zijn voor haar zelfs sterker geworden. In Iran hield ze niet zo van Iraans eten en Iraanse feesten en vond Iraans handwerk afschuwelijk, terwijl ze hier Iraans ging koken voor grote gezelschappen en haar huis volhangt met traditionele Iraanse kleedjes. Aan de andere kant: de Nederlandse ‘doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg’ cultuur, “die past echt bij mij”.
Dat anderen haar minder gewoon vinden dan zijzelf is echter ook duidelijk. Op 22 mei jl. kreeg zij uit handen van minister Vogelaar ‘De Triomf 2008” een prijs voor migranten- en vluchtelingenvrouwen die hun kwaliteiten hebben weten om te zetten in ?invloed, zeggenschap en macht? in de samenleving. Dat klinkt inderdaad iets anders dan ‘geloof, hoop en liefde’. Maar in het interview met Renée Braams weet zij ook die verbinding met liefde te leggen: “Het mooiste in het leven is toch je eigen grenzen over te gaan voor de mensen van wie je houdt.”
Meer over haar: www.hallehghorashi.com
Gesprek met Awraham Soetendorp, hoofdinleider Winteracademie
Geloof, hoop en liefde als zuurstof voor de wereld.
Dit voorjaar ging rabbijn Awraham Soetendorp (65) met pensioen als rabbijn van de Liberale Joodse Gemeente in Den Haag. Maar de onvermoeibare strijder tegen discriminatie en voor vrede is natuurlijk niet met pensioen. Op 8 januari a.s. spreekt hij de Winteracademie toe over geloof, hoop en liefde. We hadden vooraf een kort gesprek.
Is er na uw pensionering in uw
leven wat veranderd ?
Awraham Soetendorp: “De dagelijkse verantwoordelijkheid voor mijn gemeente heb
ik natuurlijk niet meer. Maar eigenlijk houd ik mij nu nog intensiever bezig
met alle uitdagingen die de wereld in zijn weerbarstigheid biedt. Op dit
moment ben ik druk met de Dag van Respect, die op 13 november voor de derde
keer gehouden wordt. Ik ben gevraagd om op PABO’s in het hele land zo’n 1500
aspirant leraren toe te spreken. Vorige week heb ik in verband met de Dag van
de Armoede nog een stuk in Trouw geschreven. En ik werd gebeld door het Lowlands
festival en ben betrokken bij een dienst die ze daar organiseren.
U bent al verschillende keren
in de Mozes & Aäronkerk geweest, wat was voor u de eerste keer en aan
welke gebeurtenis bewaart u de beste herinneringen?
De eerste keer was de start van het Mozeshuis, dat moet in 1970 geweest zijn,
bij een kerkdienst in de Mozes & Aäronkerk die daarvoor gehouden werd.
Toen heb ik gesproken vanaf de preekstoel. Abusievelijk was toen vermeld dat
ik in de mis zou voorgaan. Dat was natuurlijk niet het geval. Uit voorzorg had
men toen wel het kruisbeeld van de preekstoel verwijderd. Vele keren ben ik
in de kerk geweest, bijv. bij acties voor Russische joden die naar Israël
wilden emigreren. Bijzondere herinneringen bewaar ik aan een bijeenkomst Keten
van Hoop in 1991 rond de eerste Golfoorlog, toen Ineke Bakker van de Raad van
Kerken in Nederland, imam Abdulwahid van Bommel en ik hand in hand stonden.
Ten teken dat we elkaar in Nederland ondanks de oorlog in het Midden Oosten
niet los zouden laten. We hebben toen ook wandelend een verbinding gelegd tussen
de Mozes & Aäronkerk en de Portugese synagoge.
In uw toespraken refereert u regelmatig
aan Mozes. Voelt u zich verwant met hem of meer met Aäron, de priester?
Die vraag is me zo nog nooit gesteld en natuurlijk kun je niet direct parallellen
trekken, maar toch voel ik me zeker verbonden met Mozes bijv. in zijn momenten
van diepe twijfel - als hij God niet ziet en zich afvraagt of hij wel op de
goede weg is. Bij Aäron denk ik niet direct aan de priester, ik behoor
ook niet tot het geslacht van de priesters, maar zoals hij in het jodendom als
de vredestichter wordt gezien. Op weg naar vrede, dat is zijn inspiratie voor
mij.
U heeft het initiatief genomen
tot de Dag van Respect. Deze dag is vooral gericht op jongeren, kinderen van
groep 7 en 8. Zouden kinderen respect niet vooral van hun ouders moeten leren?
Natuurlijk is het huis de bron, maar ook de school is belangrijk. In een gefragmenteerde
samenleving als de onze is de Dag van Respect een bindend element. Dit jaar
doen er wel 2000 scholen mee. Als je zoiets benoemt leidt dat tot extra gedachtewisseling.
Bovendien vragen we een buitenstaander in de klas, een politieman, een sportheld,
een minister die vertelt wat respect voor hem persoonlijk inhoudt. Dat persoonlijke
verhaal heeft ook een verrassingseffect.
Het thema van de Winteracademie
is Geloof Hoop en Liefde. Redden we het daarmee gezien alle armoede, oorlog
en milieuproblemen in de wereld of is er volgens u meer nodig?
Geloof, hoop en liefde moeten geen omhulsel zijn, maar ze moeten in lichaam
en geest doorwerken. Ik zie de wereld als één lichaam, alle delen
hebben elkaar nodig. Geloof, hoop en liefde zijn de zuurstof van dat lichaam.
Ze corrigeren elkaar en vullen elkaar aan. Geloof zonder liefde kan erg hard
zijn, liefde zonder hoop heel vrijblijvend. In het jodendom gaat het vooral
om waarheid, recht en liefde. Er is een scheppingsverhaal waarbij God eerst
de wereld uit waarheid zou scheppen. Maar dat zou de mens niet aankunnen. Dus
schiep hij eerst mededogen en liefde om recht en waarheid ruimte te kunnen geven.
Maar zonder recht en waarheid redden we het dus evenmin
Cursus Wereldreligies/Levensbeschouwing
Dit najaar verzorgt het Mozeshuis voor de tweede keer een cursus
Wereldreligies en levensbeschouwing. Ook deze cursus was weer snel volgeboekt.
Naast een algemene inleiding door een vertegenwoordiger van de betreffende levensbeschouwing
is er ook een bepaald thema. Soms zit er een bezoek aan vast. Het Mozeshuis
zal in 2009 deze cursus opnieuw organiseren. In Mozaïek volgen we de cursus
op een zekere afstand. In het mei nummer met Jotika Hermsen over Boeddhisme
(hieronder) , in het septembernummer met pandit A. Bierdja over hindoeïsme
en nu met dr Martien Schreurs over humanisme. Meer informatie vindt u
op de pagina Wereldreligies
Dr. Martien Schreurs werd geboren in 1966 in Vinkeveen. Van huis uit was hij christelijk, maar is humanist geworden nadat hij in zijn studie in aanraking kwam met de ideeën van het humanisme. Hij studeerde psychologie en filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en later humanistiek aan de Utrechtse Universiteit voor Humanistiek. Reden voor deze omschakeling was, zoals hij zelf zegt, dat hij liever docent of geestelijk raadsman wilde zijn dan therapeut. Uiteindelijk studeerde hij cum laude af in filosofie en humanistiek. Hij kreeg een AIO-plaats bij de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht en promoveerde in 2003 op een onderzoek over de doorwerking van het Humanistische ‘Bildungsideaal’ in de hedendaagse romanliteratuur. De laatste jaren werkte hij als leraar Geschiedenis en Maatschappijleer op een aantal middelbare scholen: in Amsterdam-West, in Bergen en Nijmegen. Sinds 2004 is hij verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Daar verzorgt hij tal van colleges o.a. over de geschiedenis van het humanisme.
“Humanisme is geen gesloten levensbeschouwing, maar steeds voorwerp van menselijke dialoog”
gesprek met dr. Martien
Schreurs,
inleider bij cursus Wereldreligies/ Levensbeschouwing
“Als je het historisch bekijkt stamt het humanisme reeds uit de tijd van de oude Grieken. Denk maar aan de Griekse stadstaat Athene (ca. 500–200 v. Chr.) waar de democratie en de vrijheid van de mens centraal stond. De Grieken hadden weinig verplichtende regels, waardoor er ruimte ontstond voor de mens om zelf na te denken. Zelfs de Griekse goden waren menselijk te noemen. Als de eerste humanistische filosofen worden de sofisten (beoefenaars van de ‘wijsheid’) beschouwd. De bekendste hiervan is Socrates, die de mens leerde zelf na te denken.
Ook in de Romeinse Tijd was er ruimte voor de zelf denkende mens. Hier werd voor het eerst het woord humanitas (afgeleid van homo= man/mens en humanus=menselijk) gebruikt. Dit woord humanitas wordt in twee betekenissen gebruikt: enerzijds gaat het om menselijkheid, mens zijn, de menselijke natuur en anderzijds om te ontplooien menselijke mogelijkheden.
Na de Romeinse tijd werd de invloed
van de kerken steeds groter, waardoor de mens niet meer gestimuleerd werd na
te denken over de menselijkheid. Pas in de Renaissance kon het humanisme weer
opbloeien door de hernieuwde belangstelling voor de oudheid. Door de studia
humanitatis, de studie en navolging van de antieke retorica, letterkunde en
moraalleer, kan men zich het beste vormen als mens. In veel landen in Europa
waren aanhangers van deze stroming actief, denk aan Erasmus, Rabelais, Shakespeare.
Zij benadrukten dat er wel één waarheid was, maar dat die complex
was. Er was één door God geschapen wereld en menselijke natuur,
één hoge cultuur, waarin het goddelijke in de mens zich manifesteert.
De dialoog met elkaar was een belangrijk goed. De Renaissance had oog voor de
verschillende visies en gedragswijzen van anderen, omdat men ervan uitging dat
iedereen in zekere zin gelijk was. Nadeel was echter dat het humanistische vormingsideaal
weggelegd was voor rijke mensen, die tijd hadden , vaak de aristocraten Via
de studia humanitatis (het bestuderen van de menselijkheid) probeerden de renaissance-humanisten
hun ideeën te vormen over hoe men als mens hoorde te
leven en hoe de menselijke samenleving het best kon worden geordend. Zij legden
veel nadruk op de waardigheid van de mens, geschapen naar beeld van God en op
het belang van het individu, het streven naar persoonlijke ontwikkeling en roem
en het belang van opvoeding en onderwijs. Zij hadden een afkeer van onverdraagzaamheid
en dogmatische theorievorming.
Humanisme in Nederland
Vóór 1750 was geen
sprake van humanisme in Nederland. De meeste renaissance humanisten waren gelovige
christenen. Door de opstelling van de christelijke kerken tussen 1860 en 1960
werden de humanisten geleidelijk aan ongodsdienstig. Het humanisme drukte in
de Germaanse talen relativering en soms bestrijding van godsdiensten uit. Marx
was een van de grote voorvechters voor deze atheïstische stroming
in het humanisme. Vanaf 1830 wordt het woord humanisme gebruikt in levensbeschouwelijke
zin. Ook in Nederland zien we rond 1856 de vrijdenkers opkomen door de
oprichting van De Dageraad. Zij hadden veel kritiek op het christendom met de
bovennatuurlijke openbaring en vele vormen van bijgeloof. Toch bleven de vrijdenkers
in het begin geloven in een redelijke godsdienst. Dit veranderde echter naar
ongodsdienstigheid. Wel was er veel aandacht voor de verbetering van het lot
van de mensheid. Denk aan de opkomst van het Humanistisch Verbond in 1946.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstaan allerlei Humanistische organisaties, zoals
Humanitas en het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking.
(HIVOS). Er kwam in 1973 een beginselverklaring van het Humanistisch Verbond
dat het humanisme zich kenmerkt door:
de bereidheid zich in denken en doen naar normen van redelijkheid en zedelijkheid
te verantwoorden;
de wil de medemens te helpen zich te ontplooien;
het streven naar een samenleving waarin vrijheid, gerechtigheid, verdraagzaamheid
en eerbied voor de menselijke waardigheid en medemenselijkheid centraal staan.
Humanisme als levensbeschouwing
In de tweede helft van de 20ste eeuw
erkende ook de Nederlandse overheid het humanisme als volwaardige levensbeschouwing.
Men bestempelde de mensen zonder godsgeloof niet meer als mensen zonder geweten.
Mensen hebben in principe het vermogen om onderscheid te maken tussen goed en
kwaad.
De humanistische levensbeschouwing is nooit een gesloten of voltooid beeld geweest,
maar is steeds voorwerp van menselijke dialoog. Rond 1960 ontstond onder invloed
van Van Praag, een stroomwijziging in het humanisme. De dialoog met religies
werd benadrukt om sterker te staan tegenover het veel grotere gevaar van het
nihilisme.”
Voor Martien Schreurs is een van de grootste vragen waarvoor hij zich gesteld ziet: de autonomie van de individuele mensen enerzijds en de mogelijkheid tot het vormen van een samenleving anderzijds. Hij ziet ook dat beide polen met elkaar in strijd kunnen raken. “In de huidige maatschappij is er geen gemeenschappelijke traditie meer. Ook door de interculturele samenleving is deze verdwenen. Daarbij komt dat mensen veel meer reizen en kennis nemen van andere culturen. Mensen en ook jongeren vinden hun eigen identiteit uit. Dat doen zij niet meer zoals voorheen alleen door het lezen en nadenken over allerlei geschriften, maar ook door andere communicatiemiddelen.” Vooral bij jongeren ziet Schreurs dat zij zich ontwikkelen via internet, door de te chatten en te kijken naar televisie. Daarom is het voor hem belangrijk in zijn lesgeven de jongeren te motiveren een breed georiënteerd en ruim denkend mens met een eigen oordeel te worden. Dat is meer dan alleen rationeel bezig zijn. Het gaat ook om emoties en kunnen omgaan met andere mensen. Dat vraagt erom uit je eigen wereld te kunnen stappen.. Hem valt niettemin op dat veel leerlingen tegenwoordig bezig zijn met zingevingsvragen, bijv. wat de waarde is van het leven. Zij noemen dan voorbeelden van mensen, die een poging tot zelfdoding hebben gedaan of bij wie die poging geslaagd is. Hoe ga je daarmee om? Hij vindt het van belang te benadrukken dat je dan jezelf de kans ontneemt om later terug te kunnen kijken. Dat is iets wat je pas op latere leeftijd kan doen. Maar ook zaken als uitgaan, drank- en drugsgebruik komen dan ter sprake. “Aan die gesprekken hebben zowel de leerlingen als ikzelf veel plezier beleefd. Het hoeft niet altijd zo zwaar te zijn.”. Toch is serieus nemen wat jongeren denken en willen voor Martien Schreurs dé manier om in dialoog met hen te blijven. Daarin zit de uitdaging voor hem als leraar, maar ook als ouder. Want een goed contact met kinderen, speelt toch ook in je eigen gezin.”
Amsterdam tussen
trots en ergernis
is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse)
samenleving. Reacties welkom!
Het zwakke geslacht ?!
Wie mij écht de gordijnen in wil jagen, moet hardop in mijn bijzijn vrouwen betitelen als ‘het zwakke geslacht’. Al mijn hele leven, althans vanaf het moment dat ik begreep wat een denigrerende betekenis er áchter deze woorden lag, kom ik daartegen in het geweer. Om te beginnen had ik een dijk van een moeder en een grootmoeder die het levende bewijs van het tegendeel waren, en ik mocht er gelukkig lang getuige van zijn dat deze vrouwen op een heel specifieke manier strijdbaar en zelfstandig, kortom geweldig waren. Uiteraard ben ik daardoor beïnvloed. Dat er vrouwen zijn, die zich wel als het zwakke geslacht opstellen, heb ik ook aan den lijve mogen meemaken. Hoe meelijwekkend, tragisch en hulpbehoevend sommige vrouwen zich kunnen voordoen… waarbij de stalen kern die eronder zit soms wel en soms niet aan de oppervlakte komt; afhankelijk van het nut ervan. Dat soort vrouwen zal altijd afhankelijk zijn, vooral van hun eigen onvermogen op hun eigen pootjes te staan. Ik vind dat diep triest.
In 1995 heb ik in Amsterdam Noord
de Turkse Vrouwengroep Sâlihât opgericht, waarvan ik tot 2001 voorzitter
ben geweest. In 1999 werd het project ‘Noordwaarts’ opgezet door Stadsdeel Noord,
waaruit in 2001 het Multiculturele Vrouwenplatform "de Vrouwenlijn" voortkwam.
Zowel in de groep Turkse vrouwen als in de multiculturele groep van de Vrouwenlijn
heb ik staaltjes van doorzettingsvermogen meegemaakt, waar menigeen (u mág
hier lezen: menige man) een puntje aan kan zuigen.
Voorbeelden? Van de leden van de Vrouwenlijn hebben inmiddels minstens 14 vrouwen
na een opleiding gevolgd te hebben een betaalde baan. Een Egyptische vrouw,
ook vanuit de Vrouwenlijn, heeft een Egyptische vrouwengroep opgericht en heeft
vorige week het eerste exemplaar van een eigen krant uitgebracht; één
helft in het Nederlands, één helft in het Arabisch. Twee andere
vrouwen, een Nederlandse en een Surinaamse, zijn in Nieuwendam begonnen met
een ruilproject; waardoor mensen met diverse vaardigheden elkaar kunnen helpen
zonder dat het geld kost. Een Libanese vrouw is nu de drijvende kracht achter
de Vrouwenbazaar, een groep vrouwen, van een kleine twintig verschillende nationaliteiten,
die hun land van herkomst vertegenwoordigen door producten zoals kleding en
koekjes uit dat land aan te bieden c.q. te promoten en / of te verkopen.
Zij zijn al enige malen met veel succes in de openbaarheid getreden, onder
andere bij de iftar die door DOVO Noord (Diversiteits Overleg Vrijwilligers
Organisaties Noord) op 20 september jl. in Sporthal de Weeren was georganiseerd,
en op het Tolhuisfestival op 4 en 5 oktober jl. In feite zijn het allemaal kleine
zelfstandigen – maar wél in groepsverband!
In Amsterdam Noord is het énige P-team (Participatie team, voortgekomen
uit de Commissie Máxima) van Amsterdam actief; het bestaat voor 80% uit
vrouwen van de Vrouwenlijn. Deze vrouwen vinden het zó belangrijk, dat
óók andere vrouwen zich kunnen ontwikkelen, dat zij naast
hun baan, naast hun vrijwilligerswerk en naast hun gezin, tijd vrijmaken om
andere vrouwen daarmee te helpen. Vóór de zomervakantie hadden
zij het project "Een bus vol vrouwen": 55 vrouwen die o zo graag willen werken
gingen gesteund door het Stadsdeel Noord met een dubbeldekker bij een aantal
grote bedrijven langs om rechtstreeks met werkgevers te spreken. Door de steun
van het Stadsdeel, en de niet aflatende ijver van Stichting de Vrouwenlijn is
in 2005 ook het Educatief Vrouwencentrum Amsterdam (EVA) geopend, waar vanaf
die tijd vrouwen begeleid en ondersteund worden in hun streven naar ontwikkeling
en werk.
En zo zou ik door kunnen gaan; kortom: ik zou de rest van Mozaïek kunnen
vullen met de vele vrouwen die absoluut niet tot ‘het zwakke geslacht’ behoren.
U ziet, de trots overheerst! Laten we de ergernis vergeten, Stimuleer alle vrouwen in uw omgeving om zich te ontwikkelen, dóór te leren, zelfstandigheid te verwerven op sociaal en economisch gebied, en vraag hun om op hun beurt andere vrouwen daarin te steunen. Het ‘steen in de vijver’ effect werkt. Ik heb het zelf gezien, en zie het nog steeds dagelijks om mij heen!
Hatice Sener
Vrouwenlijn www.devrouwenlijn.web-log.nl
KOLOM, column van Noortje van Oostveen
Vertrouwen
Het woord vertrouwen is dezer dagen
niet van de lucht. Omdat er is geen vertrouwen meer is in banken en beurzen
moeten we de regering vertrouwen dat zij het vertrouwen herstelt door miljarden
in het financië le systeem te stoppen. Zoiets. Vertrouwen we dat? Er is
geen keus. Als we de regering niet vertrouwen en ons spaargeld van de bank gaan
halen, wordt het allemaal nog erger. We kiezen er dus voor om de Balkenendes,
de Bossen en de Wellinks te vertrouwen. Wat moet je anders?
Van kinds af aan wordt ons geleerd hoe belangrijk het is om vertrouwen te hebben.
Om je moeder te vertrouwen (je kunt ook zeggen ‘geloven’) dat ze straks weer
thuiskomt. Om je vader te vertrouwen als hij – met gespreide armen in het zwembad
- roept: spring maar, ik vang je op. Om je vriendjes en vriendinnetjes
te vertrouwen dat ze je verdedigen door dik en dun. Sommigen van ons wordt geleerd
te geloven in God. Maar ook wordt ons voorgehouden dat we moeten vertrouwen
op eigen kracht, op intuïtie, op gezond verstand. Naarmate ons vertrouwen
in anderen wordt beschaamd, ervaren we dat gezond wantrouwen geboden is, willen
we ‘eerst zien en dan geloven’ en willen we bewijzen en harde cijfers. Met goedgelovige
sukkels hebben we geen medelijden, maar met wantrouwige types hebben we ook
niet veel op.
Zo laveren we behendig tussen vertrouwen en berekening. We vertrouwen ons spaargeld toe aan de bank en zeggen: “Kijk maar naar de cijfers”. Wie in de bouw, in het circus, in de kinderopvang of bij de politie zit, werkt volgens regels en protocollen, maar functioneert vooral door te vertrouwen op collega’s. Ons vertrouwen wordt weleens beschaamd maar dat rekenen we dan onszelf toe. “Ik verwijt mezelf dat ik te goed van vertrouwen ben geweest”, zeggen we dan.
En zo is het maar net. De kredietcrisis is niet het gevolg van gebrek aan vertrouwen, maar van teveel aan vertrouwen. En nu moeten we nóg meer vertrouwen. De onbetrouwbare roekelozen hebben ons in de houdgreep: alleen vertrouwen in een systeem dat dat vertrouwen niet waard is, lijkt het tij te kunnen keren. En maar hopen en bidden dat moeder weer thuiskomt en vader ons opvangt.
Noortje van Oostveen verzorgt dit jaar KOLOM. Zij is voorzitter van de Vrienden van de Mozes en sinds jaar en dag buurtbewoner. Haar beroep is media-adviseur, - trainer en - manager.
Thuis in het Mozeshuis
Kunstenaars & CO
Ooit waren politiek betrokken beeldend kunstenaars kind aan huis in de Mozes & Aäronkerk. Kunstenaars in Verzet, Kukelu, Februaricollectief, in de jaren zestig en zeventig brachten kunstenaars hun solidariteit met politieke strijd voor vrede en gerechtigheid wereldwijd op straat en in Amsterdam ging dat vaak via de Mozes & Aäronkerk. Manifestaties werden met kleurige spandoeken en ander beeldend actiemateriaal versierd. In 1986 was er een soort afsluitende tentoonstelling van die periode onder de titel Kunstwerk in de Actiekerk, waarbij de leden van verschillende collectieven ook met hun individueel werk naar buiten traden. De tijden zijn grotendeels veranderd. Politiek geïnspireerde kunstenaarscollectieven zijn er (bijna) niet meer. De kunstenaar wordt nu ook als ondernemer aangesproken. De band van het Mozeshuis met kunstenaars is altijd gebleven en sinds vier jaar geeft de stichting Kunstenaars & CO trainingen in het Mozeshuis voor veelal jonge kunstenaars die behalve goed kunstenaar ook goed ondernemer willen worden. Een korte kennismaking.
Beginnende kunstenaars waren tot nu toe op de kunstacademies weinig zakelijk geschoold. Zij kregen na het afstuderen ineens te maken met zelfstandig ondernemerschap naast het maken van kunst. Dat is moeilijk te combineren in de beginfase. Een beeldend kunstenaar vraagt zich af: Hoeveel kan ik vragen voor mijn kunstwerk? Hoe houd ik mijn administratie bij? Wanneer ga ik naar de Kamer van Koophandel? En een podiumkunstenaar: ga ik freelancen of sluit ik me aan bij een gezelschap? In de cursussen van Kunstenaars & CO komt dat aan de orde. Daarnaast geeft de Stichting begeleiding en coaching.
De Stichting Kunstenaars & CO bestaat sinds 2003 en is voortgekomen uit drie partijen: de Stichting Podiumkunstwerk, de Stichting Scheppende Kunstenaars en de Stichting Voorzieningsfonds voor Kunstenaars. Zij heeft tot doel kunstenaars te ondersteunen om economisch zelfstandig te worden. In de eerste plaats door het aanbieden van cursussen en workshops en door het geven van persoonlijke begeleiding. Kunstenaars & CO biedt ook mogelijkheden om werkervaring op te doen, men organiseert evenementen en lezingen, maakt websites en verzorgt de Kunstenaarslijn. Schilders, acteurs, scenarioschrijvers, fotografen, vormgevers en filmers, alle soorten kunstenaars kunnen bij Kunstenaars & CO terecht, zowel beginnende als ervaren kunstenaars. Bovendien heeft de organisatie de wettelijke taak om beroepsmatigheidsonderzoeken te doen. Deze taak heeft zij gekregen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Kunstenaars die gebruik willen maken van de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (Wet WIK) moeten iedere 12 maanden aantonen beroepsmatig als kunstenaar te werken.
Op dit moment zijn er 40 verschillende cursussen die bezocht worden door 1200 cursisten. De meeste cursisten komen vanuit de Wet WIK en zij kunnen de cursussen en workshops gratis volgen. Voor de cursussen worden externe docenten aangetrokken. De workshops in het kunstvakonderwijs worden door eigen medewerkers verzorgd. Belangrijk zijn de werkervaringsprojecten. Kunstenaars & CO maakt eerst in samenwerking met een klant, die kunstenaars zoekt een projectbeschrijving en stuurt hierna wervingskaarten naar haar leden. Deze maken een cv en schrijven een motivatie om voor het project in aanmerking te komen. Het kan gaan om een expositie, het aankleden van een evenement of bijvoorbeeld om visuele presentaties van buurten die zich willen presenteren aan de bevolking.
Kunstenaars & CO viert dit jaar zijn eerste lustrum. Er is de laatste drie jaar veel campagne gevoerd om meer bekendheid te krijgen. Dat is zeker gelukt. Inmiddels is de organisatie groot geworden en bijna uit het pand aan de Nieuwe Herengracht gegroeid. Elk jaar heeft men intern een brainstorm over het werkprogramma van het daarop volgende jaar. Nu staat bijvoorbeeld ondernemerschap en het leggen van internationale verbindingen centraal. Volgend jaar kunnen weer andere accenten gelegd worden. Kunstenaars & Co blijft een jonge organisatie, waarin veel beweging zit en zich steeds nieuweontwikkelingen voordoen. (tekst aangepast juni 2009 op verzoek van geïnterviewde)
Meer informatie op www.kunstenaarsenco.nl
Mozaïek september 2008
Cursus Wereldreligies/Levensbeschouwing
Dit najaar verzorgt het Mozeshuis voor de tweede keer een cursus
Wereldreligies en levensbeschouwing. Ook deze cursus was weer snel volgeboekt.
Naast een algemene inleiding door een vertegenwoordiger van de betreffende levensbeschouwing
is er ook een bepaald thema. Soms zit er een bezoek aan vast. Het Mozeshuis
zal in 2009 deze cursus opnieuw organiseren. In Mozaïek volgen we de cursus
op een zekere afstand. In het mei nummer met Jotika Hermsen over Boeddhisme
(hieronder) , nu met pandit A. Bierdja over hindoeïsme. Meer informatie
vindt u op de pagina Wereldreligies
Pandit Anand Bierdja:
Hindoeïsme is een manier van leven
In de cursus Wereldreligies/Levensbeschouwing spreekt pandit Anand Bierdja (46) over hindoeïsme. Omdat iedere levensbeschouwing een ander thema behandelt gaat hij vooral in op de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens. Pandit, wat je kunt vertalen als hindoe-priester of hindoegeleerde, Bierdja komt oorspronkelijk uit Suriname. Hij werkt sinds 2003 voor het Ministerie van Defensie als één van de twee hindoe-geestelijk verzorgers in Nederland en is verbonden aan de Arya Samaj Nederland (ASAN) Mandir in Den Haag. Vorig jaar was hij hoofdspreker op de Prinsjesdaglezing met als thema ‘Veiligheid door ontmoeting.’ Dit is de korte interlevensbeschouwelijke viering, waarmee Haagse en landelijke religieuze en levensbeschouwelijke organisaties de opening van de Staten-Generaal inluiden. Traditiegetrouw bijgewoond door tal van leden van het kabinet en Eerste en Tweede Kamer. Tijdens de komende Kerstavondviering zal hij in de Mozes & Aäronkerk ook een bijdrage leveren.
Voor we aan een nadere kennismaking met hem en het hindoeïsme toekomen, tref ik hem in Den Haag als trotse vader met zijn dochtertje van zes weken op de arm. Hij vertelt dat hij altijd al gek was op kinderen, maar “pas bij je eigen kind weet je hoe het voelt om vader te zijn”.
Bierdja komt uit een vrome hindoefamilie uit het district Nickerie in Suriname. Opgevoed in de traditie maakte hij in Suriname al kennis met Indiase geleerden, zoals tijdens bijeenkomsten in de tempel waar hij geestelijke liederen zong. Op zijn veertiende zond zijn vader hem naar India om te studeren in de Vedische literatuur. Zijn moeder had het hier heel moeilijk mee. Daar woonde hij in een klooster. De eerste jaren waren erg moeilijk. Hij was alleen, kende niemand en sprak de taal niet. In die periode werd hem duidelijk dat wilskracht alles overwint. Dat is zijn levensmotto geworden. Veertien jaar verbleef hij in het klooster. Zijn leven daar was louter discipline: van vier uur ‘s ochtends tot negen uur ‘s avonds was het enkel studeren, werken, bidden en eten en daarna naar bed. Die discipline komt hem nog steeds goed van pas. Ook heeft hij daar geleerd dat regels, regels zijn. Dat je je moet aanpassen aan de regels van het land waar je woont.
Uitvaartverzorger
Hij is in India afgestudeerd en gepromoveerd in de Rigveda, de Vedische heilige geschriften. In 1990 kwam hij naar Nederland. Aanvankelijk voor familiebezoek, maar men vroeg hem te blijven vanwege zijn kennis van het hindoeïsme en het sanskriet. Hij werkte o.a. bij de Postbank, later als hulpverlener bij Humanitas en als hindoe-uitvaartverzorger bij Monuta. Tot de Hindoeraad hem vroeg of hij bij Defensie wilde werken als geestelijk verzorger voor militairen. Dat is werk dat hij heel graag doet vooral vanwege alle contacten die je hebt. Naast dit werk is hij vrijwilliger bij Arya Samaj Nederland en de Federatie Arya Samaj Nederland. Bij Surinaamse hindoestanen is de pandit ook maatschappelijk werker. Hij heeft veel contacten met echtparen en gezinnen. Hij bemiddelt, probeert te interpreteren wat er gebeurt om via gesprekken huwelijken te redden en gezinnen bij elkaar te houden. In een aantal gevallen lukt dat ook. “Maar mensen moeten ook leren dat bijv. hun kinderen op hun eigen manier de dingen doen. Je kan ze niet meer opleggen wat jij wil, het is beter vriendschap met hen te sluiten. Dat is een grote omslag voor de Surinaamse cultuur. Daarom levert de multi-culturele samenleving ook zoveel problemen bij hen op.”
Geen religie
Volgens pandit Bierdja is hindoeïsme geen religie, maar een manier van leven. Hindoeïsme komt uit India. Het woord verwijst naar Hindoestan ‘het land van de hindoes’ zoals India wel genoemd werd. Het hindoeïsme kent geen stichter en ook leven heeft geen duidelijk aanwijsbaar begin en einde. Het was er altijd en zal er ook altijd zijn, omdat God, het goddelijke eeuwig is. Daarom wordt het goddelijke Sanatan Dharma genoemd. Dat wil zeggen, de eeuwige, niet aan tijd, plaats en omstandigheden gebonden Dharma (‘goddelijke wet’). Bestemd voor alle mensen op deze aarde als een rechtvaardige, morele en heilzame manier van leven. Het hindoeïsme kent geen vastgeroeste voor altijd geldende, vastomlijnde en onveranderlijke regels. Er is wel een kern; een oerwaarheid dat het goddelijke bestaat en er zijn regels omtrent de waarheid geldend onder alle omstandigheden.
De Vedanta ofwel de heilige geschriften
vormen de basis waarop de vele ideeën, culturen, idealen en geloofsstromingen
die samen bekend staan als hindoeïsme, rusten. Ondanks de verschijningsvorm
van vele goden en goddelijke verschijnselen, die je in hindoetempels ziet gaat
het om:
1. Het geloof in één Oerbron, God, als schepper van alles en iedereen
2. God is almachtig en in alles en iedereen aanwezig.
3. God is zonder vorm en onzichtbaar
4. Het geloof in de Karma theorie: geloof in een kringloop van wedergeboorten
die worden bepaald door het persoonlijke karma (ziel) van de betreffende persoon.
Deze moet uiteindelijk leiden tot de Moksha (verlossing).
5. Een kastenstelsel ofwel een rangschikking van mensen in vier sociale klassen
Levensdoelen
In het hindoeïme zijn er twee hoofdstromingen herkenbaar. Sanatan Dharm een stroming die veel werkt met beelden. Men hecht hierin bijv. ook aan het kastenstelsel. En Arya Samaj, daar werkt men niet met beelden, omdat het uitgangspunt is dat God in alles aanwezig is, in mensen, dieren, planten, maar ook in het water en in de lucht. Men hanteert geen kastenstelsel. Wat een mens doet, maakt hem ‘hoger’ of ‘lager’.
Voor westerlingen is hindoeïsme moeilijk te begrijpen en sanskriet, waarin de heilige geschriften geschreven zijn, is een moeilijke taal, die door westerse geleerden niet altijd goed begrepen wordt. De mantra’s ofwel heilige verzen moet je vertalen in de context waaruit ze zijn ontstaan. Zij vertellen hoe je moet leven, hoe je met je medemens om moet gaan, maar gaan ook over wetenschap, over kruiden, over geneeswijzen.
De mens heeft vier levensdoelen:
Dharma: de morele plicht tegenover je kind, je partner, je familie, de organisatie.
Artha: op een eerlijke en positieve manier rijkdom vergaren
Kama: je wensen in vervulling brengen, zorgen voor kwalitatief goede nakomelingen,
opdat de ziel van een kind groeit tot een goede wereldburger.
Moksha: je bevrijden van wereldse zaken. Het hoofddoel en laatste doel van de
hindoe.
Respect voor iedere ziel
Heel belangrijk is het om te accepteren dat iedereen en alles als het ware je familie is, dat je iedere ziel moet respecteren. De pandit ziet een probleem bij Nederlanders in het respecteren van iedere ziel. Hij haalt het voorbeeld aan van de ziel van de koe. Een koe geeft melk en mest en zorgt daarmee voor kaas, yoghurt en vruchtbaarheid. Een koe is een soort moeder. Daarom wil de Indiër haar geen pijn doen. Maar hoe zit het met Nederlanders ?
Hindoes eten geen vlees. Natuurlijk uit respect voor het dier. Maar volgens pandit Bierdja is ons darmstelsel ook te groot. Vlees blijft te lang in het lichaam, verteert niet snel en gaat rotten. Daarom kun je beter vegetariër zijn. Vlees eten is geen zonde, maar als je goed weet wat vlees met je lichaam doet, ontdek je volgens hem vanzelf dat vegetariër zijn zuiverder is.
Tenslotte stellen we hem nog twee
vragen:
Hoe kijkt u aan tegen vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens,
het thema dat u tijdens de cursus behandelt?
“Ieder mag in vrijheid leven, maar je mag niemand pijn doen. Noch door woorden, noch door handelingen. Dat is je verantwoordelijkheid. Je mag je eigen mening hebben, maar uit hem zo dat je de ander geen pijn doet. Zeg de waarheid maar doe het lieflijk, zodat je niemand kwetst.”
Hoe staat het hindoeïsme tegenover geweld ?
“ Geweldloosheid staat voorop. Geweldloosheid moet in je daden terugkomen ,maar je mag jezelf verdedigen individueel en collectief. Als je onrecht wordt gedaan mag je je daar tegen verweren Van belang is wel dat je geen andere oplossing meer ziet, nadat je onrecht is aangedaan.”
“With love from Amsterdam”
Istanboel, Istanboel. Met ‘Het zwarte boek’ een roman van Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in mijn tas kom ik na zeven jaar weer in Istanboel aan. Stad waar ik in 2001 voor het allerlaatst mijn vader ontmoette. Istanboel is bij Iraanse vluchtelingen voor een familiereünie een gewilde plaats. Een paar dagen bij elkaar zijn en onvergetelijke herinneringen herbeleven.
De bedoeling van deze reis was om kennis te maken met een aantal instellingen en NGO’s. Ik hoopte voldoende vrije tijd en gelegenheid te hebben om ook interessante wijken en buurten uit “Het zwarte boek” te bezoeken. Het echte pure Istanboel. Om naar de cafés en theehuizen te gaan waar ik zeven jaar geleden samen met mijn vader heen ging. Om mijn hart te luchten en emoties los te kunnen laten.
Istanboel was niet dezelfde stad als zeven jaar geleden en helemaal niet de stad van 20 jaar geleden toen ik er voor het eerst was. De sociale infrastructuur is helemaal veranderd. Heel veel migranten van het platteland, uit andere Turkse steden, uit landen van de voormalige Sovjet Unie en vooral vluchtelingen uit Afrika en het Midden Oosten. Zij hebben het sociale beeld van de stad veranderd. Het is een echte metropool die het ook hoort te zijn.
Tijdens deze reis georganiseerd door
het Platform Buitenlanders Rijnmond heb ik samen met mijn Rotterdamse stadgenoten
een bezoek gebracht aan Köytepe, de vluchtelingen- en illegalenwijk
in Istanboel. Daar hebben we met vluchtelingen en illegalen uit Afrika en het
Midden Oosten gesproken. Hun situatie was zorgwekkend. Ze leden onder
onveiligheid, onzekerheid, ze voelden zich gediscrimineerd, eenzaam en machteloos.
Sommigen belandden in de gevangenis. Na de kennismaking hebben we hun beloofd
met concrete plannen terug te zullen komen. Ze mogen op onze steun rekenen.
Drie weken later ging ik weer naar Istanboel om samen met Ali Abdisalam van
de Somalische zelfhulporganisatie Kaalo Nederland een Europese training te volgen.
We gingen samen de wijk Köytepe in. De mensen die ik de vorige reis
gezien had, waren er niet meer. Waar zijn ze? vroeg ik me af. Zijn ze weg? Ergens
in een ander Europees land om daar hun ‘geluk’ te zoeken ? Zitten ze in
de gevangenis? Gedeporteerd? Verhuisd? Niemand wist het. Dus hebben we contacten
met nieuwe mensen gelegd, ook met veel Somaliërs.
We hebben met hen over het Wereldpand aan het Mercatorplein in Amsterdam (www.wereldpand.nl) gesproken, waar eigen organisaties van vluchtelingen samen gebruik van maken en waar ze ook samenwerken. Krachten bundelen heeft immers veel voordelen. Natuurlijk waren we niet zo naïef om Istanboel aan Amsterdam gelijk te stellen. Er zijn overigens wel overeenkomsten. Bijvoorbeeld je mag ook daar zijn wie jij bent. Je wordt getolereerd. Maar er is een wezenlijk verschil: vluchtelingen worden in Istanboel niet als burgers van de stad gezien. In Amsterdam wel.
Een Wereldpand opzetten in Istanboel
is een mooi, origineel en verleidelijk idee. Maar het is en blijft een droom.
Wel kan het Wereldpand in Amsterdam de vluchtelingen in Istanboel morele
steun bieden.
Abdisalam heeft wat plannen bedacht met en voor de Somalische vluchtelingen
in Istanboel. Hij wil wat doen. Hij is nu veilig in Amsterdam, maar hij kan
zich deze veiligheid niet permitteren als zijn landgenoten elders in ellende
en onzekerheid zitten. Dat is zijn kracht, zoals het de kracht is van
vele goedwillende mensen die actief zijn in zelfhulporganisaties van vluchtelingen.
Amsterdam, Amsterdam. Mensen mogen zichzelf zijn in deze stad. Tegelijkertijd hebben ze hart voor anderen die hun steun nodig hebben. Het Wereldpand is een van de organisaties die dat mogelijk maakt. Daar ben ik trots op.
Mahmoud Chavoushi
directeur Wereldpand
Amsterdam tussen trots en ergernis is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse) samenleving. Reacties welkom!
Rubriek KOLOM: de column in Mozaïek
Noortje van Oostveen
Kleren maken de man én de vrouw
Met de herfst in zicht wordt het
weer prettig op straat: de toeristen gaan naar huis dus het fietspad is weer
van ons, het wordt gezellig vroeg donker en we kleden ons aan als bescherming
tegen kou en nattigheid. Weg met de mannen in sportbroek en de tentoonstelling
van borst- en okselhaar, weg met de vrouwen in ondergoed. Op de camping bij
Venetie waar ik deze zomer stond, kregen we de huisregels uitgereikt, eindigend
met: “Doe uzelf en ons een plezier en zorg ervoor dat u bij het verlaten van
de camping decent gekleed bent.” En in Verona is het verboden in ‘badkleding’,
zeg maar half-naakt, door de stad te lopen. Preutse fatsoensrakkerij? Beknotting
van individuele vrijheid? Of een sympathieke handreiking aan mensen die
het verschil tussen het strand en de bebouwde kom niet kennen en die de taal
van de kleding nauwelijks beheersen?
Vooral toeristen lijken met hun kleding niet meer te kunnen zeggen dan: wij
zijn vrij en wij hebben overal lak aan. Zoals in de opera in Verona waar ik
tot mijn grote geluk Tosca mocht zien. Op een enkele uitzondering na waren de
toeristen gekleed in miniem vrijetijdstenue. Maar de Italianen zelf waren een
lust voor het oog: vrouwen in zwierige jurken en mannen mooi in het pak. Te
heet? Ach kom. Zo’n avond is een feest en de helft van de pret is zien en gezien
worden
Kleding is in de geschiedenis vaak gebruikt om macht uit te oefenen. In onze
democratische samenleving mag je gelukkig dragen wat je wilt. Rang en stand
bepalen niet hoe je je aankleedt. Vrijheid, blijheid. Maar democratisering en
globalisering hebben ook geleid tot achteloosheid en uniformiteit. Op elke wereldtop
dragen de leiders eenzelfde donkere pak en in bijna elke kleerkast hangen twee
of meer spijkerbroeken. Kleding als taalarmoede. Zijn we vergeten dat kleding
ook versiering is en een vorm van beschaving? Doe anderen en uzelf een plezier
en laat uw kleren weer zingen. Wat zal het dan mooi worden op straat, vooral
volgende zomer.
Noortje van Oostveen verzorgt dit jaar KOLOM. Zij is voorzitter van de Vrienden van de Mozes en sinds jaar en dag buurtbewoner. Haar beroep is media-adviseur, - trainer en - manager.
Mixen in Mokum is Marion Beckrop op het lijf geschreven
“Nieuwe en oude Amsterdammers samen op stap, dat is een geweldig idee”
“Toen ik de advertentie voor een projectleider Mixen in Mokum voorbij zag komen, was ik direct enthousiast. Het basisidee dat ‘nieuwe Amsterdammers’ de stad leren kennen door met ‘oude Amsterdammers’op stap te gaan en zo ook beter Nederlands gaan spreken, is zo sterk, dat moet veel mensen aanspreken. Er is veel te doen over taal, inburgeringscursussen en integratie. Nu, dit is inburgering in de praktijk en werkt bovendien aan twee kanten. Ook wie hier zijn hele leven al woont, kan hier veel plezier aan beleven en wat van leren.”
Sinds 1 juli jl is Marion Beckrop (54) bij het Mozeshuis voor vier dagen per week in dienst als projectleider Mixen in Mokum met de opdracht om dit idee in de stad te promoten en in stadsdelen projecten op te zetten en te begeleiden. Er is momenteel financiering voor een jaar tot juli 2009.
Marion Beckrop: “Dat is best kort,
zeker als je midden in de zomer moet beginnen en veel mensen met vakantie zijn.
Maar aan de andere kant heb ik me deze eerste maanden goed kunnen inwerken.
Inmiddels heb ik een projectplan gemaakt en al aardig veel contacten gelegd.
Met het proefproject Mixen in Oud-Zuid dat Fenna Bolderheij van Stichting Bij
de Tijd in 2007 heeft uitgevoerd is natuurlijk veel voorwerk gedaan. Maar
er moet nog heel veel gebeuren om nieuwe projecten op te zetten. Stadsdelen
moeten willen meewerken, maar vooral: er zijn veel enthousiaste mensen
nodig om mee te doen, als deelnemer maar ook als ‘ambassadeurs’ om de Mixen
groepjes te ondersteunen en te helpen bij de organisatie. Misschien dat
er onder de Mozaïeklezers mensen zijn die dat leuk vinden ?
Op mijn eerste werkdag 1 juli sprong ik meteen in het diepe. ‘s Morgens kennis
gemaakt met mijn nieuwe Mozeshuis collega’s en toen met directeur Cor Bon in
de trein naar Rotterdam voor een vergadering met coördinatoren van vergelijkbare
projecten in andere steden. In Rotterdam heet het Mixen aan de Maas en daar
is zelfs een bureau met vier betaalde mensen.”
Inspiratie door andere culturen
Gevraagd naar haar eigen achtergrond vertelt Marion, dat ze geboren en getogen Amsterdamse is, nog steeds gek is op de stad maar ook veel van reizen houdt. “Door te reizen raak je geïnspireerd door andere culturen, andere gewoontes, andere religies, ander eten. Daar heb je hier ook wat aan.” In haar werk binnen de zorg voor ouderen in Amsterdam bij voorbeeld. “Als manager van zorgcentrum Tabitha (nu Amsta) aan de Amsteldijk was het mijn taak om de oudere bewoners van de Pijp kennis te laten maken met de voorzieningen. Er wonen veel nieuwe Amsterdammers in de Pijp, dus dat was een doelgroep die ik opzocht. Samen met welzijnsorganisatie Combiwel heb ik kennis gemaakt met de Turkse, Marokkaanse, Chinese en Surinaamse gemeenschap. Ik heb ook de leergang Marokko van de SIGRA mogen volgen waar een interessante studiereis naar Marokko aan vast zat. Die kennis en ervaring denk ik goed te kunnen gebruiken voor Mixen. Ik vind het een geweldige uitdaging op deze manier een schakeltje te zijn bij de inburgering in onze mooie stad. Maar in je eentje begin je weinig. We hebben dus veel mensen nodig, maar als het idee van Mixen gaat leven, dan gaat er vast iets moois gebeuren! Dus wie wil meedoen: neem contact met me op!” ?
Informatie over Mixen in Mokum staat onder de gelijknamige knop op deze site
Contact met Marion Beckrop kan via 020-6221305 of mixen@mozeshuis.nl
Op 6 oktober organiseert
Marion Beckrop een Informatiebijeenkomst over Mixen in Mokum in het stadsdeelkantoor
van Oost-Watergraafsmeer. In eerste instantie is die bedoeld voor inwoners van
dat stadsdeel, maar geïnteresseerden uit andere stadsdelen zijn van harte
welkom. Een uitnodiging met alle informatie staat op www.mozeshuis.nl of is
te verkrijgen via 020-6221305
De Jonge Slinger wil maatschappelijke betrokkenheid jongeren zichtbaar maken en verder vergroten
Liever sidekick dan vrijwilliger
Willen jongeren van nu nog wel vrijwilligerswerk doen? Wie die vraag aan Annemarie Tasseron (30), Thao Nguyen (19) en Rutger van Weeren (22) van De Jonge Slinger stelt, kan een duidelijk antwoord krijgen: “Natuurlijk wel. Alleen zullen weinig jongeren zich snel vrijwilliger noemen. Die term klinkt hun gauw braaf en stoffig in de oren: ‘verplicht goed doen en dan ook nog voor niks’. Bij de Slinger hebben we het over sidekicks, want je bent medewerker, het werk is sociaal en leuk en geeft af en toe nog een kick ook.” De Jonge Slinger is in vier grote steden de jongerentak van De Slinger - een verband van maatschappelijke en commerciële organisaties, die de maatschappelijke betrokkenheid in Nederland willen vergroten en alles wat er op dat gebied gebeurt nog meer zichtbaar willen maken. Ook het Mozeshuis heeft zich als sociaal partner bij de Slinger in Amsterdam aangesloten.
De basisdoelstelling van de Jonge Slinger is jongeren van 16-25 jaar te inspireren, te activeren, te stimuleren en hen te helpen om zich in te zetten voor een ander of voor hun directe leefomgeving. De ideeën en de belevingswereld van jongeren zélf vormen het uitgangspunt. De nadruk ligt hierbij op jongeren die een opleiding volgen aan een Regionaal Opleidingen Centrum (ROC). Studenten van HBO en Universiteit worden daarbij als begeleiders en coördinatoren van Jonge Slingerprojecten aangetrokken. Er zijn drie verschillende soorten projecten: *Slinger promotieacties, waarbij het idee van je inzetten voor de samenleving wordt gepromoot op bijvoorbeeld Bevrijdings- of muziekfestivals.* Inhoudelijke (burgerschaps) projecten. Jongeren die zich direct voor hun omgeving inzetten en *Publiciteit maken voor bestaande projecten bijv. van ROC’s. Rutger van Weeren is student media en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en (‘sidekick’) medewerker communicatie van De Jonge Slinger. Vanwege zijn specialisatie Televisiewetenschap liep hij stage bij SlingerTV, de mediapoot van De Slinger die uitzendt op een digitaal kanaal van de kabel en op internet. “Met SlingerTV proberen we programma’s te maken die vernieuwend zijn en jongeren aanspreken.” Hij denkt met plezier terug aan items in de serie What the fudge...! die de kijker confronteerden met vooroordelen: een traditioneel geklede moslim die lijkt te gaan bidden, maar zich opeens als een echte Fries met polstok over een brede sloot slingert. Of een reportage tijdens een studentenfestival over beperkingen met een ‘blinde’ en een ‘dove’ presentator. Stagiaire Thao Nguyen die een opleiding Toerisme en Recreatie doet bewaart goede herinneringen aan de workshop die ze aan jongeren van een ROC gaf, die geen idee hadden welke opleiding ze wilden volgen. Door hen een tekening van de inhoud van hun hoofd te laten maken met al hun wen sen, sterke kanten en leuke ervaringen en hen daarover aan anderen te laten vertellen, wist ze veel los te maken. Annemarie Tasseron is als teamcoördinator de enige betaalde medewerker van De Jonge Slinger Amsterdam. Afgestudeerd als medisch biologe is haar huidige baan niet meer dan een ‘logische’ voortzetting van haar ‘andere carrière’, die in de Scouting van Bloemendaal, van klein ‘kabouter’ meisje tot leidinggevende en bestuurslid nu. Enthousiasme voor vrijwilligerswerk is haar tweede natuur. Ook het Mozeshuis liet zich onlangs door dat enthousiasme aansteken. Vorig jaar was de ontmoeting met diner die De Jonge Slinger voor jongeren en ouderen op Make A Difference Day organiseerde zo’n succes, dat het Mozeshuis voor het diner op 31 oktober a.s. in Zuid-Oost . twintig ouderen van de Zomerschool mag uitnodigen.* Om te merken wat bij jongeren van nu leeft en wat zij aan de samenleving willen bijdragen als vrijwilliger of desgewenst als sidekick. ?
* Info over meedoen aan het MADD diner bij Hans Koster (020-6221305) en voor De Jonge Slinger www.jongeslinger.nu
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Abdulwahid van Bommel
Toen we hem laatst om zijn medewerking voor een bijdrage vanuit de islam voor de cursus Wereldreligies vroegen, antwoordde hij dat hij het zo druk had dat hij eigenlijk ‘nee’ zou moeten zeggen. Maar hij deed het toch maar, net zoals hij ook weer zijn medewerking aan de komende kerstavondviering geeft. Abdulwahid van Bommel (64) is al tientallen jaren een graag geziene en zeer gewaardeerde gast in het Mozeshuis. Naast zijn bijdragen aan allerlei vieringen, maakte hij voor de Winteracademie een tentoonstelling ‘Kunst en Koran’ en hij was samen met zijn vrouw Farida Pattisahusiwa inleider bij de cursus Beminde gelovigen, over cultureel en/of religieus gemengd gehuwden. In 1992 na de aanslag op de Mevlanamoskee in Amersfoort nodigde Mozeshuis directeur Jan Ruijter hem uit voor een groep die later het Appèl tegen vreemdelingenhaat zou organiseren. Hierin zaten mensen als rabbijn Soetendorp, oud-verzetsstrijder Henk van Moock, Joke Kniesmeijer en later burgemeester Van Thijn en Jos Brink. “ Zowel incidentele als structurele vreemdelingenhaat werd door die groep opgepakt en er werden 233.796 handtekeningen verzameld.” Toen vroeg Jan Ruijter hem meteen voor de kerstavondviering van dat jaar.
Abdulwahid van Bommel is een geboren
Amsterdammer uit de Pijp. Met zijn vriendjes kwam hij vaak op het Waterlooplein
waar, volgens hem, het hart van de stad te vinden is. De oude jodenbuurt en
de rommelige markt hadden veel aantrekkingskracht. En dan die Mozes en Aäronkerk
die naar zijn gevoel over het plein waakte.
Rond zijn zeventiende begon hij zich af te vragen wat geloof voor hem betekende.
Hij had in Nederland via Molukkers kennis gemaakt met de islam en dat sprak
hem zeer aan. Dit resulteerde in een vertrek naar Istanboel, waar hij vanaf
zijn 23 e een theologische opleiding volgde en Turks studeerde. Rond 1971 kwam
hij weer naar Nederland en werd hij betrokken bij het creëren van de eerste
gebedsruimten voor Turken in Nederland en groeide hij uit tot imam, voorganger
in het gebed..
In zijn bemoeienis met het Mozeshuis zijn er bepaalde gebeurtenissen die er
voor hem uit springen, zoals een paar jaar geleden een prachtig concert van
Soefimuziek: sfeervol en indrukwekkend. Maar ook 10 december 2004 toen Burgemeester
Cohen de moslimgemeenschap een lunch aanbood in de Mozes en Aäronkerk.
Hij wilde iets terugdoen omdat hij in de dagen na de moord op Theo van Gogh
tijdens de Ramadan zo vaak was uitgenodigd voor iftarmaaltijden. 10 december,
Dag van de Rechten van de mens was een vrijdag. Een wat onhandige planning in
verband met het vrijdaggebed. “Job Cohen zei toen: “Dan doen ze dat gebedje
toch tijdens de lunch!” zich waarschijnlijk niet realiserend dat hij het belangrijkste
wekelijks gebed bedoelde.” Maar het vrijdaggebed is toen met Van Bommel als
imam op het priesterkoor voor het altaar gehouden. Ook een aantal niet-moslims
deed mee aan het gebed.
Van Bommel: “De kerstavondviering is altijd heel bijzonder. Iedere keer is het weer anders. Soms maakte je echt iets harmonieus, creatiefs, vernieuwends mee. Ik denk aan die keer dat daklozen hun gedichten voorlazen. Aangrijpende teksten, soms heel verlegen mensen, die veel moeite hadden met voorlezen. Tot zijn overlijden was Jan van Kilsdonk ook bijna elke kerstavond aanwezig. Van Kilsdonk was voor mij een ‘herder’ juist door zijn gave om een moeilijk thema eenvoudig en zeer inspirerend te kunnen brengen. Ook herinner ik me een viering aan de vooravond van Pinksteren. Daarin werd gesproken over de vurige tongen met Pinksteren, die de vele volkeren in Jeruzalem verbeelden. Deze beeldspraak is herkenbaar voor veel religies en kan daardoor creatief werken.”
Van Bommel zegt van zichzelf dat hij in de loop der jaren gegroeid is in “allochtonium”. Vanwege zijn studie en werk kan hij zich bewegen in twee culturen zowel de Nederlandse als de Turkse. Hem valt het op dat de inburgering nog zo traag verloopt. “Moslims hebben nog heel veel vragen op allerlei gebied, maatschappelijk cultureel, qua opvoeding, religie, communicatie. Ik heb vaak geholpen maar nu ben ik bezig mijn ervaring over te dragen aan anderen.”
Tijdens de boekenweek 2007 die aan
humor was gewijd verraste hij Nederland met een boekje ‘Valt er nog wat te lachen
met die moslims’, nu werkt hij aan een vertaling van ‘Masnawî’ van Rumi,
een mysticus uit de 13de eeuw. Zes delen. Het eerste komt binnenkort uit.
Dat geeft hem veel voldoening, het verrijkt zijn leven, “maar de komende twee
jaar ben ik er nog wel druk mee. Moeten jullie bij het Mozeshuis me niet
te vaak vragen.”
Mozaïek mei 2008
Cursus Wereldreligies
Dit voorjaar verzorgt het Mozeshuis een cursus Wereldreligies en levensbeschouwing.
In acht bijeenkomsten komen er zes aan bod: Hindoeïsme, Boeddhisme, Jodendom,
Christendom, Islam en Humanisme. Naast een algemene inleiding door een vertegenwoordiger
van de betreffende levensbeschouwing is er ook een bepaald thema. Soms zit er
ook een bezoek aan vast. Het Mozeshuis is van plan om najaar 2008 deze
cursus opnieuw te geven. Onderstaand artikel is gebaseerd op de bijeenkomst
over Boeddhisme van 31 maart 2008
Jotika Hermsen over Boeddhisme
en lijden.
Geen wijsheid zonder pijn
“In een klein Indiaas koninkrijk waar nu Nepal ligt, leefde zo ongeveer vijf eeuwen voor Christus een prins. Siddharta Gautama was zijn naam. Zijn vrouw heette Yasodhara en hun zoontje Rahula. Zijn vader, de koning, probeerde er voor te zorgen dat zijn zoon niets kwaads overkwam. Maar Siddharta wilde de wereld verkennen. Vier keer verliet hij het paleis. Bij de eerste tocht zag hij een man die steunde op een stok. Dat had hij nog nooit eerder gezien en hij vroeg zijn dienaar: “Wat is er met die man?” “Die man is oud, prins”, antwoordde deze, “Eens zullen wij allemaal oud zijn”. De tweede keer zag Siddharta een man langs de weg liggen. “Die man is ziek”, vertelde zijn dienaar. “Alle mensen kunnen ziek worden”. En de derde keer zag hij mensen die een draagbaar met een in linnen gehuld pakket op de schouders hadden. “Op de draagbaar ligt een dode. Ze brengen hem naar de brandstapel. Eens zullen we allemaal dood zijn.” De prins was hevig aangedaan door al dat lijden, dat hij voordien niet gekend had. Het kostte hem moeite om het paleis voor de vierde keer te verlaten. Toen kwam hij een man tegen, wiens gezicht grote vredelievendheid uitstraalde. Vredelievender dan vrede zelf.” “Wat is er met die man aan de hand?”vroeg hij zijn dienaar. “Prins, dat is een asceet. Hij probeert het lijden te overwinnen.” Siddharta antwoordde: “Laat mij dan ook de weg van die man gaan.” En hij schoor zijn hoofdhaar af, hulde zich in eenvoudige kleren, verliet het paleis, liet vrouw en kind achter op zoek naar leraren die hem meer over die spirituele weg konden vertellen. En van de rijke prins Siddharta werd hij uiteindelijk de Boeddha, de verlichte, de grondlegger van een levensbeschouwing die een groot deel van Azië zou inspireren , maar ook mensen in de rest van de wereld tot in Amsterdam aan toe.”
Op zoek naar verdieping
Jotika Hermsen (75) vertelt met zachte stem en de 26 cursisten in de Conferentiezaal hangen aan haar lippen. De sfeer is zo intens, dat bijna niemand vragen stelt. Jotika Hermsen is verbonden aan het Sangha Metta Vipassana Meditatiecentrum in Amsterdam, waar zij meditatie en retraites verzorgt. Op 7 maart 2005 ontving zij in Bangkok als eerste Nederlandse vrouw de ‘Outstanding Woman in Buddishm Award’, een prijs die de Verenigde Naties heeft ingesteld en die ieder jaar t.g.v. de Internationale Vrouwendag wordt uitgereikt aan vrouwen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor het onder de aandacht brengen van de leer van Boeddha. Je zou denken dat zo’n prijs een heel leven omvat, maar toch was dat voor haar niet het geval. Geboren in 1932 in een goed katholiek gezin trad zij op 21 jarige leeftijd in bij de franciscanessen en werkte in de verpleging, het maatschappelijk werk en het onderwijs. Ook volgde zij een theologische opleiding. Na 23 jaar verliet zij de orde. Pas in 1986 kwam zij op zoek naar verdieping in haar leven voor het eerst met het Boeddhisme in aanraking. Zij ontmoette in Amsterdam de Thaise monnik en leraar Mettavihari. “Heb je eerder gemediteerd ? ”, vroeg hij. Jotika Hermsen: “Toen ik zei dat ik een christelijke vorm van meditatie kende, zei hij, dat hij mij een andere vorm zou leren, maar boeddhist hoefde ik daarvoor niet te worden: “De Boeddha zond monniken de wereld met de boodschap de mensen gelukkig te maken, niet om hen boeddhist te maken.” Dat trof me toen bijzonder en tot zijn overlijden vorig jaar ben ik bij die leraar en dit centrum gebleven.” In 1992 nam zij wel de stap om boeddhiste te worden. “Niet dat je daarmee alles weet. Ook ik sta altijd nog aan een begin.”
Edele waarheden
Iedere kennismaking met een godsdienst of levensbeschouwing heeft in de cursus Wereldreligies een thema gekregen. Voor het Boeddhisme is dit ‘lijden en depressie’. Hoewel Jotika Hermsen met haar verhaal over prins Siddharta al heeft aangegeven dat lijden van de mens een centraal thema in het Boeddhisme is, wil dat niet zeggen dat voor haar Boeddhisme somber of zwaar is. “Er is ook veel prettig.” Maar als zij in vier stellingen of wel ‘de vier nobele of edele waarheden’ de kern van het Boeddhisme samenvat komt het begrip lijden sterk naar voren.
* Leven is onlosmakelijk verbonden
met lijden. Dat lijden heeft te maken met het feit dat alles veranderlijk
is. Niets is blijvend. Geluk kan zo weer verdwijnen en wie zich met zijn materiële
rijkdom gelukkig waant, heeft vaak zorg hoe hij die rijkdom behoudt. Daarom
kun je uiteindelijk niets vasthouden. We klampen ons niettemin aan van alles
vast in het leven, familie, bezit, onze cultuur en traditie. Het is leven is
echter oncontroleerbaar. Je kunt het niet regelen.
* Lijden heeft een oorzaak. Die oorzaak is dat we ons vastklampen aan
van alles. Het is onze begeerte en onze onwetendheid.
* Lijden kan opgeheven worden. Opheffen is iets anders dan helemaal verdwijnen.
Als je het lijden op die manier wilt ontlopen, leer je niets. Is er lijden,
dan helpt het niet te jammeren, boos te zijn, het te ontkennen. Door juist inzicht
kunnen we er betekenis aan geven en er wellicht anders mee omgaan. Zonder pijn
is er geen wijsheid.
* De weg voor het opheffen van het lijden, om dat inzicht te bereiken heet het ‘achtvoudige pad’: juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud - deze drie samen vormen de regels voor ethisch gedrag- , vervolgens juiste inspanning, juiste concentratie, juiste opmerkzaamheid, dit zijn de drie elementen van meditatie en tenslotte: juist inzicht en juist denken- als twee vormen van wijsheid.
Natuurlijk is er discussie mogelijk over wat je ‘juist’ moet noemen. In zijn algemeenheid kun je zeggen: juist is dat wat onszelf en anderen, en daarmee zijn in principe alle levende wezens bedoeld, geen schade toebrengt.
Vrijgevigheid
Boeddhisme is meer dan levensbeschouwing vooral een manier van leven. Vrijgevigheid ofwel ‘dhana’ speelt daarin een grote rol. Jotika Hermsen vertelt over monniken in Thailand en Birma die iedere dag de straat opgaan voor hun voedsel en de mensen geven graag. Als oefening geeft ze de deelnemers aan haar meditaties wel ‘s de opdracht om in Amsterdam de straat op te gaan en aan voorbijgangers iets te geven. Dat is nog moeilijk genoeg. De meeste mensen reageren afhoudend als mensen hun zomaar iets willen geven. ‘Je hoort zoveel over trucs om toeristen te beroven.’ Maar het levert ook mooie reacties op. Zo vertelde eens iemand dat hij een man met een mooie jas aan en een heel duur horloge om een rijksdaalder gaf. Die man was helemaal verrukt: ‘Dat is me in Amsterdam in zeventien jaar nog nooit overkomen’, riep hij, “Dat ga ik meteen aan mijn vrouw vertellen.’ Soms is de opdracht om voorbijgangers een goede gedachte te sturen: bijvoorbeeld ‘dat vrede en geluk je deel mogen zijn’. Zowel bij zender als ‘ontvanger’ geeft dat bijzondere reacties: “Op straat keek ik normaal nooit mensen aan, maar nu doe ik dat wel en dan kijken mensen toch anders naar je.”
Meditatie
Meditatie is belangrijk in het Boeddhisme. Het is volgens Jotika Hermsen een vorm van geconcentreerd leven, zitten en naar binnen durven kijken. “De grondhouding van meditatie is om jezelf te accepteren. De meeste mensen hebben de neiging om in gedachten te oordelen, zichzelf te veroordelen. Breng je geest tot rust, als het gladde wateroppervlak van een bosvijver. Dan dring je pas door in de diepte. Verzet tegen verdriet of pijn, verhevigt die pijn alleen maar. Kijk er naar, oordeel niet. Zo ontwikkel je inzicht én mededogen. Niet alleen inzicht in jezelf, maar dan zie je dat een ander net zo worstelt met het lijden als jezelf.”
Twee uur zijn omgevlogen. Verwijzingen naar hedendaagse vraagstukken blijven daarna niet uit. De zelfverkozen dood van Hugo Claus, de film van Geert Wilders en de reacties daarop. Wat vindt het Boeddhisme van euthanasie bij uitzichtloos lijden? Hoe zou een Boeddhist reageren op zo’n film? Of wat vindt Jotika Hermsen van een wereld waarin iedereen zich tegen elk verlies of tegenslag wil verzekeren? Maar voor diepgaande gedachtewisseling daarover is geen tijd meer. Jotika Hermsen wil het liever niet alleen bij woorden laten. Ze stelt voor om samen te mediteren. Iedereen gaat recht op zijn stoel zitten, sluit zijn ogen terwijl Jotika Hermsen zacht wat aanwijzingen geeft tot het plots doodstil is en je een speld kunt horen vallen. Een kwartier is zo om.
Na afloop gaan de meeste deelnemers nog even mee naar de tempel, ‘want die moet je toch ook gezien hebben’.
Rubriek Amsterdam tussen trots en ergernis
Van achterstand tot ambitie
door Huseyin Asma, oud- algemeen directeur van educatief centrum De Witte Tulp
Als je van kinderen op school weinig verwacht, dan zullen ze ook weinig bereiken. Tegen die stelling valt denk ik weinig in te brengen. Vroeger gold in Nederland dat, als je uit een arbeidersgezin kwam, er meestal niet meer inzat dan LTS of Huishoudschool. Natuurlijk waren er uitzonderingen - maar dan moest je én goed kunnen leren én je ouders moesten het zien zitten (en kunnen betalen) dat hún zoon of dochter naar het lyceum of zelfs de universiteit ging. Zelf hadden ze weinig scholing gehad, zouden hun kinderen het dan beter doen? Er was vaak een onderwijzer nodig die wel in de talenten van zo’n kind geloofde om het verder te helpen. Wie tegenwoordig de discussie over zwarte en witte scholen volgt, kan dat plaatje ook nu invullen. Kinderen van zwarte scholen naar de HAVO of het VWO? Dat verwacht je niet. Kinderen van migrantenouders die zelf weinig opleiding hebben genoten, die nauwelijks Nederlands spreken naar Hogeschool of universiteit? VMBO, MBO wellicht, als ze het al afmaken, want de cijfers over schooluitval zijn nog steeds schrikbarend. Dat is het beeld.
Verwachtingen zijn natuurlijk niet zomaar ideeën over de toekomst. Het vervelende is, dat ze vaak nog uitkomen ook. Als je de stelling omkeert: als je veel van kinderen op school verwacht, dan zullen ze veel bereiken, is dat ook niet meteen waar. In dat geval moet er nog veel gebeuren..
Ruim tien jaar geleden studeerde ik Bestuurskunde aan de VU in Amsterdam en woonde ik in Haarlem. Samen met nog een paar studenten van Turkse afkomst vonden we dat aan dat negatieve verwachtingspatroon wat gedaan moest worden. We zijn in Haarlem in een buurthuis schoolkinderen met hun huiswerk gaan helpen. Achterstandsleerlingen werden ze genoemd. Niet omdat ze dom waren of geen talent hadden. Die achterstand zat er soms in dat ze de taal nog niet goed beheersten, of thuis geen huiswerk konden maken. Ze kregen geen hulp van hun ouders, maar vaak zagen ze zelf ook niet zo veel in leren. Want wie in hun omgeving had nu doorgeleerd ? Maar met wat hulp bleek er veel te bereiken. En wij hadden er ook lol in. Daarbij zagen ze ons als een voorbeeld wat je kon bereiken als je wel je best op school deed. Natuurlijk zorgt huiswerkbegeleiding er niet direct voor dat iedere basisschoolleerling naar de HAVO of het VWO kan. Maar uit de ergernis over de achterstand groeide de trots van de ambitie. Met betere cijfers op school krijg je ook meer zin in leren en misschien kijken je ouders ook anders tegen je mogelijkheden aan.
Dat kleine begin in Haarlem werd in 1997 de start van Stichting de Witte Tulp. We zijn een educatief centrum geworden met vestigingen in Haarlem, Amsterdam en Zaandam. We doen niet alleen aan studie- en huiswerkbegeleiding, maar ook aan CITO- en examentraining,. We hebben mentorprojecten, doen aan gezinscoaching, geven extra taallessen in Nederlands, Duits, Frans en Engels. We hebben een weekendschool en verschillende clubs als de Mediaclub, de Dynamicclub, voor wetenschap en techniek en een Roboticaclub, waar jongeren robots kunnen maken. En dat alleen met vrijwilligers, ook jongeren die we jaren geleden geholpen hebben. We zijn al lang geen Turkse stichting meer, 60 % van onze vrijwilligers heeft een autochtone achtergrond, meer dan 40 % van de leerlingen is niet van Turkse komaf. Vorig jaar vierden we ons tien-jarig bestaan in de Mozes & Aäronkerk. Op 17 en 18 mei hebben we in sciencecenter NEMO ons tweede wetenschapsfestival. Vorig jaar in de Beurs van Berlage hadden we ruim 10.000 bezoekers. Naast allerlei presentaties op gebied van wetenschap en techniek houden we ook een robotwedstrijd in twee categorieën: sumo-worstelen voor robots en een vaardighedentest. Als je wat van kinderen verwacht en ze de juiste hulp weet te geven is er veel om trots op te zijn. En dat ik er zelf nog niet in ben geslaagd een werkende robot in elkaar te zetten is maar een kleine (persoonlijke) ergernis.
Amsterdam tussen trots en ergernis is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse) samenleving. Reacties welkom!
Rubriek KOLOM: de column in Mozaïek
Noortje van Oostveen
Goed en fout
Zestig jaar na de oorlog weten we
in Nederland precies wat goed en fout was en vooral wíe goed was en wíe
fout. Hoe langer geleden, hoe beter we het weten. Op een karaktermoord meer
of minder wordt daarbij niet gekeken. Denk maar aan de – ongelijksoortige –
gevallen als Nobelprijswinnaar Debye, dichter Jan Campert en zanger Johan Heesters.
Met de kennis van nu lijkt het makkelijk om een scheidslijn te trekken tussen
wit en zwart. Maar wat te denken van het enorme grijze gebied, nu we intussen
hebben afgerekend met de mythe dat bijna heel Nederland in het verzet zat? En
wat vinden we van de mensen die even tijd nodig hadden om te ontdekken
waar het nationaal-socialisme toe zou leiden? Zo heeft menige brave Nederlander
– ook een enkeling die later in het verzet ging - in de jaren dertig een NSB-bijeenkomst
bijgewoond. Omdat deze beweging een oplossing leek te bieden voor de ernstige
sociale problemen, omdat er een bepaald elan van uitging, of uit nieuwsgierigheid.
Het gretig moraliseren over ’40-’45 viel ook weer op bij het verschijnen van
de biografie over Joop den Uyl. Hij zou ‘een beetje fout’ zijn geweest omdat
hij als 15-jarige in een opstel het vooroorlogse Duitsland beschreef als: ‘een
herboren, zelfbewust volk in eensgezindheid om de Führer geschaard’. Den
Uyls puberale flirt met het nationaal-socialisme werd vervolgens verklaard uit
zijn streng gereformeerde opvoeding. Bij moraliseren hoort simplificeren. Wie
er echt iets van wil snappen moet de biografie vooral zelf lezen omdat die gaat
over een mensenleven in een belangrijk deel van onze recente geschiedenis.
Moraliseren is iets anders dan een moreel oordeel vormen. Als je probeert zorgvuldig
te leven ontkom je er niet aan om je eigen denken en handelen van tijd tot tijd
te onderwerpen aan een moreel oordeel. Niet zestig jaar na dato, maar gewoon
vandaag de dag. Het lastige daarbij is dat de plaats waar je staat bepaalt wat
je ziet en dat je soms zelf (nog) niet in de gaten hebt waar je staat. Misschien
goed om te bedenken in deze tijd van herdenken.
Noortje van Oostveen verzorgt
dit jaar KOLOM. Zij is voorzitter van de Vrienden van de Mozes en sinds jaar
en dag buurtbewoner. Haar beroep is media-adviseur,
- trainer en - manager.
Everhard Mulder over 20 jaar computerlessen
Ik ga het vast nog eens missen
Ruim twintig jaar lang heeft het
Mozeshuis computercursussen gegeven. Dit voorjaar zijn de laatste. Bij de revolutie
die zich in die tijd op dit gebied heeft voltrokken was er voor het Mozeshuis
één constante: docent, bedenker van cursussen, adviseur, steun
en toeverlaat bij allerlei ellende: Everhard Mulder. Zeker een paar duizend
ouderen, vrouwen, mannen, Turken, Marokkanen, Ethiopiërs, doven-
en slechthorenden, WAO-ers, werklozen, dakloze jongeren en Surinamers heeft
hij de eerste beginselen van het computergebruik geleerd en langzamerhand veel
meer dan dat.
Hoe is dat eigenlijk begonnen?
Everhard Mulder: “In 1987 werd het Mozeshuis gevraagd om mee te doen aan een
nieuw project: de Primaire Beroepsgerichte Volwasseneneducatie (PBVE) Dat was
een soort derde kans onderwijs. In die tijd hadden we veel contact met organisaties
van Surinamers, Turken en Marokkanen in de stad en de vraag was of wij hen computercursussen
konden geven. We kregen direct 12 computers en 12 computertafels, maar
geen docent. En toen keken ze naar mij. Maar ik wist toen nog niks van
computers, laat staan dat ik er één had. Samen met collega Nico
Portegijs ben ik aan de gang gegaan. We hebben wat zitten ploeteren om dat ding
onder de knie te krijgen. De eerste cursus was voor het Mozeshuispersoneel aangevuld
met enkele goedwillende, begripvolle relaties. Dat was lachen, ik leerde meer
dan mijn cursisten. Het printen sloeg ik aanvankelijk over. Ik had geen idee
hoe dat moest. Maar even later ging het beter en toen hebben we vooral aan Turken
en Marokkanen les gegeven. Maar dat gaf weer andere problemen. Voor je het wist
werd het een cursus Nederlands. Later kwamen er ook anderen: ouderen van
PIZ cursussen en werkzoekenden, doorgestuurd door de Sociale Dienst. Daarvoor
hadden we een cursus Arbeid en Beroep op de PC, hielpen we hen met een cv maken
en, later met internet, zoeken naar vacatures. Ook veel vluchtelingen schoven
aan, vaak heel gemotiveerde mensen.. Lesgeven aan doven was niet zo gemakkelijk.
Ik had een doventolk, maar doven zijn mensen met een sterke wil. Dat kon wel
eens omslaan in eigenwijsheid. Dan kon ik wel zeggen: ‘Doe dit of dat nou niet’,
maar dat had soms weinig effect en liep zo’n computer helemaal in de war.
“Twintig jaar computerles geven was soms een training in geduld, mededogen en zelfbeheersing, maar meestal prima uit te houden. Grappige en ontroerende voorvallen genoeg: Iemand die van de ene naar de andere website wilde en tussendoor de computer afsloot, want ‘als je een ander belt, leg je toch ook eerst de hoorn neer’. Maar ook een oude mevrouw die van haar zoon in Australie op les moest, maar eenmaal op les de rollen omdraaide: ‘of zoonlief eerst een virusscanner’ wilde installeren. Nee, ik kijk terug op een lange, maar fijne periode. Nu is het tijd om wat anders te doen, maar ik ga het vast nog ‘s missen.”?
Een veel uitgebreidere versie vindt u onder de knop Informatica
Sportonderzoeker Frank van Eekeren, hoofdinleider Zomerschool 2008
Sport bindt en verbindt
Frank van Eekeren (1972) is sinds 2002 senior adviseur bij USBO Advies (Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatie-wetenschap). Daarvoor was hij een vijftal jaren docent en onderzoeker bij het Universitair Centrum voor Beleid en Management (CBM) in Utrecht.Hij is betrokken bij professionele sportorganisaties, NOCNSF en vrijwilligersorganisaties in de sport. Daarnaast houdt hij zich bezig met de betekenis van sport in ontwikkelingslanden. Hij is columnist van Supporter, een kwartaalblad over sport en ontwikkeling
Sport bindt en verbindt is de stelling
die sportonderzoeker Frank van Eekeren op 19 juni bij de opening van de Zomerschool
zijn gehoor zal voorhouden. Zelf
komt hij uit een gezin waar sport heel belangrijk was. Zijn vader was leraar
lichamelijke opvoeding. Zijn broer en hij voetbalden bij FC Engelen, in het
gelijknamig dorp bij
’s Hertogenbosch. Op 21-jarige leeftijd kreeg hij een zware enkelblessure, waardoor
hij niet meer kon voetballen. Toen realiseerde hij zich hoe belangrijk sport
voor hem was. Voor de blessure trainde hij elke dag, had een bepaald aanzien
in de club en al zijn vrienden zaten er. Dat viel allemaal weg. Maar hij is
steeds bij de sport betrokken gebleven en heeft inmiddels van sport zijn
werk gemaakt.
Voor Frank van Eekeren is sport zo belangrijk omdat sport laagdrempelig, ontspannen en leuk is en universele regels heeft. Sport opent de weg naar contacten met anderen. Bijna iedereen kijkt naar sport en heeft daar wel een mening over. Dat maakt dat sport bindt en verbindt. Juist in teamsport komt die onderlinge band sterk naar voren. Een nadeel is wel dat sport ook uitsluit. Als je het niet kunt, val je er soms buiten en je kunt winnen maar ook verliezen. Sport draagt ook bij aan de ontwikkeling van jongeren. Dat ontdekte hij al toen hij tijdens zijn studie in townships in Zuid Afrika onderzoek deed naar het belang van sport voor ontwikkelingssamenwerking., “Iedere voetballende jongen droomt daar van het spelen bij een rijke club in Europa.”
Na het afronden van de studies
communicatie en algemene sociale wetenschappen werd hij docent en onderzoeker.
Momenteel onderzoekt hij de haalbaarheid van de Olympische Spelen van
2028 in Nederland. Zo houdt hij zich bezig met vragen als:
Hoe kunnen sport en haar organisatievormen een rol spelen bij sociale cohesie?
Hoe kunnen we van Nederland op bestuurlijk organisatorisch niveau een echt
sportland maken?
Verschillende organisaties worden hierbij betrokken van sportkoepels, tot recreatieve clubs maar ook de overheid, het bedrijfsleven, zorg- en welzijnsinstellingen, sponsors. Juist die veelzijdige benadering trekt hem.
Daarnaast doet hij onderzoek naar de sociale, economische en culturele betekenis van sport in Afrika. Van Eekeren: “De laatste jaren zien we dat ontwikkelingslanden grote evenementen aangrijpen om hun ontwikkeling te bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan de Olympische Spelen in China en het WK voetbal van 2010 in Zuid Afrika. De politiek in die landen geeft het wel aan als belangrijk ‘selling point’ maar het is gebleken dat de focus niet op ontwikkeling van het land zelf is gericht Uit onderzoek komt tot nu naar voren dat de bevolking weinig tot geen profijt van die grote evenementen heeft. Onderzoekers, ontwikkelingsorganisaties en activisten zijn er internationaal inmiddels op gericht te zorgen dat politiek en sportorganisaties ter plekke daar wel aandacht aan besteden.
Ook in zijn eigen leven als vader van twee kinderen speelt sport een rol. Zelf doet hij aan fietsen en spinning, een soort fietsen op hometrainers in de sportschool. En over zijn kinderen zegt hij: “Mijn dochtertje van 5 is door peutergym van een verlegen en motorisch onzeker kind uitgegroeid tot een kind met zelfvertrouwen en ze wil nu naar zwemmen. Mijn zoontje van 3 is juist een kind met teveel energie. Die kan hij kwijt in de peutergym. Ik hoop dat ik mijn kinderen kan meegeven hoe belangrijk sport is voor je ontwikkeling en dat je door sporten in verenigingsverband vrienden kan maken.”
Sport bindt en verbindt.
Fred Tiggelman van volkorenbakkerij Hartog
Doen waar je goed in bent
Wie aan beide thema’s van de Zomerschool deelneemt, mag het thema Brood en Spelen wat brood betreft heel letterlijk nemen. Die deelnemers nodigen we uit om brood te gaan bakken bij bakkerij Hartog, Getuige de lange rijen op de stoep (1400 klanten per dag!) is dat niet zomaar een bakkerij in Oost. Het is dé volkorenbakkerij van Amsterdam en verre omstreken, in 2005 uitgeroepen tot Beste Bakkerij van Nederland en in 2006 tot Beste zelfstandige winkel.
Bakkerij Hartog is een familiebedrijf, dat sinds 1896 bestaat. In dat jaar begon Aagje Dekker thuis in de Jordaan driehoog achter 12 broden per dag te bakken die haar man Gerrit Hartog uitventte. In 1901 verschijnt in de Ruyschstraat 68 een echte bakkerij en winkel. Nu zit de zevende generatie eigenaren in de bakkerij, waarbij grootvader Willem Hartog op 84-jarige leeftijd nog steeds meewerkt. In 1984 verhuisde de bakkerij naar nummer 56 en was er plaats voor een bakkerij, maalderij, opslag en winkel. Aanvankelijk leek 180 m2 teveel ruimte, maar nu is het krap aan, sinds de bakkerij van 10 naar 40 medewerkers is gegroeid.
Fred Tiggelman, 39 jaar geleden geboren in België, wist op zijn vierde al dat hij bakker wilde worden. Maar aan leren had hij een grote hekel. Toch zou hij via de bakkersopleiding bij Hubertus in Amsterdam, werken en leren via het leerlingstelsel en een vervolgopleiding wel zo’n 12 jaar voor zijn vak leren. In 1994 werd hij bedrijfsleider bij Hartog. Het was toen nog een eenvoudig bedrijf. Dat ging hem goed af. In 1997 werd hij naast Ronnie Hartog mede-eigenaar en had zijn ideaal bereikt: een eigen bakkerij.
Voor Fred Tiggelman is bakker-zijn een roeping. Het werk is zwaar, maar erg mooi. Hij kiest ervoor verantwoord te produceren en bij Hartog betekent dat: het hele proces in eigen hand houden van het meel malen tot het verkopen van het brood. Daarmee kan hij de kwaliteit garanderen die hij graag wil en toch voor het brood een redelijke prijs vragen.
Wat kan een sterf’lijk mens beter wensen, dan koren op het veld, brood en vrede voor alle mensen, staat op de broodzakken van Hartog gedrukt. Voor Fred Tiggelman is erg belangrijk te leven vanuit de houding dat je het leven te leen hebt. Nu hij het wat beter heeft wil hij dat ook graag delen met anderen. Winkeliers uit de buurt leveren grondstoffen. Daar geeft hij de voorkeur aan boven grote bedrijven. Daarmee gaat hij soms tegen het advies van anderen in, maar hij ervaart dat zijn ideeën werken. Hij noemt dit zijn ‘buikgevoel’. Dat is de motor van waaruit hij wil werken.
Speculaas met koffie
Hartog is niet zomaar een bakker.
Fred Tiggelman zit vol plannen om nieuwe wegen in te slaan. Er komt allereerst
een nieuwe, grotere locatie bij. Hier kan hij daadwerkelijk laten zien hoe het
proces van brood bakken in zijn werk gaat. Hij gaat er ook koffie branden, malen
en verkopen, met speculaas erbij want dat vinden klanten belangrijk. In de nieuwe
vestiging is er ook ruimte voor broodbakcursussen. Men kan er gratis water drinken
en voor de buurtbewoners is er ruimte om te vergaderen. Het contact met de buurt
is voor hem van belang. Daar zitten ook zijn klanten en er werken mensen uit
de directe buurt in zijn zaak.
Zijn vrouw staat achter zijn ideeën en ondersteunt hem trouw. Ze hebben
een dochter van 7 jaar, die het leuk vindt dat haar vader bakker is. Zijn
vrouw volgt nu een managementopleiding aan de universiteit en als ze die heeft
afgerond kan hij zelf weer aan de basis werken: de productie van brood en de
verkoop. Zijn levensfilosofie is dat je moet doen waar je goed in bent. Betrouwbare
mensen om je heen zijn heel belangrijk. Dat heeft hij nu voor elkaar. Hij wil
nog heel lang plezier hebben in het werk. Voor hem betekent dat vóór
de wekker wakker zijn. Als hij slecht slaapt, moet hij zorgen dat er iets verandert.
Want zo idealistisch Fred Tiggelman is als bakker, zo nuchter is hij ook. Bakkerij
Hartog moet zeker nóg 112 jaar mee!
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Myrna Blocks van de Vrienden van de Mozes
Myrna Thérèse Blocks-Goetheer is sinds 1999 bestuurslid van de Vrienden van de Mozes, het fonds dat het Mozeshuis in 1981 in het leven heeft geroepen om activiteiten te steunen waarvoor uit het gewone budget geen of te weinig geld is.
Ze maakte voor het eerst kennis met het Mozeshuis via oud-coördinator Jan Ruijter. Zij kende hem van de Rotary Amsterdam. Tijdens de ziekte van haar jongste zusje kreeg zij nader contact met hem. Toen deze overleed verzorgde Jan Ruijter de afscheidsviering. In 1998 kwam er een plek vrij in het bestuur van de Vrienden van de Mozes. Harry Groen voorheen directeur van de Nederlandse Credietverzekering Maatschappij( NCM) en haar vroegere werkgever, ging uit het bestuur, omdat hij wethouder van Amsterdam werd en hij noemde haar naam. De eerste vergadering in 1999 moest zij nog missen, maar daarna is zij elk jaar bij de jaarlijkse vergadering aanwezig geweest. De Vrienden maken dankbaar gebruik van haar kennis als juriste. Zo weet zij precies hoe mensen die bijv. een periodieke schenking aan de Vrienden willen doen, dit op een zo fiscaal gunstig mogelijke manier kunnen doen. En ook in andere juridische zaken, zoals een statutenwijziging weet ze het Mozeshuis goed te adviseren.
Het bestuurslidmaatschap van de Vrienden
van de Mozes past precies in haar opvatting van nevenfuncties: Ze moeten iets
betekenen voor haarzelf en voor Amsterdam.
De maatschappijvisie en het werk van het Mozeshuis spraken haar aan: opkomen
voor groepen in de knel en naast mensen staan die steun kunnen gebruiken. Als
voorbeeld noemt ze de Herdenking van de Surinaamse Decembermoorden, die het
Mozeshuis al 25 jaar samen met het comité van nabestaanden organiseert.
Zij heeft in de loop der jaren diverse andere bestuursfuncties gehad, allen
in Amsterdam om, zoals zij zegt ‘de band met Amsterdam te kunnen blijven koesteren’.
Myrna Blocks is een geboren en getogen Amsterdamse. Zij groeide op vlak na de oorlog in een middenstandsgezin in het centrum. Na het gymnasium op RK meisjeslyceum Fons Vitae studeerde zij rechten aan de Universiteit van Amsterdam. In 1969 trouwde zij en na haar afstuderen verhuisde ze met haar man naar Eindhoven, waar hij voor Philips ging werken. Zijzelf werd interim secretaris van de Hogeschoolraad. De baan bij Philips duurde slechts negen maanden en toen verhuisden ze weer snel terug en gingen in Duivendrecht wonen, wat voor haar voelde als een ‘stukje Amsterdam’. Nu woont ze al weer jaren in Amsterdam-Centrum.
Myrna Blocks heeft bijna 25 jaar gewerkt bij de NCM. In 1996 vertrok ze daar. Op 50-jarige leeftijd besloot ze weer te gaan studeren. Zij koos bewust voor de deelstudie notariaat. Tijdens haar studie werkte zij voor vastgoedmakelaar Van Zadelhoff. Begin 2000 ontmoette zij een associé van het notariskantoor Schut en Grosheide, waar zij in dienst trad en zich bezighield met familierecht. Na haar afstuderen veranderde er veel bij haar werkgever: voor familierecht was eigenlijk niet echt plaats meer, wat leidde tot haar vertrek in 2006. Toen ontmoette zij collega jurist Hamans. Zij besloten samen een notariskantoor op te zetten. Op 15 januari 2007 was notariskantoor Hamans-Blocks een feit, kantoor houdend aan het Concertgebouwplein.
Op latere leeftijd zo’n carrière move getuigt van een ondernemende geest. Myrna Blocks: “De laatste jaren bij de NCM stonden vooral in het teken van het wisselen van de wacht en de macht, conflicthantering en proberen te overleven. Dat kostte veel negatieve energie en ik merkte bij mezelf iets wat ik altijd omschreef als ‘het lege woestijngevoel’. Daarom wilde ik weer gaan studeren, hoewel de studieadviseur het mij ontraadde vanwege de vele tentamens. Ik liet mij niet afschrikken. In de studie maakte ik kennis met veel jongeren en mijn praktijkervaring kon ik goed gebruiken. In het notariaat specialiseerde ik mij in het familierecht, want ik houd ervan met mensen te praten. Heb ik beslist van mijn vader. Die was ook heel extravert. Wat ouder zijn is voor mij prettig en in het werk een voordeel. Veel mensen van mijn leeftijd komen om hun boedel of hun testament te regelen. Voor mij staat het opbouwen van een duurzame relatie met die mensen op de voorgrond. Mijn compagnon heeft ook affiniteit met het familierecht, maar hij heeft zich gespecialiseerd in mediation een soort conflictbemiddeling.
Ik ben zeker nog van plan een tijd door te werken. Het aantrekkelijke van ouder worden is, dat ik steeds kan blijven spelen, leren en me verder ontwikkelen. Ik merk veel mensen om me heen die niets meer doen als zij ouder worden. Dat kan ik mij nauwelijks voorstellen. Voor mij zijn verboden uitdrukkingen: ‘Hoe lang moet je nog ?’ en ‘Moet je nu niet eens gaan genieten?’. Ik wil in mijn werk genieten, ouder worden en anderen kunnen helpen. Zo simpel is het.”
Mozaïek maart 2008
Willem
Vogel, vormgever van de expositie
bij de Herdenking van de Februaristaking
draagt na 18 jaar het stokje over.
Sinds 1991 maakt vormgever en beeldend kunstenaar Willem Vogel (72) tijdens de herdenking van de Februaristaking op 25 februari een kunstwerk in de Mozes & Aäronkerk met de foto’s van de razzia uit 1941 en de bloemstukken, die later die dag bij de Dokwerker worden gelegd.. Dezelfde foto’s telkens op een nieuwe wijze tentoongesteld. Dit jaar was het voor het laatst.
Ruim 18 jaar geleden werkte Willem Vogel via de CPN als vormgever bij politieke festivals en acties. Hij was beeldend kunstenaar en wilde een deel van zijn werk buiten de deur verrichten. De CPN had veel aandacht voor beeldende cultuur en vaak betrok men kunstenaars bij de voorbereiding van activiteiten, denk aan 1 mei vieringen. Hij vond dat je als lid van de CPN iets moest doen. Hij was goed in vormgeving en heeft op die manier zijn bijdrage geleverd. Hij kon er zijn ideeën kwijt om samen met anderen daaraan vorm te geven. Daarnaast werkte hij 31 jaar als docent Bouwkunde in Delft bij de afdeling Vormstudie. Via practica bracht hij de abstracte begrippen vorm en ruimte, beeldend over aan de studenten. Hij werkte in een team dat o.a. vanuit de Bauhaus- gedachte vorm wilde geven aan de ruimte van architectuur en stedenbouw.
Voor Willem Vogel is het een uitdaging om met zijn ideeën iets te maken, in samenspel met andere mensen en met de ruimte. “Ik denk dan”, zegt hij, “aan die keer toen ik in een theater begon met het bespreken van mijn idee en de achtergrond. Een toneelman gaf daarna zijn visie op hoe het misschien anders zou kunnen. Toen ben ik tot de conclusie gekomen dat een open ontwerp het beste is, want daarin bestaat ruimte voor de ideeën van anderen.”
Toen hij voor de tentoonstelling in de kerk gevraagd werd, waren zijn uitdagingen: de foto’s met hun thematiek, de ruimte in de kerk, de bloemen en de panelen. Daar ging hij als vormgever mee aan de slag, steeds inhoudelijk en praktisch bijgestaan door Dik de Boef van het Herdenkingscomité. Zij werden daarbij ondersteund door twee medewerkers van het Mozeshuis, Harry Udo en Joop de Kok. Beide mannen hielpen hem met het vinden van oplossingen voor zijn ideeën. De bloemstukken zijn een belangrijk onderdeel. Elke bloemist heeft zijn best gedaan om er iets bijzonders ervan te maken..
Eén keer werd de tentoonstellingsclub uitgebreid met 12 kunstenaars. Hun werd gevraagd iets te maken rond het idee dat mensen aan de kant gezet, onderdrukt worden. Willem Vogel heeft toen hun werken gegroepeerd rond de foto’s als centraal thema. Een ander jaar heeft hij de foto’s geconfronteerd met krantenpagina’s, die als vlaggen naast de foto’s waren opgehangen. Hij wilde zo de foto’s koppelen aan de wereld van dat moment. Door de tijd tot uitdrukking te brengen wilde hij ook de toekomst erbij betrekken. Hij heeft ook twee portretten van joden, die op zich al een dramatisch effect opriepen, geconfronteerd met een spiegel, waardoor je zowel die mensen als jezelf zag. Hij wilde daarmee uitdrukken dat wij allen tijdgenoten zijn, dat er geen ‘zij’ bestaat. Precies in het midden van de kerk lag een spiegel. Daarop lag weer een klok zonder echte wijzerplaat, maar met wijzers, die naar de mensen wezen, die er langs liepen. Bij de foto’s hing een gedichtje van zijn hand.
Tijd en ruimte
open en beweeglijk als altijd
verbinden ons met hen
nu, morgen
Al gunt hij ieder zijn eigen interpretatie,
18 jaar lang is dit gedichtje in feite de boodschap van Willem Vogel geweest
bij de Herdenking van de Februaristaking.
Prof.
dr. Philip Idenburg
over de begeleiding van hoog opgeleide
vluchtelingen:
“Eigenlijk
zijn wij de vreemdelingen.”
Op 14 februari vond in de Mozes & Aäronkerk een symposium rondom het thema diversiteit op de werkplek plaats, getiteld “Kleinschaligheid werkt.” Een van inleiders was prof. dr. Philip Idenburg. Mozaïek sprak met hem over wat er voor een goede begeleiding van allochtonen m.b.t. werk nodig is.
Na zijn studie sociologie in Groningen
en Pittsburgh werkte Philip Idenburg in diverse functies in Nederland.
In 1986 werd hij hoogleraar Bestuurskunde aan de universiteit van Utrecht.
In deze functie schreef hij voor de Gemeente Rotterdam een rapport over Sociale
Vernieuwing, over de aanpak van problemen in de stad waar bewoners bij betrokken
zijn. Tijdens dit project ontdekte hij dat Nederlanders en zeker de overheid
bij het oplossen van een probleem, te vaak zoeken naar iets wat buiten ons ligt
en vergeten te kijken naar wat we zelf al weten. Hij vroeg aan de Rotterdammers
welke oplossingen zijzelf zagen voor de problemen in de stad. Er kwamen honderden
leuke oplossingen binnen en vele ervan werden al uitgevoerd of zijn de jaren
daarna uitgevoerd. In 1999 ging hij met pensioen, maar hij werkte verder als
consulent bij Van Ede & Partners, een bureau voor outplacement en loopbaanbegeleiding.
In 2004 begon hij samen met drie collega’s de begeleiding van hoog opgeleide
vluchtelingen. Toen de organisatie 25 jaar bestond, werd aan 25 vluchteling-
studenten van het University Assistance Fund (UAF) een gratis traject aangeboden,
het zogenaamd Trekvogel Project.
In dit project wordt duidelijk dat de positie van vluchtelingen in Nederland in het algemeen en van hoog opgeleide vluchtelingen in het bijzonder, erg moeilijk is. De werkloosheid onder hen is groot en als ze wel werk hebben, werken ze vaak in banen onder hun niveau. Het Trekvogelproject, waarvoor coördinator Jutta König al veel initiatieven genomen en contacten gelegd heeft, is juist bedoeld om allerlei vormen van onbegrip over vluchtelingen tegen te gaan. Dat begint langzamerhand zijn vruchten af te werpen.
Begeleiders veranderen
Philip Idenburg vindt de aanpak van Van Ede uitstekend geschikt voor vreemdelingen. De ideeën over outplacement (hoe kom je uit je problemen, waar wil je naar toe werken, wat is jouw speciale bijdrage) zijn bijzonder geschikt voor mensen die, door de manier waarop wij over integratie denken en spreken, daarvan anders het slachtoffer dreigen te worden. Bij de aanpak van de begeleiding moet je je volgens hem realiseren, dat hoog opgeleide allochtonen hun eigen problemen en hun eigen aanpak hebben om ze op te lossen Opmerkelijk aan de begeleiding van vreemdelingen is volgens hem dat ook begeleiders er door veranderen.: “Wanneer je moet uitleggen hoe de dingen in dit land gaan, en je ziet de verbazing bij de ander, dan voel je jezelf vaak een vreemdeling.” Je verdiepen in hun cultuur is volgens Idenburg natuurlijk nuttig voor het contact met hen. Maar hij ontdekte dat het veel zinvoller is aandacht te geven aan je eigen houding en gevoel in die relatie. “Met de vreemdeling kun je je samen verbazen over de cultuurproblemen, die aan beide kanten liggen. Dat blijkt als je met elkaar praat over hoe je in Nederland met je baas, je collega’s en je werk omgaat.” In oktober 2006 verscheen bijvoorbeeld in de NRC een artikel met de ervaringen van één van de UAF-cliënten en zijn werkgever. Daarin kwam zowel bij werknemer als werkgever het onbegrip over de nieuwe werksituatie naar voren. Philip Idenburg is van mening dat goede begeleiding betekent, dat je zowel aandacht besteedt aan de allochtone werknemer als aan de werkgever. Gelukkig ziet hij dat in grote bedrijven jongeren langzamerhand begrip beginnen te krijgen voor wat vreemdelingen nodig hebben en waar ze voor staan in onze multiculturele samenleving. Dat geeft hem hoop. Hij ziet dan ook het Trekvogel symposium in de Mozes & Aäronkerk als een volgende stap in het proces van integratie van allochtone werknemers in het arbeidsproces.
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Dea Broersen van het RK dekenaat Amsterdam
Het dekenaat Amsterdam van de Rooms Katholieke kerk viert sinds 1998 haar nieuwjaarsreceptie in de Mozes & Aäronkerk. Voorheen was Jan Ruijter, coördinator van het Mozeshuis bestuurslid van het dekenaat. Daarnaast maakt het dekenaat gebruik van de vergaderzalen in het Mozeshuis en medewerkers hebben ook aan computercursussen meegedaan. Daarom kan van Dea Broersen die sinds 1989 bij het dekenaat werkt zeker gezegd worden dat zij thuis is in het Mozeshuis. Zij vindt dat er in die jaren, zoals zij het noemt ‘een gevoelscontact’ is gegroeid tussen beide organisaties. Maar wie is Dea Broersen en wat doet zij?
Dea Broersen kwam als werkstudent theologie aan de Katholieke Theologische Universiteit Amsterdam via een docent bij het dekenaat als secretaresse. Zij vond de werkomgeving en de mensen zo leuk, dat zij er eigenlijk nooit meer is weggegaan. Na office manager te zijn geweest, werd zij interim coördinator. In april 2007 is zij benoemd tot coördinator. Het eerste jaar is zij bezig geweest met het vormen van het nieuwe team, de gemeenschappelijke huisvesting op het Begijnhof en de kennismaking met het totale gebied. Maar werk is niet zomaar werk voor haar. Dea Broersen: “Ik vind het belangrijk om mijn gevoel over spiritualiteit te volgen in mijn dagelijkse leven. Via mijn werk kan ik ook een steentje bijdragen aan de professionalisering van een deel van de organisatie.”
Het Dekenaat Amsterdam valt onder het bisdom van Haarlem. De bisschop heeft in 2004 een nota “Nieuwe tijden, nieuwe wegen” uitgebracht, waarin de organisatie van bisdom en dekenaten gewijzigd werd. Het aantal dekenaten werd teruggebracht tot drie. Voor Amsterdam betekende dit een fusie met Hilversum en Meerlanden. Het werkgebied omvat 14 regio’s en 65 parochies in de provincies Noord-Holland en Flevoland. De besturen van de dekenaten zijn verdwenen. De verantwoordelijkheid voor het beleid ligt geheel bij het bisdom, waardoor de lijnen helderder geworden zijn. Speerpunt van nu is de regiovorming. Door intensieve samenwerking en bundeling van krachten op het gebied van pastoraal personeel, gebouwen en financiën hoopt men een nieuw fundament te leggen voor kerk-zijn nu en de toekomst.Het dekenaal centrum ondersteunt de parochies en de regio’s. Het team bestaat uit stafmedewerkers op de terreinen regiovorming en kerkopbouw, catechese, vorming en toerusting, jongerenwerk en diaconie. De deken van Amsterdam staat aan het hoofd, de coördinator heeft de dagelijkse leiding. Het werk van het dekenaal centrum wordt ondersteund door beleidsuitvoerende dekenale commissies. Zij worden weer aangestuurd door diocesane commissies.
Dea Broersen vertelt, dat zij niet de eerste vrouw is, die in de RK kerk deze functie bekleedt, maar dat zij op dit moment wel de enige is in Nederland. Zij is gekozen omdat zij veel ervaring en kennis had in de organisatie. Hoewel zij zich met de organisatie bezighoudt, heeft zij geleerd dat zij niet alles moet willen regelen. “Soms moet je dingen wat meer op hun beloop laten en de ontwikkeling daarin een kans geven.” Dit heeft voor haar te maken met vertrouwen, zowel om te schenken als te krijgen.
De veranderingen, zoals in het bisdom Haarlem, zijn bedoeld om de katholieke kerk een nieuw fundament te bieden voor de toekomst. Zij heeft er vertrouwen in. Zij is het eens met deken Bakker van Amsterdam, wanneer die zegt: “ Er is één ding dat nooit zal veranderen, namelijk dat wij een boodschap hebben.” Zij voegt daaraan toe: “We hebben iets te vertellen, we hebben vanuit onze rijke traditie iets te bieden! Wij moeten de juiste wegen zoeken om die boodschap te laten landen. Maar wat de organisatie bezieling geeft, wat de structuur ten diepste draagt, is niet te regelen door mensen.” ‘Als de Heer het huis niet bouwt, werken de bouwers tevergeefs’ (psalm 127). Volgens Dea Broersen vraagt dat een groot vertrouwen en geloof. “Wie van daaruit leeft en werkt, zal ondanks alles altijd nieuwe wegen vinden om verder te gaan.”
Rubriek KOLOM: de column in Mozaïek
Noortje van Oostveen
Schelden doet wel zeer
Als roodharig meisje ben ik heel
wat uitgescholden. Het ‘rooie stop je haar in je zak er komt een stier
aan’ was nog het minst erg. ‘Vuurtoren zonder licht, rotmeid snertgezicht’
was al een stuk heftiger. Mijn moeder troostte mij dan door te zeggen dat niemand
zulk mooi haar had als ik, en besloot steevast met: ‘je moet maar denken, schelden
doet geen zeer’. Maar dat deed het wel. Nou is schelden en pesten onder kinderen
van alle tijden. Maar de laatste jaren neemt het groteske vormen aan.
En in de wereld van de volwassenen is het al niet veel beter.
Een PVV-Kamerlid zei dezer dagen in NOVA-tv tegen de burgemeester van onze stad:
“U bent de slechtste burgemeester van Nederland.” Cohen had natuurlijk zijn
schouders kunnen ophalen, maar hij zei dat de man weliswaar het recht had dit
te zeggen maar het wel onnodig grievend te vinden. Het deed dus wel degelijk
zeer. De politicus herhaalde zijn woorden niettemin. Of juist daarom?
Nou ben ik zelf niet vies van duidelijke taal en er glipt van schrik ook wel
eens een scheldwoord uit mijn mond. Maar schelden om te schelden is iets anders.
Voor sommigen staat het recht op vrije meningsuiting gelijk aan het recht om
te kwetsen. Natuurlijk moet ik mijn mening kunnen geven, ook als ik daarmee
een ander mens kwets. Iemand ‘de waarheid’ zeggen kan behoorlijk hard aankomen.
Maar het gaat om het beoogde doel. Wil deze politicus de burgemeester overtuigen
dat hij een ander beleid moet voeren? Welnee. Ik heb sterk de indruk dat hij
zijn eigen frustratie botviert door Cohen te beschimpen. Dat hij weet dat er
eigenlijk geen verweer is tegen schelden, ook al omdat een burgemeester zijn
waardigheid moet behouden. Of hoopt hij hem te verleiden tot terugschelden?
Zou hij dat als een succesje zien?
Maar dan zijn we echt ver van huis. Schelden en kwetsen als doel op zich is
niet ongevaarlijk omdat het de menselijke verhoudingen geen goed doet. En van
goede menselijke verhoudingen moeten we het toch hebben in deze stad. Schelden
doet wel zeer.
Noortje van Oostveen verzorgt
dit jaar KOLOM. Zij is voorzitter van de Vrienden van de Mozes en sinds jaar
en dag buurtbewoner. Haar beroep is media-adviseuir, - trainer en - manager.
Mozaïek
november 2007
Mozes
& Aäronkerk, een kerk voor iedereen
In 1990, toen de Mozes & Aäronkerk nog nauwelijks bekomen was van een grote restauratie en de officiële heropening in aanwezigheid van H.M. de Koningin nog moest plaats vinden werd de eerste Mozeshuis kerstavondviering gehouden. Sindsdien is het een traditie geworden. Het is geen traditionele kerstviering al ontbreken elementen als het lezen van het kerstevangelie uit Lucas en het zingen van bekende kerstliederen geenszins. De viering reflecteert waar het Mozeshuis het hele jaar mee bezig is. Daarom zijn er bijdragen uit andere godsdiensten, zoals jodendom en islam, maar ook Amsterdamse hindoes en boeddhisten en mensen die geen geloof aanhangen doen actief mee. Het is de ontmoeting tussen mensen van verschillende achtergrond en geloof die we belangrijk vinden. Door het jaar heen en zeker op kerstavond. Zoals aan het eind van de viering altijd samen met de kinderen gezongen wordt: ‘Kerstmis is een feest voor iedereen’. Zo wil de Mozes & Aäronkerk ook zijn, een kerk voor iedereen.
Lompen en smoking
De Amsterdamse maatschappij met al zijn verschillen is niet weg met kerst. De eerste viering kreeg zelfs expliciet de ondertitel mee ‘voor mensen in lompen en in smoking’. In die tijd was coördinator Jan Ruijter, voorzitter van het crisisteam winteropvang daklozen. Hoe zouden we hier kunnen zingen dat ‘Midden in de winternacht de hemel open ging’ als we daklozen niet zouden toelaten. Veel smokings waren er toen niet te bekennen en de meeste daklozen hadden ook geen lompen aan. Het orkest van het Leger des Heils verzorgde de muziek en met een kop warme erwtensoep in de maag ging iedereen na afloop weer de kou in. De smokings kwamen een paar jaar later toch, toen leden van de Rotary in de Mozes & Aäronkerk de (deels) dakloze gasten bedienden tijdens het traditionele kerstdiner van het Leger des Heils.
In de jaren dat het Mozeshuis ‘Leven met aids’ hoog op zijn agenda had, was dat ook tijdens de kerstviering merkbaar. Mensen van de aidsbijeenkomsten kwamen hier kerst vieren, hoewel velen niets meer met kerk of geloof hadden. Hier wilden ze een kaars opsteken om hun geliefden te gedenken of een hart onder de riem te steken. Nu kunnen mensen wenskaarten invullen en ophangen. Sinds de veelkleurige Antoniusschool uit de Nieuwmarktbuurt in de Mozes & Aäronkerk met zijn kerstmusicals begon, kwamen er ook meer buurtbewoners en is er een eigen programma voor kinderen bij gekomen.
Wie de Mozes & Aäronkerk op kerstavond bezoekt, weet na afloop precies waar het Mozeshuis het hele jaar door mee bezig is en voor staat. Behalve mensen die we van allerlei activiteiten kennen , komen er ook vele ‘onbekenden’. Of liever, dat dachten wij. De mensen zelf vonden zichzelf helemaal niet zo onbekend, omdat ze hier toch al jarenlang met kerstavond komen. Steeds meer mensen blijven na afloop nog even na voor de traditionele Glühwein en kerstbrood.
Actiekerk
De Mozes & Aäronkerk was sinds de jaren zeventig één van de eerste multi-functionele kerken in Nederland. Maatschappelijke zaken moesten ook in een kerk aan de orde gesteld kunnen worden. Geloven was niet alleen een ritueel op zondag maar had ook door de week zijn betekenis. De kerk werd dan ook voor andere dingen gebruikt dan strikt kerkelijke. Er waren politieke manifestaties, er was twee keer een asielverlening voor illegaal verklaarde gastarbeiders, de kerk werd eindpunt voor demonstraties etc. Ook met tentoonstellingen en conferenties werd het onrecht in de wereld aan de kaak gesteld. De naam actiekerk viel en de Mozes & Aäronkerk was er trots op. Soms waren die acties geïnspireerd door religieuze opvattingen, meestal niet. Sommigen vonden dat de kerk zo zijn status als kerk verloor, terwijl anderen juist van mening waren dat de kerk nu eindelijk zijn ware bestemming had gevonden. De grootste groep mensen, die van kerk en geloof afstand had genomen, kon het niks schelen. Men vond dat hier uitstekende dingen plaatsvonden. Zo was de Mozes & Aäron ‘kerk’ voor iedereen. Die laatste, volledig geseculariseerde groep, wist overigens wel waarvoor een kerk gebouwd was en wat mensen in een kerk deden. Ze hadden er in hun jeugd (soms tot hun verdriet of verveling) zelf genoeg tijd doorgebracht.
Geloof als issue
Een generatie verder is de situatie veranderd. Heel veel mensen in Amsterdam weten absoluut niet meer wat er in een kerk gebeurt. Ze zijn er niet mee opgegroeid. Of ze leven met beelden van vroeger, die geen aansluiting meer hebben met de huidige praktijk. Dat geldt zeker voor jongeren, van wie een groot deel nog nooit in een kerk geweest is. Ook tijdens de kerstavondviering merken we de afgenomen kerkelijkheid. Traditionele kerstliederen kent men wel van de kerst-cd of de muzak in het winkelcentrum, maar zelf zingen is er niet (meer) bij. Tegelijk leven al die mensen in een stad die door de komst van grote groepen moslims, niet westerse Christenen, maar ook hindoes en boeddhisten opeens veel meer gelovigen telt. Op straat en op school is dat overal te merken. Opeens is niet-gelovig zijn niet meer zo gewoon als tien, twintig jaar geleden. Hoe je omgaat met gelovigen en niet-gelovigen is plotseling een issue geworden.
Lage drempel
De kerstavondviering van het Mozeshuis vervult nog steeds de rol om ‘de maatschappij in de kerk te brengen’, maar nu ook ‘de kerk’ in de maatschappij. Kerk niet in de zin van een bepaalde kerk of een bepaalde geloofsrichting. Het Mozeshuis is een onafhankelijke stichting zonder kerkelijke of geloofsbinding. Maar wel via het kerkgebouw met al zijn beelden en symbolen en de kerstviering, met zingen en spreken over en vanuit geloofsovertuigingen. De Mozes & Aäronkerk heeft door alle maatschappelijke activiteiten een lage drempel gekregen. Daarom is het een goede plek geworden om over geloof en zingeving te spreken, uitleg te geven over wat dit gebouw tot deze mooie kerk heeft gemaakt en hoe daar eeuwen lang gelovige mensen bijeen zijn gekomen voor gebed en viering. Dat geldt zowel voor de interreligieuze dialoog - tussen mensen van verschillend geloof - als voor de dialoog tussen gelovigen en niet-gelovigen.
Scholenproject
Dit jaar werd het Mozeshuis benaderd door het Montessori Lyceum. Samen met het Amstellyceum hadden ze voor de HAVO 4 klassen een gezamenlijk project bedacht over religie, waarbij zowel een synagoge, een moskee, een protestantse en een katholieke kerk bezocht zouden worden. En of de Mozes & Aäronkerk als ‘katholieke’ kerk daaraan wilde meewerken. Nu hadden we in het begin wat aarzelingen. Een katholieke kerk met een levende parochie is de Mozes & Aäronkerk al tientallen jaren niet meer. En wie meer wil weten over het leven van een katholieke parochie kan beter elders terecht. Maar toen we er meer over hoorden werden we enthousiast. Het interessante van het project ligt ook in de samenwerking van leerlingen van beide scholen. Het Montessori lyceum is, naar eigen zeggen een ‘witte’ school, terwijl het Amstellyceum grotendeels ‘een zwarte’ school is. De meeste leerlingen van het Montessorilyceum weten volgens de docenten niets van kerk en geloof, de Amstellyceum leerlingen zijn in meerderheid moslim en gelovig. Met alle wederzijdse vooroordelen van dien. In kleine gemengde groepjes krijgen de leerlingen nu opdrachten die ter plekke uitgewerkt moeten worden. Zo leren ze elkaar kennen en leren ook iets over wat mensen bezield die naar moskee, synagoge en kerk gaan. Eind januari was de eerste keer dat de Mozes & Aäronkerk werd bezocht, in november wordt het project herhaald. De eerste keer is er van het project ook een DVD gemaakt, die andere scholen kan inspireren ook met iets dergelijks voor hun leerlingen te beginnen. Natuurlijk pretendeert zo’n bescheiden project niet dat deze leerlingen alles over kerk en geloof weten of zelfs hun vooroordelen over gelovigen of ongelovigen meteen kwijt zijn. Het maakt hopelijk wel nieuwsgierig anderen eens aan te spreken over wat hen inspireert of zelf een gebedsruimte binnen te stappen. Dat is in een stad waar de verschillen, ook tussen jongeren, groot zijn, niet slecht.
Zo is de Mozes & Aäronkerk weer als kerk ontdekt. Niet in de zin van een plaats van gebed voor een vaste groep gelovigen van een bepaalde richting. Maar als plek van ontmoeting en van lering voor mensen van verschillende achtergrond. Lering ende vermaek hopen we dan maar. Dat niemand zich hoeft te vervelen bij lange preken, maar in dit prachtige monumentale gebouw samen met anderen actief op zoek gaat naar wat mensen in hun leven inspireert. ?
Allochtonen zijn geen patiënten
rubriek Amsterdam tussen Trots en Ergernis
30 jaar terug kwam ik, Ahmed El Mesri, uit Marokko naar Amsterdam. Ik deed wat nodig was. Ik leerde de taal en ging studeren. Ik studeerde op de Sociale Academie en volgde verschillende sociaal culturele cursussen. Ik werd lid van diverse verenigingen waarin ik bestuursfuncties bekleedde. Vervolgens werkte ik 15 jaar met veel plezier als sociaal-medische tolk. Ik raakte zo vergroeid met Amsterdam en haar mensen dat ik me niet kon voorstellen dat ik ooit ergens anders had gewoond.
Terwijl ik me ontwikkelde viel het mij op dat een deel van mijn allochtone medemensen bleef steken. Ik vroeg me af: waarom? Ik zag dat deze groep zichzelf als ziek en als patiënt ervoer. Patiënt zijn betekent geduld hebben, wachten totdat je weer beter bent of een ander je weer beter maakt. En in dit wachten zit het probleem. Een mengelmoes aan organisaties houdt dit ook in stand door de allochtoon ook als zodanig te behandelen. Telkens weer wordt er een ‘nieuw medicijn’ ontworpen om de ‘allochtone patiënt’ te genezen.
Maar ik zag geen patiënt; ik zag een nieuwe Amsterdammer die het verdient om hier ook op aangesproken te worden. Geen patiënt die ‘lijdt’, maar een burger die (zijn eigen leven) ‘leidt’ en daarvoor verantwoordelijkheid neemt.
Ik richtte daarom Assadaaka/Onze
Hoop op, de multiculturele Europese vereniging voor vriendschap in Nederland.
Assadaaka, het Arabisch woord voor vriendschap, is actief vanuit stadsdeel
Zeeburg, maar werkt ook in andere delen van de stad. Bij Assadaaka komen
mensen uit verschillende culturen en milieus bij elkaar. De basis van waaruit
gedacht en gewerkt wordt is de Nederlandse taal en de Amsterdamse/Nederlandse
cultuur. Daarom leer je bij Assadaaka de Nederlandse taal in onze taalschool.
Nederlandstalige vrijwilligers helpen met de taal en leren tegelijk hun mede-Amsterdammers
die moeite met de taal hebben, beter kennen. De Nederlandse taal is de
basis voor alle activiteiten. We houden thema-avonden over onderwerpen als zorg
en politiek, maar ook organiseren we tijdens de Ramadan iftar-maaltijden.
Men kan verder de hele week bij Assadaaka terecht met allerlei vragen op juridisch,
medisch en sociaal terrein tijdens de speciaal daarvoor bestemde spreekuren.
Assadaaka staat voor goed burgerschap.
Wanneer ben je een goede burger? Wat betekent dat? Ik denk dat een goede burger
een mens is die bijdraagt aan het welzijn
van zijn buurman, buurvrouw en zijn omgeving. Men heeft respect voor elkaar.
Assadaaka is een plek waar mensen, allochtoon en autochtoon, elkaar ontmoeten. Een ieder die daarom vraagt wordt geholpen. Veel mensen vinden hier rust en krijgen de mogelijkheid om zich te ontwikkelen. Het hart van de werkmethode is dat er veel autochtone vrijwilligers geplaatst worden om de integratie wederzijds te bevorderen. Dat zijn er wel zo’n 60.
30 jaar na mijn eerste stap op Amsterdamse bodem is het mijn wens dat de visie van Assadaaka m.b.t. het migratievraagstuk, als leidraad gebruikt wordt in Amsterdam/Nederland. Dat we tot gezamenlijk beleid komen, dat een breed draagvlak vindt onder de gehele Amsterdamse/Nederlandse bevolking.
‘I Amsterdam’ geldt dus ook voor mij. Daar ben ik trots op. Ik doe 100% mee en samen met Assadaaka wil ik een brug zijn tussen allochtonen en autochtonen’. Wij zijn immers allemaal Amsterdammers!
Ahmed El Mesri
Ahmed El Mesri is oprichter en voorzitter van Assadaaka, actief in de SGOA, voorzitter werkgroep migranten met een handicap en bestuurslid van ZeeburgINclusief (ZIN) de belangenvereniging van gehandicapten en ouderen. Meer info op www.assadaaka.web-log.nl of www.assadaaka.tk
Amsterdam tussen trots en ergernis
is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse)
samenleving. Reacties welkom!
Interview met directeur
Lidy klein Gunnewiek
“Amsterdam Wereldboekenstad is een heel
veelzijdig project.”
Lidy klein Gunnewiek is directeur van het Projectbureau van Amsterdam Wereldboekenstad. Zij spreekt als hoofdinleider bij de opening van de Winteracademie.
Hoe wordt een stad Wereldboekenstad?
Lidy klein Gunnewiek: “ De titel wordt toegekend door de UNESCO. Elk jaar is
weer een andere stad wereldboekenstad. Amsterdam heeft hiervoor ook geopteerd.
Er is een paar jaar geleden een ‘bidbook’ gemaakt door een initiatief vanuit
het boekenvak. Hierbij waren betrokken: de Universiteit van Amsterdam,
afdeling Bijzondere collectie, de CPNB, de Openbare Bibliotheek Amsterdam, Stichting
Lezen, de Uitgevers- en Boekverkoperwereld en een literair podium. Amsterdam
is nu wereldboekenstad van 23 april 2008 (World Book & Copyright Day) tot
en met 22 april 2009.
Is er ook een thema?
“Ja, het thema is ‘Open Boek’. Hiermee willen we aangeven dat het niet alleen
gaat over boeken, maar ook over lezen, schrijven en de vrijheid van meningsuiting,
een zeer actueel thema. Amsterdam heeft hierin een rijke traditie. Reeds
in de Gouden Eeuw vonden schrijvers, die op de vlucht waren voor onderdrukking
hier een plek. Ook Arabische boeken werden hier uitgegeven.”
Spinoza, Anne Frank en Annie M.G.
Schmidt zijn gekozen als iconen. Waarom is dat?
“Deze mensen zijn gekozen om iedereen duidelijk te maken dat lezen en schrijven
van boeken iets veelzijdigs is. Spinoza staat voor de wetenschap en de
vrijheid van meningsuiting. In 2008 verschijnt er een goed leesbaar boekje over
zijn ideeën om iedereen hiermee kennis te laten maken. Via Anne Frank willen
we ook de toeristen bereiken. Annie M.G. Schmidt is gekozen om de veelzijdigheid
van haar werk, niet alleen om de kinderboeken, maar ook om bijvoorbeeld
gedichten en liedjes.
Met deze iconen willen we aangeven dat boeken dicht bij mensen staan. Iedereen,
ook wie niet kan lezen, weet wat een boek is. Over alle onderwerpen bestaan
boeken en daardoor is een boek zo boeiend. Denk maar aan prentenboeken, beeldboeken,
grote letterboeken, luisterboeken, reisverslagen, kookboeken, strips. Het is
zo’n veelzijdig onderwerp. En het past zo goed bij Amsterdam. Dat
willen we ook laten zien in het beeldmerk dat ontworpen is door Werf 3. De vormgevers
hebben zich laten inspireren door de bekende grachtenpanden in Amsterdam. Het
logo kun je zien als de ruggen van een aantal boeken, maar het verwijst dus
ook naar de gevels van grachtenhuizen. De kleur rood is de kleur van de stad
Amsterdam.”
Hoe bent u voor dit project gaan
werken?
“Ik werkte al enige tijd in Amsterdam, toen ik in 2004 gevraagd werd voor
Nijmegen 2005, een project rond de oudste stad van Nederland. Men wilde in Nijmegen
een aantal evenementen organiseren. Hiertoe behoorden ook literaire projecten.
Ik was vooral bezig met de zakelijke kant van het gebeuren en deed
dit werk naast mijn baan in Amsterdam.
Ik heb een culturele achtergrond en ervaring met de zakelijke kant. Dat kon
ik allebei mooi inzetten. Zo werd ik zakelijk directeur van Podium Lux in Nijmegen
en vervolgens van het Nederlands Instituut voor Mediakunst in Amsterdam.Vorig
jaar ben ik samen met een aantal anderen door het bestuur van Wereldboekenstad
gevraagd te solliciteren als directeur.”
Hoe wordt het project gefinancierd?
“Als start is er een subsidie van 7 ton gegeven door de stad Amsterdam.
Hiervan worden de overkoepelende Public Relations en de Marketing betaald. Daarnaast
is er voor de diverse evenementen nog 1,4 miljoen nodig, dat door subsidies
en sponsoring bijeen gebracht moet worden. Het is ook één van
mijn taken om daarvoor te zorgen.”
Wat spreekt u zelf aan in dit
project?
“De veelzijdigheid. Overal ter wereld zijn er verhalen die de moeite waard
zijn om door te vertellen. Daarom is dit ook zo’n mooi project voor de stad
Amsterdam en voor Nederland. Je kunt samen met anderen op zoek gaan naar
nieuwe verbindingen tussen mensen. Soms zijn twee of meer groepen bezig met
hetzelfde onderwerp maar weten dat niet van elkaar. Het is dan prima om samen
te zoeken naar nog een beter product.” ?
Voor meer informatie: www.amsterdamwereldboekenstad.nl
Maartje Romme ontvangt
eerste Religieuzenprijs
voor haar inzet voor drugsverslaafden
De moed om de angst los te laten
Op 17 oktober jl ontving Maartje Romme in een volle Mozes & Aäronkerk de Religieuzenprijs 2007. Deze prijs is ingesteld door de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). De prijs bestaande uit een beeldje van Math van Campen en een geldbedrag, is voor een persoon of een project waarin de bewogenheid die religieuzen traditioneel hebben voor mensen in de marge op een verwante manier aan de orde komt. Zo wil de KNR mensen bevestigen die zich met hart en ziel inzetten voor vormen van vorming, zorg of missie, waarin plaats is voor betrokkenheid, bezieling, liefde, respect en humanisme. De eerste keer was zorg het aandachtsgebied. 47 projecten waren aangemeld van stervensbegeleiding tot straathoekwerk. Uiteindelijk koos de jury voor Maartje Romme vanwege haar inzet voor drugsverslaafden. Dat begon met de begeleiding van een zwaar verslaafde man en leidde inmiddels tot een voor Nederland nieuwe aanpak (het Minnesota Model) die o.a. via de stichting Hersteltraject sinds kort in Amsterdam in praktijk gebracht wordt. Naast bijdragen vanuit de KNR en van Maartje Romme zelf, was er ook een toespraak van Huub Oosterhuis.
Weg uit de verslaving
Bij uitreiking van de prijs gaf KNR voorzitter Tjeu Timmermans o. carm. tegen Maartje Romme duidelijk aan waarom zij de prijs kreeg: “Omdat u vanuit een bewogenheid om God en mensen het heeft aangedurfd te pionieren, met een zwaar verslaafde man onderweg te zijn en met hem te zoeken naar een weg uit de verslaving.(..) Het werd een uitputtingsslag, die u langs alle mogelijke vormen van hulpverlening hier in Nederland voerde. U raakte teleurgesteld, omdat de zorg, de aandacht, de liefde en de spiritualiteit niet voelbaar waren in de hulpverlening die in Nederland geboden wordt. Uiteindelijk kwam u Hazelden op het spoor, de meest gerenom-meerde verslavingskliniek in Amerika, waar dat wel het geval was. Na een lange weg van vallen en opstaan is de verslaving onder controle.”
Als verschil met de behandeling hier zei Maartje Romme zelf in een interview in VolZin: “De verantwoordelijkheid voor de situatie wordt daar bij jezelf gelegd, maar zonder moralisme. Je leert je overgeven aan God of aan iets groters dan jezelf en ervaart de bevrijding die dat meebrengt. Stapje voor stapje leer je je angsten los te laten en te leven met de realiteit zoals die is met alle onzekerheid van dien. Dat is het spirituele element. Het is een soort vergeestelijking tegenover een grijpen naar houvast. Bovendien hebben alle begeleiders daar zelf een verwerkt verslavingsverleden. Om een ander de weg te wijzen moet je zelf de weg kennen.”
Spiritueel ontwaken
In haar antwoord bij het ontvangen van de prijs met als titel Van angst en liefde voegde zij daar nog aan toe dat de weg uit de verslaving voor iedereen een spiritueel ontwaken is. “Het verslavingspatroon dat alcoholisten en drugsverslaafden hebben ontwikkeld mag dan in essentie niet anders zijn dan de verslavingsdynamiek die wij allemaal kennen (angst bestrijden met middelen van buiten) de middelen (drugs) zelf zijn uiterst destructief en maatschappelijk ongeaccepteerd. Maar het vervangen van een maatschappelijk niet geaccepteerd middel door een maatschappelijk wel geaccepteerd middel is niet effectief. De oplossing voor dit patroon ligt buiten die dynamiek. In het loslaten van de angsten, in een spiritueel antwoord.” ?
De lezingen die tijdens deze prijsuitreiking zijn gehouden vindt u op www.knr.nl
Rubriek KOLOM: de column in Mozaïek
Joke Kniesmeijer
Wasecht
Een oude vriend van me, een Duitse
jood van dik in de tachtig, vertelde eens dat hij als zevenjarig jongetje spelend
op het strand door een vriendje werd gevraagd: Bist du ein waschechter Deutscher?
Ja ! zei hij, maar hij bleek zich vergist te hebben: toen hij het diploma reddend
zwemmen wilde halen werd hij als jood geweigerd, teneinde zijn landgenoten de
schande te bewaren door een jood uit het water gered te worden. Er was
een tijd dat je niet èn jood èn Duitser kon zijn. Dat bracht me
bij de vraag - bestaat de wasechte Nederlander?
De door Máxima (lees: de regering) ingezette discussie over de Nederlandse
identiteit is er een van het soort waarbij eigenlijk iedereen gelijk heeft.
Nee, natuurlijk bestaat DE Nederlander niet, maar ja, er zijn onmiskenbaar mensen
en zaken die wel degelijk hartstikke Nederlands zijn. In verre buitenlanden
kan ik ze er vaak op grote afstand uitpikken. Waar ligt dat aan? Hun manier
van bewegen, hun omgaan met elkaar, hoe ze zich gedragen? Het blijft een
fascinerend raadsel. Wat mij nu echter het meest frappeert is het feit
dat er überhaupt een discussie over de Nederlandse identiteit is. Ik vond
het vroeger bijna zielig als ik zag met welk vertoon de Fransen hun Quatorze
Juillet vierden, of de Amerikanen met hun hand op het hart uit volle borst naast
de Stars and Stripes het volkslied zongen. Dat hadden wij in Nederland toch
niet nodig, dat gekke vertoon! Maar de tijden zijn volkomen veranderd. We hebben
nu een premier die ons oproept trots te zijn op Nederland (de VOC-mentaliteit!),
iets wat ik nou weer belachelijk en totaal onnederlands vind. Hoe kan
je nou trots zijn op iets waar je niets voor gepresteerd hebt? Dat is de merkwaardige
dubbele boodschap van Balkenende- hij laat Máxima zeggen dat DE Nederlander
niet bestaat, maar appelleert tegelijkertijd met nationalistisch tromgeroffel
aan een roemrucht Nederlands verleden. Er zijn vele ingewikkelde discussies
te voeren die met de Nederlandse identiteit te maken hebben, maar over één
ding kunnen we het eens zijn: de vraag Bist du ein waschechter Holländer
is niet te beantwoorden.
Joke Kniesmeijer verzorgde dit jaar vier keer deze rubriek. Zij is geboren en getogen Amsterdamse. Zij werkte voor de Anne Frank Stichting en maakte als freelancer wereldwijd tentoonstellingen over de Holocaust. Zij is oud-voorzitter van het Mozeshuis.
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Maria Hoeffnagel van het APCP en Platform Mantelzorg
Belangenbehartiging voor mensen die door handicap, ziekte of andere sores in moeilijke omstandigheden verkeren en steun en advies goed kunnen gebruiken. Dat is het werk dat Maria Hoeffnagel (47) van het Amsterdams Patiënten/ Consumenten Platform (APCP) en het Platform Mantelzorg de laatste jaren meerdere keren naar Mozeshuis en Mozes & Aäronkerk heeft gebracht. Ook nu vindt het gesprek plaats tussen twee van ‘haar’ conferenties, die het APCP hier organiseert: 27 september ‘De regie aan de burger’ en 20 november over WMO en belangenbehartiging. Eigenlijk is belangenbehartiging ‘voor’ niet de goede term Voor Maria is het belangenbehartiging ‘met’ de mensen. Patiënten en consumenten doen het uiteindelijk zelf. Dat weet ze ook uit eigen ervaring, toen chronische ziekte haar jarenlang in de WAO hield. Als ik haar vraag wat werken bij het APCP voor haar de moeite waard maakt, zegt ze: “Behalve dat ik daar heel veel nieuwe dingen kan ontwikkelen, telt ook mee dat je bij het APCP kunt zijn wie je bent. Ieder mens heeft sterke en minder sterke kanten. Dat is helemaal niet erg.” Om er direct aan toe te voegen: ‘Daarom komen we ook graag bij het Mozeshuis, omdat we denken dat dat hier ook herkend wordt.”
Pedagogiek
Maria is geboren en getogen in Den Haag en heeft in Amsterdam pedagogiek gestudeerd. Sindsdien is ze niet meer uit Amsterdam weg geweest. “De studie heb ik als heel verrijkend ervaren”, zegt ze, “maar toen ik in 1985 afgestudeerd was, bleek een baan als pedagoog niet zomaar te vinden. De markt was eigenlijk verzadigd.” Om toch een beetje in de buurt van haar studie te blijven, meldde ze zich als vrijwilliger bij het Adviesbureau voor Kinderbeschermings Konflikten (A.K.K.) Een jaar of drie was ze bezig om ouders bij klachtenprocedures terzijde te staan tot er zich bij het ABP de mogelijkheid voordeed voor een tijdelijke betaalde baan. Op het bureau Wet Bijzondere Pensioenen Indisch Verzet werd zij belast met verificatie onderzoek van personen die een WIV uitkering hadden aangevraagd. Tijdelijk was een jaar of twee; daarna solliciteerde ze naar de functie van Sociaal Raadsvrouw bij de Gemeente Hilversum. “Dat was ik natuurlijk niet en ik werd ook niet aangenomen, maar ze vroegen wel of ik beschikbaar was voor de vervangerspool. En toen was ik het alsnog. Ik werd ingeschakeld bij het spreekuur, waar ook maatschappelijk werkers kwamen. Onderwijl deed ik de basisopleiding. Dat heb ik niet lang gedaan, want in 1992 kreeg ik de ziekte van Pfeiffer en dat resulteerde in het chronisch vermoeidheidssyndroom waar ik tien jaar last van heb gehad. Ik belandde in de WAO.”
Toch kunnen die tien jaar moeilijk als verloren jaren gezien worden. Maria werd lid van de STAV, de Steungroep Arbeidsongeschikte Vrouwen. Samen met Mascha Oosterbaan ging ze themabijeenkomsten en spreekuren organiseren voor haar lotgenoten. Zij ontwikkelde een cursus als voortraject naar reïntegratie. “Zo bouw je samen aan vertrouwen dat je in het gewone reïntegratietraject naar een baan van pas kan komen. Binnen een groep lotgenoten is de druk immers veel minder.” Langzamerhand leidde dat ook tot vragen van anderen. Zo is Maria benaderd voor het geven van studiedagen aan een hogeschool en wordt ze gevraagd lezingen te geven. In 2004 ben ik als begeleidster betrokken geweest bij een intervisieproject voor de FNV- Vrouwenbond. In 2006 heb ik op basis van dezelfde intervisiemethodiek voor hen arbeidsongeschikte vrouwen via chat-box-sessies begeleid. . Sommige vrouwen verkeren zodanig in een isolement, dat ze niet zomaar naar een bijeenkomst durven, maar wel via de computer over hun problemen willen praten.
Platform Mantelzorg
In 2003 belde de directeur van het APCP of ze vanwege ziektevervanging het onderzoeksproject “Wat houdt ons gek?” wilde afmaken. Toen dat een mooi boekje had opgeleverd, werd ze gevraagd om het Platform Mantelzorg voor Amsterdam en Diemen mee op te richten en als coördinator te leiden. Dat is meer dan goed gelukt, met een tiental trouwe vrijwilligers in allerlei werkgroepen en een panel van zo’n 300 mantelzorgers op afroep. Zo werd een symposium over Mantelzorg en verpleeghuizen in de Mozes & Aäronkerk georganiseerd en een boekje met portretten van mantelzorgers uitgegeven. Het Platform wordt nu steeds meer door overheid en politieke partijen benaderd om advies te geven. “Binnenkort gaan we een voorlichtingsfilm maken voor jonge allochtone mantelzorgers. En we werken aan projecten als mantelzorg en wonen. Mantelzorg is volop in ontwikkeling, dus voorlopig is er genoeg te doen.”
Omdat het Mozeshuis ook op dit terrein
actief is, zal ‘thuis in het Mozeshuis’ voorlopig nog wel op Maria Hoeffnagel
van toepassing zijn. ‘Oh, zegt ze, aan het eind van het gesprek, met de STAV
ben ik vroeger natuurlijk ook wel in het Mozeshuis geweest.” Zo zie je maar.
Mozaïek september 2007
“Voor een sterk, sociaal en tolerant Amsterdam”
Cor Bon, directeur Mozeshuis
Omdat er geregeld vragen zijn waar het Mozeshuis en de Mozes & Aäronkerk voor staan, hebben staf en bestuur van het Mozeshuis zich de afgelopen maanden gebogen over het opnieuw formuleren van het beleid van het Mozeshuis. Het resultaat van die inspanningen is vastgelegd in een notitie. Daarin staan bekende punten maar er zijn ook nieuwe accenten. Dit najaar leidt dit al tot een aantal nieuwe activiteiten zoals de cursussen ‘Zin geven aan zorg verlenen’ en ‘Op weg naar de Gouden jaren’ (Zie hieronder).
De rode lijn in alle activiteiten is dat het Mozeshuis een bijdrage wil leveren aan een sterk, sociaal en tolerant Amsterdam, aan een leefbare en kleurrijke stad waarin ruimte is voor iedereen. Wij willen de zelfredzaamheid van Amsterdammers vergroten, maatschappelijke participatie bevorderen en sociale samenhang versterken. Volgens het Mozeshuis is daarbij doorslaggevend dat Amsterdammers elkaar beter leren kennen, elkaar ontmoeten en vervolgens samen aan de slag gaan. We volgen de maatschappelijke ontwikkelingen op de voet en spelen met onze activiteiten in op actuele vraagstukken en knelpunten. Daarbij kiest het Mozeshuis nadrukkelijk voor samenwerking met verwante organisaties.
Het Mozeshuis functioneert als een centrum voor educatie, ontmoeting, ondersteuning en solidariteit. Als Mozeshuis willen we informeren, inspireren en activeren. Dat doen wij door middel van educatieve activiteiten en het ondersteunen van organisaties en groepen. Met behulp van onze activiteiten willen wij zowel individuele burgers als groepen zoveel mogelijk de kans geven om zichzelf te redden en actief mee te doen in de samenleving.
Wij richten ons specifiek op vier groepen. Dat zijn 50-plussers, mensen die zich inzetten voor een sociale en tolerante samenleving, vrijwilligers en mantelzorgers en tenslotte dak- en thuislozen.
Het Mozeshuis is verantwoordelijk voor het beheer en de programmering van de Mozes & Aäronkerk. Daarin organiseren wij grootschalige educatieve activiteiten als Zomerschool en Winteracademie en symposia over actuele vraagstukken als mantelzorg en de islam in Amsterdam. Maar ook organiseren we maatschappelijke en culturele programma’s, bijvoorbeeld interreligieuze en levensbeschouwelijke bijeenkomsten, concerten en exposities. Daarnaast stellen wij deze prachtige accommodatie ook aan andere organisaties die een vergelijkbare inzet hebben beschikbaar en ondersteunen hen zo nodig bij het organiseren van activiteiten.
Wij realiseren ons dat het Mozeshuis als kleine organisatie zoiets nooit alleen kan realiseren. Gelukkig zijn we niet de enigen die deze doelen nastreven. We weten we ons gesteund door organisaties die hetzelfde voorstaan, door een overheid en door fondsen, die ons dit ook financieel mogelijk maken en door een achterban die ons kritisch volgt. We hopen daarom dat deze notitie niet voor kennisgeving wordt aangenomen, maar aanzet tot dialoog. We zien reacties dan ook met vreugde tegemoet.
De beleidsnotitie Mozeshuis
2008 is gratis verkrijgbaar. (020-6221305 of receptie@mozeshuis.nl)
Rubriek Amsterdam tussen Trots en Ergernis
Prachtmensen in Prachtwijken
Eén van de eerste goede voornemens van het nieuwe kabinet Balkenende was het omvormen van achterstandswijken tot prachtwijken. Een nieuw woord was geboren. Ik hoop dat het een succes wordt. Maar wat zijn prachtwijken zonder bewoners, die iets voor die wijk over hebben. Voor prachtwijken heb je toch minstens prachtmensen nodig. Daar zie ik er in mijn werk voor Platform Amsterdam Samen (PAS) gelukkig een hele hoop van. Amsterdam mag er trots op zijn en ik ben er trots op.
Al zo’n dertig jaar werk ik voor
verschillende organisaties en in verschillende functies aan de sociale cohesie
in Amsterdam. Sociale cohesie betekent dat Amsterdammers waar ze ook vandaan
komen goed met elkaar samen leven, samen werken en elkaar minstens als stadgenoten
herkennen. Daarom wil PAS ontmoeting bevorderen en polarisatie tegengaan.
In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw lag de nadruk in dat werk vooral op
het versterken van de mensen met een achterstand. Dat blijft belangrijk.
Maar nu werk ik met PAS aan een beleid om mensen die het goed hebben en mensen
die het slecht hebben, autochtoon en allochtoon meer en ook direct met
elkaar te verbinden. Waarom zouden de Amsterdammers met succes, dus de
excellerende, ambitieuze en creatieve types, de advocaten, ondernemers, schrijvers,
hoogleraren en kunstenaars, de mensen met geld, vrije tijd en een netwerk niet
iets voor die sociale cohesie kunnen doen? We zijn het hun gaan
vragen, maar soms was vragen niet eens nodig. Zo heb ik Paul Vreuls leren kennen.
Hij is de man die door het hele land voor de ANWB fietsroutes maakt. Na de moord
op Theo van Gogh in 2004 kwam hij naar me toe. Hij wilde wat doen voor de mensen
in zijn buurt. Uiteindelijk zijn dat fietstochten geworden voor buurtbewoners
die net hebben leren fietsen. Verschillende buurthuizen zijn namelijk bezig
met fietslessen voor allochtone vrouwen. Veel verder dan een rondje door de
gymzaal en over het schoolplein kwamen ze niet. Alleen op de fiets het Amsterdamse
verkeer in dat moet je ook maar durven als beginnend fietser. Maar nu wordt
er op zondagmiddag in de Watergraafsmeer verzameld en fietsen hele groepen met
Paul en met Cok Oosterveen langs de Amstel... op nieuwe goede fietsen, die we
van de Sparta Fabriek in Apeldoorn hebben gekregen. Ja, zo’n man als Paul Vreuls
heeft zijn contacten. Een prachtmens dus!
En er zijn veel meer voorbeelden. Vanuit PAS Amsterdam zijn we begonnen denktanks
op te zetten. In Zeeburg en de Baarsjes zijn die er al, binnenkort start die
in Zuid-Oost. In Zeeburg zitten daar mensen in als Suad Simek, internist
aan de VU, Evelien Tonkens, hoogleraar aan de UvA, Maika Mansouri, de eerste
Marokkaanse officier van justitie in Nederland en Liesbeth van Tongeren, directeur
van Greenpeace. Die laatste is bijv. met huiswerkklassen voor slimme kinderen
gekomen. Kijk als je ouders op het gymnasium hebben gezeten, dan heb je
extra hulp misschien niet nodig, maar als je de eerste uit je hele familie bent,
die naar een middelbare school gaat, dan kun je steun wel gebruiken. Zo’n idee
blijft dan niet aan zo’n denktank hangen, de bedoeling is dat anderen gaan meedoen.
Hier heeft het Internationaal Archief voor de Vrouwen Beweging al ingehaakt
en hebben we een oproep gedaan voor meer goed opgeleide mensen om te helpen.
Zoiets is leuk voor kansarm en kansrijk. Verder is er op initiatief van
een Amsterdamse ondernemer in de elektronica een fonds voor startende jonge
ondernemers gekomen. In dat project Suikeroom zit al € 700.000. Want als
de ene ondernemer meedoet, wil de andere niet achterblijven. Bakkie in de buurt,
Kruiwagens gezocht, DiversityJoy, Tussen Kunst en Kitsch in de Baarsjes, allemaal
goeie initiatieven die Amsterdammers met trots mogen vervullen. Veel ruimte
voor ergernis is er dus niet. Alleen hoor ik wel eens dat PAS-Amsterdam op zo’n
manier elitair bezig zou zijn. Maar als je al die prachtinitiatieven ziet:
zelfs aan zo’n opmerking kan ik me niet ergeren!
Mercedes Zandwijken
Mercedes Zandwijken is adviseur bij gemeentelijk projectbureau PAS. Meer info op www.pas.amsterdam.nl
Een cursus voor 55 +ers om plannen voor een mooie pensioen tijd te realiseren
Op weg naar de Gouden Jaren
Monica Neomagus heeft het in Pensioen in Zicht cursussen wel meegemaakt. Mensen die grootse plannen aankondigen: eindelijk die grote reis maken, nu weer een studie oppakken, verhuizen naar Drente of naar het buitenland. Het zijn grote of kleine idealen die jaren gesluimerd hebben, maar telkens weer ter sprake kwamen: “Als ik niet meer werk, als ik alle tijd voor mezelf heb, dan ...” Maar een paar jaar later blijkt er nog weinig of niets van gekomen te zijn. Het leven zonder de vaste structuur van werk en vrije tijd blijkt lastiger dan gedacht. Hoe moet je zoiets nu aanpakken ? Waar moet je beginnen ? Of, je hebt het met de gewone dingen al zo druk, kinderen die een beroep op je doen, op kleinkinderen passen, familie of kennissen die je hulp vragen, het komt er gewoon niet van. Tegelijkertijd is er dat vage gevoel: als ik het anders zou aanpakken, dan zou het misschien wel lukken of zou er meer van mijn plannen terecht komen.
Vanuit dat idee heeft psychologe Christina Bode een cursusmodel voor ouderen ontwikkeld om het anders aan te pakken: Op weg naar de gouden jaren. Ze noemt het een doe-training voor een gelukkig en zinvol ouder leven.
Monica Neomagus: “Christina Bode is een paar jaar geleden een keer in het Mozeshuis geweest om tijdens een Pensioen In Zicht (PIZ) cursus over Op weg naar de gouden jaren te vertellen. Dat viel toen heel goed. Bij PIZ stimuleren we mensen over hun toekomst na te denken. Maar er is geen tijd om dat uit te diepen en concreet te maken. Soms heb je na je pensioen eerst een jaar nodig om af te kicken van je werk en ben je daarna pas weer aan nieuwe dingen toe. Inmiddels heeft de Vrije Universiteit de cursus verder ontwikkeld en nu is het zover dat ook het Mozeshuis een dergelijk aanbod wil doen. In november gaat de eerste cursus Op weg naar de gouden jaren van start. Het is een cursus van vier bijeenkomsten en de groep bestaat uit zo’n 8 tot 10 mensen.
Iedereen kan trouwens meedoen. Je hoeft er geen PIZ cursus voor gevolgd te hebben of met pensioen te zijn. Leeftijdsgrenzen stellen we niet, al denken we dat de meeste mensen die meedoen zo tussen de 55 en 70 zullen zijn. Het enige dat we van deelnemers vragen is dat ze iets kiezen wat ze in de toekomst graag willen doen. Want we willen een bepaalde methode aanreiken die meer kans biedt om plannen te realiseren. Dat gebeurt met individuele opdrachten- er is bijv. ook enig huiswerk- maar ook worden er gezamenlijke oefeningen gedaan. Een kleine groep van mensen die met hetzelfde bezig is, kan je enorm stimuleren. Het sterke van dit model vind ik dat geleerd wordt je ook in gedachten voor te stellen hoe je het gaat doen en welke gevoelens je er bij hebt.
Op weg naar de gouden jaren is een beetje een prikkelende titel. Alsof er een pot met goud op de top van een berg staat en wij vertellen je in vier keer hoe je die top kunt bereiken. De kortste weg naar het geluk en succes verzekerd. Zo zit het leven, zeker als je ouder wordt niet in elkaar. We zeggen wel: Ga op weg, kijk wat je kunt bereiken. Neem je wens of ideaal serieus. Maar misschien kom je er halverwege achter dat je die top helemaal niet haalt of misschien zelfs op de verkeerde berg zit. Dan kan er door het volgen van de cursus toch wat veranderd zijn. Je kunt genieten van wat je bereikt hebt of de koers naar een ander doel verleggen. Daarnaast weet je inmiddels dat het concreet bezig zijn met plannen op zich al veel bevrediging geeft. Je blik wordt verruimd. Je bent anders naar je leven gaan kijken en ontdekt zo meer mogelijkheden.
We proberen de mensen dus ook weerbaar te maken om tegenslag de baas te worden Een zinvol leven staat of valt niet bij de uiteindelijke resultaten, maar bij wat je met jouw mogelijkheden uit het leven haalt. Dat je later niet hoeft te denken: had ik vroeger maar dit of dat gedaan. Als je het met een reis vergelijkt, is onderweg zijn en daarvan genieten zeker zo belangrijk als aankomen. Hoewel.. je ideaal bereiken geeft ook een heerlijk gevoel en die trots willen we niemand ontzeggen.” ?
De cursus Op weg naar de Gouden jaren bestaat uit vier bijeenkomsten op donderdag van 10.00 - 12.00 uur Start 8 november 2007 en kost € 50,-- Stadspashouders krijgen € 10,-- korting. Vraag een folder op 020-6221305 of klik door naar de speciale Gouden jaren pagina en lees daar hoe u zich hiervoor kunt aanmelden.
Rob Hoogenboom: Er is veel behoefte aan spiritualiteit
La Verna viert 10 jarig bestaan in M&A kerk
1 april 1995 nam Rob Hoogen-boom afscheid als stafmedewerker van het Mozeshuis. Daarmee vertrok hier de laatste franciscaan en dat was niet zomaar. Rob wilde meer met zijn franciscaan zijn doen dan hij in het werk bij het Mozeshuis kwijt kon. Hij nam na een jaar van bezinning en studie het initiatief tot La Verna, franciscaans centrum voor spiritualiteit. Het vroegere klooster van de broeders van Oudenbosch aan de Derkinderenstraat 82 in Slotervaart werd zowel woonhuis voor de leefgemeenschap van franciscanen als centrum voor cursussen en bezinning, een combinatie die ook na tien jaar nog zeer bevalt. Rob Hoogenboom (60) is coördinator van La Verna, maar ook studentenpastor en docent spiritualiteit aan de Fontys Hogescholen. Op 29 september a.s. komt hij hier even terug wanneer het 10 jarig bestaan van La Verna in de Mozes & Aäronkerk wordt gevierd.
Rob Hoogenboom: “ Het idee van La Verna kwam eigenlijk voort uit de gedachte dat steeds minder mensen zich laten aanspreken door de kerk of door religieuze ordes, terwijl de behoefte aan spiritualiteit en spirituele ontwikkeling bij vele mensen aanwezig is. Wij hebben als franciscanen een rijke spirituele traditie en die wil je graag overdragen, zeker omdat er ook heel veel wildgroei is op dit terrein. Alleen al in Amsterdam heb je meer dan 50 plekken waar ‘spirituele groei’ wordt aangeboden.
Wat is het bijzondere van die franciscaanse spiritualiteit van La Verna ?
Rob Hoogenboom: “Allereerst moet ik zeggen dat we een zeer ruim aanbod hebben. We putten natuurlijk uit de christelijke traditie in het algemeen en de franciscaanse traditie in het bijzonder. Maar we hebben ook activiteiten die vanuit andere religies en levensbeschouwingen, zoals het Boeddhisme of jodendom voortkomen. Franciscus stond in zijn tijd, begin 13e eeuw, al open voor de ideeën van andere geloven, in Egypte ging hij zelfs bij de sultan op bezoek. Heel bijzonder voor die tijd. Daarbij laten wij bij onze keuze van activiteiten en free-lance medewerkers door enige - ik noem het franciscaanse- criteria leiden, zoals de verbondenheid met de schepping, met de wereld. Daarnaast ook de heelheid van de mens. Het moet over de mens in alle aspecten van het leven gaan. Verder moet ook het lijden van de mens, het idee dat het leven niet alleen maar geluk en succes is, een plek hebben. En dat je als mens ook innerlijk kunt groeien.”
Zijn dergelijke criteria niet rijkelijk vaag ?
“In theorie is dat vaag, maar in de praktijk blijkt toch dat je daarmee mensen aanspreekt , zowel medewerkers als cursisten, die op een gelijke manier in het leven staan of ze nu christen, boeddhist, moslim of jood zijn of helemaal afscheid hebben genomen van een bepaalde religie. Samen met imam Osman Paköz van de Aya Sofia moskee doe ik bijv. een activiteit als Om vrede - ontmoeting met de moslimburen. Dat is heel concreet.
Over het algemeen trekken we mensen vanaf zo’n 50 jaar. De psycholoog Jung zei het al: “Om aan spirituele groei toe te zijn, moet je toch de gewone problemen van het leven een beetje opgelost hebben.”
Dat La Verna is aangeslagen blijkt wel dat er na een begin met 150 mensen inmiddels zo’n 1000 mensen per jaar, meest vrouwen ( “Die durven eerder wat nieuws te ontdekken!”) meedoen aan activiteiten als mediteren, sacred dance, kunst en spiritualiteit en het enneagram. Ook retraites en pelgrimstochten, vlak in de buurt en ver weg, staan op het programma. Ieder half jaar brengt La Verna een boekje uit met zo’n 50 activiteiten, gegeven door henzelf of allerlei freelance medewerkers. Daarnaast zijn er nog zo’n 16 vrijwilligers, die gastvrouw zijn, maar ook de administratie doen.
“Dat alles gaan we 29 september vieren met iedereen die in de loop van tien jaar La Verna met ons is opgetrokken. Er zijn sprekers, er wordt gezongen en gedanst en er komt een klein boekje uit over ‘tien jaar La Verna’. Ja, in de Mozes & Aäronkerk ! De geest van Franciscus waait daar toch al eeuwen?!” ?
Meer informatie over La
Verna op www.laverna.nl of 020-3467530
Inleiding prof. Halleh Ghorashi bij opening UAF tentoonstelling op 16 juni 2007
"Laat diversiteit jouw leven verrijken"
Op 16 juni 2007 hield prof. Halleh Ghorashi, bijzonder hoogleraard management van diversiteit aan de Vrije Universiteit onderstaande inleiding in de Mozes & Aäronkerk bij de opening van de Zomerschool tentoonstelling van vluchteling-kunstenaars die door het fonds UAF voor vluchteling-studenten gesteund worden.
We zijn vaak geneigd te denken dat reizen of het lezen van vertaalde romans onze kennis van de wereld vergroot en ons rijker aan ervaringen maakt. Het is dan ook niet voor niets dat de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) elke vertaling van een boek een nieuwe schepping noemt. Een creatie waarbij het niet alleen om het vertalen van woorden gaat, maar om het verbinden van werelden. Juist in deze tekstuele ontmoeting van culturen wordt volgens Gadamer een nieuwe creatie geboren, waarin horizonversmelting (Versmeltung) plaatsvindt. En dat is de kracht van een goede boekvertaling: het is geen letterlijke vertaling van woorden, maar de kunst om werelden te verbinden.
Migranten kunnen ook worden gezien als vertalers, die constant bezig zijn diverse werelden met elkaar te verbinden. Zowel een migrant als een vertaler beweegt zich in een toestand van ‘in-betweenness’, een soort tussen toestand, waarin zij tegelijkertijd met ten minste twee referentiekaders te maken hebben en pogingen doen om deze twee met elkaar te verbinden. Niet elke vertaler slaagt erin om deze verbinding op een mooie wijze mogelijk te maken en niet elke migrant slaagt erin het beste uit diverse culturen met elkaar te combineren. Maar het bestaan van deze situatie van ‘in-betweenness’ is een gegeven dat op zichzelf al een potentiële basis kan zijn voor verrijking en vernieuwing.
We zijn als mensen min of meer gevangen in de vanzelfsprekendheid van onze culturen en gewoontes. Als kind groeien we op binnen culturele grenzen en systemen. De Franse socioloog en filosoof Pierre Bourdieu (1930-2002) gebruikt de term ‘habitus’ voor het proces waarmee iemand bepaalde elementen van de eigen cultuur internaliseert. Delen van deze culturele habitus worden bewust ervaren. Er zijn ook elementen waar we ons niet altijd op rationeel niveau bewust van zijn, maar die wel sterk doorwerken in ons doen en laten. Vaak is het zo dat praktisch bewustzijn, ofwel weten hoe we horen te handelen, genoeg is om onszelf te redden. Maar soms willen we als individuen meer dan alleen onszelf op praktisch niveau kunnen redden. Op sommige punten willen we weten waarom we bepaalde keuzes maken en waarom niet. Waarom we bepaald gedrag als normaal beschouwen en ander gedrag niet. De vrije geesten willen weten op welke wijze hun gedrag wordt gedisciplineerd door culturele patronen en vooral hoe ze, voor zover mogelijk, zich kunnen bevrijden van de dwingende aspecten van deze patronen.
Het feitelijke noodlot van verplaatsing heeft als gevolg dat een migrant in alles wat zij of hij doet of meemaakt, met een vergelijking te maken krijgt tussen diverse referentiekaders. Niets kan als vanzelfsprekend gezien worden, want er is sprake van een constante vertalingsslag tussen verschillende culturele patronen en praktijken. Dit betekent dat een migrant bij voorbaat een tweeledig perspectief heeft, waardoor niets op zichzelf en vast staat. De constante vertaling van praktijken maakt het mogelijk dat migranten om dingen niet simpelweg te zien zoals ze zijn, maar zoals ze tot stand zijn gekomen, gelet op historische keuzes en maatschappelijke context.
Door de constante vertaling van diverse referentiekaders en aandacht voor de processen die voorafgaan aan het handelen wordt een migrant gedwongen om te reflecteren op de dagelijkse praktijken die door velen als vanzelfsprekend worden beschouwd. De toestand van ‘in-betweenness’ maakt het mogelijk dat migranten zich kunnen onttrekken aan, en daardoor ook zich kunnen bevrijden van de macht van vanzelfsprekendheid, dus ook van de onbewuste patronen van hun eigen culturele habitus.
Een andere grote denker, Edward Said (1935-2003), gebruikt deze situatie van ‘in-betweenness’ van ballingen als metafoor voor de ware intellectuelen. Bij ballingen ofwel politieke vluchtelingen komt er een extra dimensie bij en dat is het element van verzet; mensen die hun land moesten verlaten omdat ze dwars lagen en niet met de status quo wilden gaan. Ware intellectuelen zijn volgens Said net ballingen die nergens tot rust kunnen komen. Ze nemen er geen genoegen mee te zijn wat van hen verwacht wordt, maar zijn voortdurend op zoek naar nieuwe manieren om zichzelf te definiëren en te positioneren.
De ware intellectuelen willen als het ware nooit inburgeren. Ze zetten zich af tegen de vastgeroeste als vanzelfsprekend beschouwde patronen van hun eigen cultuur en samenleving en worden daardoor bewakers van vernieuwing en van de vrije geest. Zelfs als ze door hun positie in het centrum van de macht verkeren, blijven ze zich als intellectueel marginaal positioneren.
“Ik stel wel dat de intellectueel,
wil hij even marginaal en onbeteugeld zijn als balling, veeleer moet openstaan
voor de reiziger dan voor de machthebber, voor het onzekere en hachelijke dan
voor het gewone, voor vernieuwing en experiment dan voor de van hogerhand
opgelegde status quo. De intellectueel in ballingschap geeft geen gehoor aan
de logica van het conventionele, maar aan de vermetelheid van de durf; hij belichaamt
verandering en vooruitgang, niet stilstand.” (Said, 1995)
In deze zin is het in de marge verkeren geen toestand van geïsoleerd zijn, maar juist een voorwaarde voor een mogelijk vrij zijn van de beknellende banden van de vanzelfsprekendheid; een voorwaarde om op een krachtige manier anders te zijn. Het gaat erom je eigen plek of je eigen subjectiviteit op te eisen wanneer de gemakkelijkste weg zou zijn om mee te gaan met de stroom of weg te zinken in alledaagse routinematigheid.
Laten we de potentiële kracht van de ballingen of migranten in het algemeen zien als de kracht van de vertalers die culturen verbinden door een constante productie van nieuwe creaties. De rol van kunst in dit proces van vernieuwing en creativiteit is essentieel. Door kunst krijgt deze vertaling tussen culturen een veel bredere betekenis dan alleen een strikt taalgebonden vertaling. Daarom biedt de kunst extra ruimte voor het experimenteren met de diversiteit van culturen. Aandacht voor kunst betekent een extra dimensie voor de toekomst waarin vernieuwing centraal staat.
Laten we de ballingen en hun kunst
als een metafoor zien voor het Nederland van de toekomst. Een Nederland dat
als een reiziger durft te experimenteren met de grenzen van de ander om in beweging
te kunnen blijven. Een Nederland dat de aanwezigheid van diverse culturen niet
als bedreiging maar als uitdaging ziet voor de toekomst .Een toekomst waarin
deze uitdaging niet heeft geleid tot een angstige houding ten opzichte van vreemdelingen,
met als gevolg een krampachtig vasthouden aan de oude gewoontes en praktijken.
Maar een toekomst waarin deze nieuwe uitdaging heeft geleid tot het ontwikkelen
van nieuwe bronnen van gemeenschappelijkheid. Een toekomst waarin krachtige
visies zijn ontwikkeld tegen de meest kwetsbare kant van democratie: haar populistische
drang naar vastigheid en status quo. In die toekomst wordt de kracht van diversiteit
onderkend ls basisvoorwaarde voor reflectie, die het mogelijk maakt om Nederland
het land te laten zijn van vernieuwing en innovatie.
Pas dan wordt het mogelijk om naast praktische inburgering, intellectuele uitburgering
mogelijk te maken of zelfs te faciliteren, zodat de vrije geesten, zoals kunstenaars
van nu, zich in vrijheid kunnen positioneren en in staat zijn de reizigers en
vertalers te blijven die de vernieuwing in elke samenleving mogelijk te maken.
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Het bestuur van de Landelijke Vereniging Thuislozen
Sommige mensen zijn al zo lang thuis in het Mozeshuis dat je ze haast voor deze rubriek zou vergeten. De bestuursleden van de Landelijke Vereniging Thuislozen (LVT) Jetty Alberts, Ton de Vries, Martien Luycks en Joop Helder hebben hier al heel wat vergadertijd doorgebracht. Toch is de LVT zelf al langer in het Mozeshuis dan zij. Opgericht door daklozen in een Amsterdams opvanghuis in 1984 vond het secretariaat van de vereniging al spoedig onderdak in het Mozeshuis. Vanaf 1986 tot nu staat een medewerker van het Mozeshuis de LVT bij in het secretariaat, waardoor de bestuursleden zelf zich vooral met de belangenbehartiging in het land kunnen bezig houden. In ruim twintig jaar is de LVT een factor van betekenis geworden in de dak- en thuislozenzorg. Zeker sinds het Ministerie van VWS de hulp van de vereniging inriep bij de voorlichting aan dak- en thuislozen bij de invoering van de nieuwe zorgverzekering. Samen met Het Projectenburo organiseerde de LVT drie zorgtours door het land, waarbij de start door vele landelijke media, zelfs het NOS achtuurjournaal, prominent werd gebracht. Ondersteund door een klein netwerk van contactpersonen komt veel van het werk neer op de vier bestuursleden en vlak voor de vergadering is er slechts tijd voor een snelle kennismaking.
Was het verwijt vroeger wel eens dat de LVT een Amsterdamse club zou zijn van het huidige bestuur kan dat niet gezegd worden. Jetty Alberts, inmiddels tien jaar voorzitter, is geboren en getogen in Emmen en zij woont daar nu weer; in haar drukke leven is ze zeker dertien keer binnen Nederland verhuisd en heeft ze ook in Cambodja en Mali gewoond. Haar cv is al even divers: van lerares kostuumnaaien en eigenaar van een confectiewinkel in Den Haag, tot maatschappelijk werk, studie psychologie, mede-oprichter van ontwikkelingsorganisatie World Vision en provinciale politiek voor de Drentse Ouderen Partij. Met Eva den Hartog, een Heilssoldate die vooral in de Derde Wereld heeft gewerkt heeft ze nog lezingen in het land gegeven. Via de toenmalige LVT voorzitter Jaap Zuidam is ze bij de LVT betrokken geraakt. Nestor Ton de Vries (78) zit langer dan Jetty bij de club, maar is iets later in het bestuur gekomen. Geboren in Velsen is hij de regio Kennemerland trouw gebleven. Zijn beroepsleven speelde zich aanvankelijk af in de bouw, waar hij zich van timmerman tot bouwkundig opzichter en architect opwerkte. Bij een crisis in de bouw raakte hij rond zijn 45e werkloos, ‘iets wat ik tot mijn 65e heb volgehouden’ zegt hij grijnzend. Maar werkloos wil niet zeggen werkeloos thuis zitten. Collega Martien (56) wil hem graag aanvullen als Ton begint aan de opsomming van terreinen waar hij als vrijwilliger (tot nu) actief is geweest: milieubeweging, Wereldwinkel, jeugdopvang in Haarlem, cliëntenbond in de psychiatrie, Sociale Dienst, enz. enz. Heel veel vertegenwoordigend werk kwam daar bij kijken en zowel regionaal als landelijk kent Ton de overheid en kent de overheid Ton. Voor dat vele werk heeft hij enkele jaren geleden een koninklijke onderscheiding gekregen, iets wat hem waarschijnlijk niet was overkomen als hij in de bouw werkzaam was gebleven. Vanwege zijn werk voor de cliëntenbond is hij voor de LVT gevraagd. Martien Luycks kent hem ook uit Haarlem, maar heeft zijn roots nog hoorbaar in Limburg liggen. In Heerlen stond zijn wieg en via studeren en het kraak- en actiewezen in Nijmegen is hij in het westen beland. Net als Ton is hij een man van de praktijk en ook al is hij zelf misschien in zijn leven maar één dag dakloos geweest, “al op mijn 17e verkocht ik kerstpakketten voor daklozen in Heerlen” en heeft het opkomen voor mensen in de marge zijn leven getekend. “Omdat ik net een cursus boekhouden had gedaan hebben ze me als penningmeester voor de LVT gevraagd.” Inmiddels is die functie door Joop Helder overgenomen. Die mag wel luchtig beginnen dat hij ‘in 1940 van het wad in Noord-Groningen is aangespoeld’, later was hij toch aardig met een carrière bij Philips bezig via de vestigingen Stadskanaal, Apeldoorn en Deurne. Van zijn cv noemt deze drs. economie: werk in de accountancy, Gemeenteziekenhuis Arnhem, directeur van een bejaardencentrum. Net als Martien meldt hij één dakloze dag, rond 2001 (“Maar toen had ik van Philips al pensioen en hoefde ik eigenlijk niet meer te werken’) en die bracht hem in Beekbergen waar hij bij de hulpverleningskoepel Arcuris een flatje kreeg. Daar werden via de centrale cliëntenraad zijn financiële kwaliteiten ook door de LVT ontdekt en sinds een jaar of twee is hij ook ‘thuis in het Mozeshuis’. Maar thuis in het Mozeshuis wil toch niet zeggen, dat er nu niet snel vergaderd moet worden....!
Meer over de LVT via www.thuisloos.net of een telefoontje naar 020-6221305
Rubriek KOLOM: de column in Mozaïek
Joke Kniesmeijer
Boekverbod
Het pleidooi van Geert Wilders om
net als Mein Kampf de koran te verbieden heeft diverse reakties opgeleverd.
Ten eerste natuurlijk: Niet Op Reageren Lena, zoals Wim Sonneveld als Willem
Parel al zei. Wilders moet zich nu eenmaal regelmatig in de krantenkoppen
vechten, anders vergeten we dat hij bestaat. Een andere reaktie: NEE,
helemaal niets verbieden, want bij een volwassen democratie hoort een totale
vrijheid van meningsuiting. De pleitbezorgers van deze mening, zoals Jan Blokker
jr. en Meindert Fennema in de Volkskrant, vinden dan ook dat Mein Kampf niet
langer verboden moet worden. Want, stelt Blokker jr., dan moet je óók
de geschriften van andere dictators als Lenin en Mao verbieden.
Maar Mein Kampf is niet verboden omdat het door een dictator geschreven is,
maar omdat het antisemitisch is - en dat kan van de geschriften van Lenin en
Mao niet gezegd worden. Ofwel: alle dictators zijn slecht, maar ze zijn niet
allemaal op dezelfde wijze slecht. Ik vind het verbod op antisemitsche
en racistische geschriften zoals vastgelegd in de wet terecht. Ja, hoor
ik nu het Wilders-kamp roepen, precies ! Omdat de koran antisemitsche teksten
bevat hoort het net zo behandeld te worden als Mein Kampf ! Maar daar ben ik
het nu juist niet mee eens. Het probleem met koran, bijbel of torah
is niet dat ze verschrikkelijke teksten bevatten - vrouwvijandig, antisemitisch,
moordzuchtig, anti-homo, intolerant – you name it, they got it. Wat mij als
BO-er (Bewust-Ongelovige) zo irriteert is dat je met genoemde boeken juist alle
kanten uitkunt. Met de bijbel in de hand kun je eindigen als verdediger
van de apartheid, als gewapend verzetsstrijder tegen een dictator, als moordenaar
van een abortusarts, of als Moeder Theresa. De koran is al net zo’n
grabbelton: het roept op tot vergeving en rechtvaardigheid, maar voor moord
en doodslag kan men er ook terecht. Welke koran moet er dan verboden worden
?
Mein Kampf is hiermee vergeleken een wonder van eenduidigheid. Het is tegen
de democratie, tegen de joden, tegen politieke tegenstanders, en werd ook precies
zo in praktijk gebracht. Bij alles wat men Hitler verwijten kan, kiezersbedrog
toch zeker niet.
Joke Kniesmeijer
Joke Kniesmeijer verzorgt dit jaar vier keer deze rubriek. Zij is geboren en getogen Amsterdamse. Zij werkte voor de Anne Frank Stichting en verzorgde als freelancer wereldwijd tentoonstellingen over de Holocaust. Zij is oud-voorzitter van het Mozeshuis.
Mozaïek mei 2007
Hoofdinleider Zomerschool ir. Jan Paul van Soest:
“Burgers en bedrijven zullen de overheid onder druk moeten zetten om milieumaatregelen te nemen.”
Wie de documentaire van Al Gore ‘An inconvenient truth’ heeft gezien over de gevolgen van de klimaat verandering over 50 jaar, is de schrik waarschijnlijk om het hart geslagen. Is het nog te voorkomen dat een groot deel van Nederland onder water komt te staan? Wordt het Amersfoort aan Zee? Een Zomerschool met als thema ‘Met het oog op morgen’ toekomstverkenningen, kan natuurlijk niet om die vraag heen. We hebben milieudeskundige ir Jan Paul van Soest (51) gevraagd om op 14 juni als hoofdinleider daar zijn licht over te laten schijnen. Sinds de jaren zeventig houdt hij zich al met deze problematiek bezig. Hij heeft momenteel zijn eigen adviesbureau om bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties op het gebied van duurzaamheid van strategisch advies te dienen. Zijn klanten lopen van de Ministeries van Economische Zaken en VROM tot Shell, en van de stichting Natuur en Milieu tot Ontwikkelingsorganisatie ICCO. Verder zit hij in tal van adviesorganen en besturen. Hij schreef veel artikelen, 15 jaar columns in Milieumagazine en boeken zoals in 2003 ‘Natuur is Economie’ (met Martijn Blom) en ‘Het Leven een Spel’ (met Erik van Praag). Op mijn vraag of de milieu-problematiek niet te ernstig is voor zo’n relativerende levenshouding antwoordt hij: “Wie meer kan spelen, bereikt vaak meer, ook op dit gebied.”
Uitlaatgassen meten
Dat het met Jan Paul van Soest de milieukant op zou gaan zat er al vroeg in. Het Rapport van de Club van Rome uit 1972, dat tegen milieuvervuiling en op rakende energie-bronnen waarschuwde, had hij zelfs op fietsvakantie naar Zuid-Frankrijk meegenomen. “ Na die vakantie wist ik dat ik daar mijn werk van wilde maken.” Hij ging milieuhygiëne studeren aan de Universiteit van Wageningen. Een brede opleiding met behalve biologie, economie en wiskunde ook filosofie en psychologie. Met als hoofdvak luchtvervuiling stond hij langs de A2 de uitlaatgassen te meten en de filterwerking van heggen langs de kant. Al vroeg schreef hij over milieuvraagstukken zoals voor het universiteitsblad en De Groene Amsterdammer. Van Soest: “Een milieuactivist die zich voor de goede zaak aan een hek van een kerncentrale zou vastketenen ben ik nooit geweest. Maar door te schrijven was ik wel bij milieuacties betrokken. Als dienstweigeraar had ik bovendien het geluk na mijn studie bij het Centrum voor Energiebesparing in Delft te kunnen werken. Daar ben ik in dienst gebleven en tenslotte als directeur van dit milieuadvies-bureau CE weggegaan.”
Burger moet het verschil maken
Als de documentaire van Al Gore ter sprake komt zegt hij dat hij grotendeels de analyse deelt maar het met de door Al Gore geboden ontsnapping aan het eind van de documentaire niet eens is: “Van het rijden van zuiniger auto’s en het massaal overgaan op spaarlampen zullen we het niet moeten hebben. Er zijn veel drastischer maatregelen nodig om de milieucrisis de baas te worden. Niet de consument, maar de burger zal het verschil moeten maken. Die zal het bedrijfsleven, maar vooral de overheid onder druk moeten zetten om effectieve maatregelen te nemen. Dat zal dan wereldwijd moeten gebeuren, niet alleen in Europa. Zeker 80 of 90 procent van de landen zal moeten meedoen.”
Bewustwording en leiderschap
Toch is er volgens Van Soest nog meer nodig om de wereldwijde milieucrisis de baas te worden. Heel veel mensen hebben nu een reactie als: “Die wereldwijde milieucrisis is zo groot, daar kan ik niets mee.” Soms leidt dat zelfs tot ontkenning dat het werkelijk zo is. Je zult dus voortdurend aan bewustwording moeten werken - en dan op een heel indringende manier, dat mensen werkelijk gaan zien hoe het is; dat ze zich met die problemen wereldwijd gaan verbinden. Dat bewustzijn zullen ze vervolgens moeten vertalen in leiderschap, ik noem dat spiritueel leiderschap omdat het ook een geesteshouding is.” Hij acht de kans dat zoiets zich binnenkort wereldwijd zal ontwikkelen nog niet groot. “Maar ik vind wel dat het die richting op moet.” ?
Iraanse fotografe Sohreh exposeert tijdens Zomerschool
Ooit vluchteling, altijd kunstenaar
Tijdens de komende Zomerschool is er in de kerk een expositie van kunstenaars die ooit als vluchteling naar Nederland gekomen zijn. We zijn in contact met hen gekomen via het UAF, het University Assistance Fund, een fonds dat sinds 1948 het vluchtelingen mogelijk maakt in Nederland te studeren en hen helpt aan werk te komen. Ook beeldend kunstenaars, fotografen en musici worden door hen geholpen. Eén van hen is fotografe, beeldend kunstenares en dichteres Sohreh, Tot voor zeven jaar leek haar toekomst in haar geboorteland Iran te liggen, tot het voor haar daar onmogelijk werd om verder te leven. Ze vluchtte naar Nederland. Toch voelt ze zich geen vluchteling meer. Ze zegt heel beslist: “Ik ben kunstenaar. Laten de mensen mijn werk daarop beoordelen.”
Ze is geboren in Teheran. Na de middelbare
school ging ze naar de Universiteit voor Beeldende Kunst en Architectuur en
deed de richting vormgeving en design. Ze behaalde de mastertitel. Maar
ze schreef ook gedichten en zegt trots drie dichtbundels aan de Perzische
literatuur te hebben toegevoegd.
Nu zij in ballingschap in Nederland is beland, studeert zij sinds enkele jaren
redactionele fotografie aan de Kunstacademie in Den Haag. Ze is bijna klaar
met die opleiding. Ze heeft al vele onderwerpen aangepakt, vaak wat moeilijker
toegankelijke thema’s. Zo heeft ze moskeeën, kerken en synagoges gefotografeerd.
"Ik moest eens uren lang voor de moskee staan wachten, de imam wilde niet met
mij praten." Moslima's verschenen met en zonder hoofddoek voor haar camera.
Ze fotografeerde zwarte scholen, het uitgaansleven van Amsterdamse jongeren
en verdiepte zich in de beeldtaal van de hedonistische levensstijl. Vrouwen
zijn een van de hoofdonderwerpen in het werk van Sohreh. Juist de onderdrukking
van de vrouw heeft haar speciale aandacht. Dat geldt niet alleen voor vrouwen
in Iran, ook in het westen staat de vrouw vergeleken met de man volgens haar
nog altijd op de tweede plaats.
Meer dan registratie
Voor Sohreh kan fotografie nog een andere betekenis hebben dan pure registratie. Zij zegt: "Ik ben in fotografie en bewegend beeld ook op zoek gegaan naar de dromen en het onderbewustzijn van de mens. In mijn visie kan de fotografie zichzelf helemaal bevrijden van de traditionele registratievorm. De relatie tussen werkelijkheid en niet-werkelijkheid heeft in mijn fotografie een belangrijke rol gespeeld. Fotografie kan veel meer zijn dan alleen registreren. Wat op een foto gebeurd is, hoe absurd ook, blijft altijd waar."
In de Mozes & Aäronkerk exposeert zij onder meer een magisch-realistische serie over een oud oosters liefdesverhaal. Met een paar schilderachtige tableaux-vivants beeldt zij een gesymboliseerd verhaal van een verboden liefde uit. Romeo en Julia zijn immers van alle tijden en streken. (In het programmaboekje van de Zomerschool staat daar een voorbeeld van. red.)
Heeft het thema van de Zomerschool
‘Met het oog op morgen’ nog iets met haar werkt te maken?
"Kunst is voor mij per definitie verbonden met toekomst. Kunst kan altijd
veranderingen in de maatschappij teweegbrengen. De onbewuste en de onderbewuste
realiteit van de mens kunnen door middel van kunst een rol in die verandering
spelen. Vandaar dat in de ogen van het fascisme in de jaren dertig in Europa,
de surrealisten een groot gevaar vormden. In iedere maatschappij waar de individuele
vrijheid en de vrijheid van meningsuiting worden beknot zijn kunstenaars
en intellectuelen de eersten die bedreigd worden.” ?
Onstuitbare Fenna Bolderheij neemt afscheid met nieuw project
Mixen in Mokum, wie pakt het op?
Op woensdag 20 juni a.s. neemt Fenna Bolderheij in de Mozes & Aäronkerk met het symposium Zilveren kracht in multicultureel Amsterdam afscheid als coördinator van Stichting Bij de Tijd. Ze is 65 jaar en gaat met pensioen. Op woensdag 20 juni presenteert Fenna Bolderheij namens Stichting Bij de Tijd het nieuwe project Mixen in Mokum en het boek De ideeënwinkel van Bij de Tijd, waarin staat hoe je zo’n project moet opzetten.
Stoppen en tegelijkertijd doorgaan met nieuwe dingen, dat is de paradox die Fenna Bolderheij haar werkzaam leven lang al kenmerkt. Zo kennen we haar bij het Mozeshuis. Maar nu stopt ze echt, zegt ze: “Ik ga eerst een beetje nadenken, een beetje opruimen, daarna kijk ik wel wat er op mijn pad komt.” Mixen in Mokum, bedoeld om ouderen, ‘oude’ en ‘nieuwe’ Amsterdammers, met elkaar te laten optrekken moet ook zonder haar kunnen doorgaan. Helaas zijn daar nog wel wat zorgen over. Met haar afscheid zal hoogstwaarschijnlijk ook de Stichting Bij de Tijd na tien jaar ophouden te bestaan. Geld voor een nieuwe betaalde coördinator is er niet. En zij was de drijvende kracht achter de stichting ‘voor een zinvolle en leerrijke derde levensfase'. Dat Bij de Tijd stopt is niet leuk, maar erger zou het zijn als onze waardevolle projecten op de plank zouden blijven liggen.” Dus het symposium op 20 juni is tegelijk ook een dringende oproep: Wie pakt het project Mixen in Mokum op? Het hele netwerk van Bij de Tijd aan ouderenorganisaties, organisaties van migranten, zorginstellingen, maatschappelijke organisaties, stadsdelen en vrijwilligers is uitgenodigd.
Mixen in Mokum
Wanneer op 20 juni het project officieel wordt gepresenteerd is het eerste proefproject ‘Mixen in Oud-Zuid’ net afgelopen. Zo’n 40 ouderen, ‘oude’ en ‘nieuwe’ Amsterdammers van Turkse, Marokkaanse, Portugese en Italiaanse origine hebben daaraan meegedaan. Op 18 april was de aftrap. Toen werden kleine groepjes ‘gemixt’ met voor ieder groepje een ambassadeur, een oudere vrijwilliger, als begeleider. Iedere deelnemer kreeg een boekje de zogenaamde strippenkaart. Daarin staan ideeën en leuke aanbiedingen om samen dingen te ondernemen. De categorieën: Rond huis en haard, Op stap in eigen buurt en Kunst en Cultuur. De bedoeling is eens per week, tien weken lang samen iets te doen: bijv. op bezoek bij Chinees Centrum Wa Lai, Buikdansen in het buurtcentrum, een rondleiding door een museum of de Molen van Sloten. Eerst samen wat uitzoeken, dan afspreken, waarbij de ambassadeur kan helpen. Door allerlei subsidies kon dat nog gratis ook. Zo was het toch leuk kennismaken met elkaar en met allerlei interessants in Amsterdam. Juist oudere nieuwe Amsterdammers snakken ernaar om bijv. na hun inburgerings-cursus met Nederlandse leeftijdgenoten wat te ondernemen. Ook goed voor hun Nederlands. Fenna Bolderheij; “Terwijl iedereen roept dat juist die groep oudere migranten niet te bereiken is, merk ik zelf dat velen graag wat doen. In mijn idee zijn autochtone Nederlanders vaak meer kopschuw. Ook tref ik bij organisaties of overheidsinstanties wel eens een zekere vermoeidheid aan, van ‘moet dat nou’, of ‘dat hebben we al eens gedaan’. Zeker ambtenaren zijn meesters in het naar elkaar doorverwijzen”
“Meedoen, daar gaat het om in een multi-culturele stad als Amsterdam Juist voor ouderen is er nog heel wat te leren en te beleven. En met Mixen in Mokum kan dat volop !” Fenna Bolderheij lijkt ondanks haarzelf niet te stoppen.
Wie geïnteresseerd is in Stichting Bij de Tijd, het project Mixen in Mokum of het symposium op 20 juni verwijzen we naar www.stichtingbijdetijd.nl of 020-6160614
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Kunsthistoricus Martijn Pieters
De Middeleeuwen in het algemeen en Middeleeuwse schilderkunst in het bijzonder zijn de grote fascinatie van kunsthistoricus Martijn Pieters (34). Hij mag er graag over lesgeven en als free-lance docent bij de Vrije Academie voor Kunsthistorisch Onderwijs brengt hem dat geregeld in het Mozeshuis. Maar ook buiten dit werk was hij hier al vaker. Hij verzorgde vorig jaar een inleiding over Middeleeuwse kunst in de Winteracademie en his finest hour beleefde hij tijdens de afgelopen interreligieuze Kerstavondviering in de Mozes & Aäronkerk waarbij hij in de voetsporen van professor Henk van Os trad bij het bespreken van een Middeleeuwse kerstvoorstelling “Om zo voor een kerk met bijna 700 mensen, tijdens zo’n bijeenkomst en in deze entourage te spreken, al was het maar vijf minuten, dat vond ik echt een hoogtepunt.”
Martijn Pieters noemt zich half plattelandsjongen
half Amsterdammer. Zijn ouders waren in de jaren zestig vanuit Amsterdam naar
het West-Friese platteland getrokken, waar Martijn geboren werd, opgroeide en
nog steeds woont. Maar met familie in Amsterdam, gestudeerd in Amsterdam en
voor allerlei cursussen werk in Amsterdam heeft die andere helft ook goede papieren.
Als jongen had hij grote belangstelling voor alles wat met ridders en kastelen
te maken had. Maar waar dat bij andere jongens met zo’n jaar of 10, 11 stopt
ging dat bij hem door. Zijn ouders speelden daar ook wel een rol in, want als
Martijn door hen voor de keuze werd gesteld van ‘een cadeau’ of ‘kasteelbezoek
in Nederland of niet te ver in Duitsland ‘ koos hij steevast voor het laatste.
Nu is hij lid van zowel de Nederlandse als de Duitse kastelen vereniging. Dit
jaar leidde hij zo’n 50 leden van de Duitse kastelenvereniging door Nederland:
drie kastelen per dag! Fantastisch. Na het atheneum hielp hoogleraar Middeleeuwse
kunst Claudine Chavannes tijdens een Open Dag van de Universiteit van Amsterdam
hem over de brug om voor deze studie te kiezen. Eén van de hoogtepunten
was de stage van vier maanden die hij in het Bisschoppelijk Museum van Trier
liep. Niet toevallig, want zijn ouders hadden daar een caravan staan en zomers
was hij dus al meer in de Eifel geweest. ‘Daar heb ik alle aspecten van het
museumvak leren kennen en en passant nog twee ‘onbekende’ schilderijtjes van
Aelbrecht Bouts (1460-1549), de zoon van de bekendere Dirk Bouts, ontdekt.
“ Via dat museum kwam ik dus heel veel in parochiekerken, seminaries en andere
kerkelijke instellingen daar in de buurt. Ik heb daar ook al over gepubliceerd
en ben momenteel bezig met een proefschrift.”
Kunstgeschiedenis studeren is mooi, maar kun je daar dan van leven?
Martijn Pieters: “ Nu ben ik al heel wat jaren free-lance kunsthistoricus en
heb genoeg te doen met cursussen, reizen en rondleidingen in het Frans Hals
Museum, maar vlak na mijn studie was dat wel een probleem. In het laatste jaar
van mijn studie werkte ik al bij een bouwbedrijfje van twee vrienden en toen
ik afgestudeerd was heb ik dat maar even volgehouden. Bouwvakker dus, eerst
gewoon sjouwen, maar langzamerhand gespecialiseerd in systeemplafonds en scheidingswanden.
Te combineren met de kunstgeschiedenis was er niet zoveel. Hoewel, ik heb een
keer in het gebouw van de Sint Jorisdoelen in Hoorn een plafond moeten slopen
en daar kwam toen een heel oud balkenplafond achter vandaan.” En
dat is toen behouden gebleven? Martijn Pieters: “Ja en nee,
ik heb het wel helemaal gefotografeerd en beschreven, maar uiteindelijk hebben
we er toch weer een modern plafonnetje onder geplakt.”
“ Het mooiste van mijn werk vind ik toch de overdracht, het lesgeven. De Middeleeuwen is zo’n lange en rijke periode. Daar krijg ik nooit genoeg van. Vanwege al die religieuze kunst, in musea en kerken heb ik ook veel geleerd over het christelijk geloof, de bijbel, de kerk met al zijn heiligen ... Zelf kom ik niet uit een gelovig milieu en ben ik ook niet gelovig, maar het christendom fascineert me en zo langzamerhand ben ik aardig thuis in de bijbel. Ook zo’n Mozes & Aäronkerk geeft me veel inspiratie. Want je ziet hier weliswaar kunst, meest uit de 18e en 19e eeuw, maar de link met de kunst in de Middeleeuwen is gemakkelijk te leggen.”
Rubriek: KOLOM de column in Mozaïek
door Joke Kniesmeijer
Slet en Feministe ?
Maarten ’t Hart stelde eens dat vrouwen
niet moeten zeuren over discriminatie, omdat hij als jongetje al wist dat meisjes
wel koningin kunnen worden door met een prins te trouwen, maar gewone jongens
als hij nooit koning, zelfs niet als hij met een prinses zou trouwen !
Zo oneerlijk ! Ja, Maarten heeft wel gelijk, maar hij heeft tevens de ongeveer
enige situatie genoemd waarin vroeger de meisjes een streepje voor hadden op
de jongens. Toen ik meisje was – jaren ’50, Amsterdam-Noord, Roomsch-Katholiek-
kende ik geen andere werkende vrouwen dan huisvrouwen. Er waren wel werkende
meisjes in winkels en kantoren, maar die werkten tot ze trouwden, dan werden
ze ook huisvrouw. De zeldzame niet-getrouwde werkende vrouwen werden algemeen
als ‘zielig’ gevonden, behalve verpleegsters en onderwijzeressen, dat kon weer
wel. Een ongelooflijk verschil met vandaag de dag: op alle gebieden van de samenleving
komen vrouwen nu aan het woord. Vrouwen zijn rechter, of ruimtevaarder, beklimmen
de Mount Everest, vechten in Uruzgan, of zijn Bundeskänzlerin, het kan
allemaal. Heerlijk, ik geniet ervan. Des te merkwaardiger vind ik het dat uitgerekend
in een tijd dat vrouwen hun stoutste dromen kunnen verwezenlijken, er een groep
jonge vrouwen is die niets liever schijnt te willen zijn dan een sekspoes. De
emancipatie zien zij vooral als de vrijheid zichzelf onbekommerd als seksueel
ding neer te zetten. Kijk even naar wat videoclips en U weet wat ik bedoel:
het overheersende vrouwbeeld is de stoere sletterigheid van de bimbo’s
zoals deze jonge vrouwen worden genoemd.
Jonge meisjes en vrouwen voelen sowieso een enorm toegenomen mediadruk om hun
uiterlijk veel belangrijker te vinden dan intellectuele prestaties. Toen feministes
in de 60-er en 70-er jaren protesteerden tegen bijvoorbeeld Miss-verkiezingen
of pornoafbeeldingen, konden vrouwen op leeftijd er tenminste nog uitzien als
vrouwen op leeftijd. Nu moet je eigenlijk na je 30-ste al aan de botox,
moeten borsten en billen gelift, anders doe je jezelf als vrouw tekort.
Wat een merkwaardige uitkomst van de emancipatiebeweging – nu de maatschappelijke
ontplooingskansen van de vrouw er beter voorstaan dan ooit, moeten we nu vechten
voor het recht om tevreden te mogen zijn met onszelf.
Joke Kniesmeijer verzorgt dit jaar vier keer deze rubriek. Zij is geboren en getogen Amsterdamse. Zij werkte voor de Anne Frank Stichting en verzorgde als freelancer wereldwijd tentoonstellingen over de Holocaust. Zij is oud-voorzitter van het Mozeshuis.
Rubriek Amsterdam tussen Trots en Ergernis
Broedplaats en buitenleven
Met grote passen loopt Rob door zijn bos. Rob - 42 jaar, zwartgrijze baard, om zijn nek een mijnwerkerslamp, op zijn hoofd een cowboyhoed – is de ongekroonde koning van dit terrein met stadsnomaden. Vier jaar woont hij hier in zijn tipi, hij kent er elke grasspriet. Hij wijst naar de grond: “Deze paden hebben we vorige week aangelegd. Zie je wel dat je nu beter loopt, het was zo modderig.” Naar elke tent of hut loopt een pad van houtsnippers. Het moet een enorm karwei geweest zijn. “Ik heb tijd genoeg”, legt hij uit. “Burgers leven in een fantasiewereld, ze kijken televisie of lezen een boek. Ik heb genoeg aan het echte bestaan.” Hij zwaait om zich heen: “Dit is alles wat ik nodig heb!” Ik kijk naar het kamp: drie tenten, twee hutten, een container en een caravan. Hoe lang zullen ze hier nog staan? Rob weet net zo goed als ik dat de politie binnenkort komt ontruimen. Ook dit bos zal niet ontkomen aan de hark die de gemeente door Amsterdam trekt. Dit rommelige veld zal netjes worden opgeruimd.
Toen ik in de jaren tachtig in Amsterdam terecht kwam, viel ik als een blok voor die chaotische, vrijgevochten stad. De vrijplaatsen boeiden mij het meest: de kraakcafés waar je voor een habbekrats kon eten, de kunstenaarsplekken, de braakliggende veldjes midden in de stad. Nu, twintig jaar later, zijn veel van die plekken verdwenen. Er kwamen woningen of kantoren voor in de plaats. Maar met de chaos verdween ook de creativiteit. En daarmee een deel van de aantrekkingskracht. Uit welbegrepen eigenbelang begonnen minder populaire stadsdelen daarom met het creëren van nieuwe broedplaatsen. Verscheidene panden of zelfs een hele straat werden omgetoverd tot atelier en theater. Creativiteit, aangewakkerd en begrensd door bestuurders. Het is een beproefd recept om een wijk aantrekkelijk te maken.
Een week later loop ik opnieuw met
Rob door het bosje. Onze onderhandelingen met het stadsdeel hebben een nauwelijks
verwacht resultaat opgeleverd: de bosbewoners worden voorlopig gedoogd.
Die boodschap bracht nieuw elan. Rob toont me de nieuwe douche: een houten staketsel
omhangen met landbouwzeil. Maria, een vijftigjarige tentbewoonster, legt me
de werking uit. “Hier in de sloot put je het water, dat laat je even bezinken
zodat de rotzooi op de bodem ligt. Daarna giet je het in deze pan en verwarm
je het.” Ze trekt het zeil om de vuurplaats dicht. “En dan maar badderen.”
De stadsnomaden zijn gelukkig. Voorlopig is hun kamp gered.
Er zijn in Amsterdam daklozen die
tussen wal en schip vallen. Ze staan op een wachtlijst voor een huis of instelling,
maar voorlopig is er geen plek. Of ze hebben een hond en kunnen daarom niet
terecht in de daklozenopvang. Of ze passen niet tussen vier muren, maar zijn
tevreden met een hutje in het plantsoen. Her en der strijken ze neer, maar voortdurend
worden ze verdreven. Dit opjaagbeleid veroorzaakt veel frustratie, bij politie
en vooral bij de buitenslapers.
Een camping voor deze stadsnomaden, zou een oplossing zijn. Ergens in Amsterdam
moeten plaatsen zijn waar mensen mogen wonen die nergens anders terecht kunnen.
In hutjes, huisjes of caravans.
Rob zwaait met een papier, hij heeft het allemaal opgeschreven. Hun kamp moet een officieel survivalkamp worden. Want ook de buitenbeentjes zien hun zaken graag netjes geregeld. Amsterdamser kan bijna niet: het lijkt chaos, maar er zit systeem in.
Mariska Putters
Mariska Putters is straatpastor. Zij werkt voor de Protestantse Diaconie
Amsterdam tussen trots en ergernis is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse) samenleving. Reacties welkom!
Het artikel in deze Mozaïek over het Mantelzorgsymposium van 30 maart 2007 staat op de pagina Mantelzorg.
Mozaïek maart 2007
Rubriek Amsterdam tussen Trots en Ergernis
Dezelfde zorgen, dezelfde genoegens: delen we deze ook met elkaar?
"Een Turk, een Arabier, een Pers
en een Griek kwamen bij elkaar en werden reisgenoten. Na vanaf de ochtend tot
de in middag te hebben gelopen kregen zij honger. Zij verzamelden één
akçe (een geldeenheid van destijds) om hiervan te kunnen eten. Het was
een warme zomerdag en de Turk kreeg trek in üzüm. De Arabier trok
een zuur gezicht toen hij van üzüm hoorde en zei: "Ik wil liever ineb."
De Pers zei: "Ik wil nog üzüm, noch ineb, laten we engur kopen." De
Griek aanvaardde geen van deze drie en zei: "Noch üzüm, noch ineb,
noch engur. Ik aanvaard niets anders dan istafil." Uiteindelijk begonnen ze
te redetwisten. Op dat moment merkte een voorbijganger deze discussie en hield
hen op en zei: "Wacht even op mij, dan zullen jullie allemaal krijgen wat jullie
willen hebben". Hij nam het geld en ging naar de markt alwaar hij twee kilo
druiven kocht en dit aan hen presenteerde. Toen zij de druiven zagen, lachten
zij van blijdschap. Ze begrepen toen pas dat zij allemaal om hetzelfde vroegen.
Zij hadden het alleen anders genoemd."
In Nederland is de situatie helaas niet erg anders dan in dit aan Roemi (1207-1273)
ontleend verhaal. Nederlanders reizen al ruim 40 jaar met diverse achtergronden
samen door het leven en ondanks alle verschillen wilt men allemaal hetzelfde.
Edoch zij verwoorden de wensen op verschillende wijze. De kunst is uiteraard
om deze woorden te ontstijgen en het gezamenlijke doel voor ogen te houden.
De praktijk in Amsterdam is helaas een andere. Amsterdam, en wellicht ook Nederland,
bekijkend moeten we helaas constateren dat hoewel mensen in één
en dezelfde stad leven, dezelfde zorgen en genoegens ervaren, maar
ze nauwelijks met elkaar delen. Zo komt het helaas nog te weinig voor dat mensen
van verschillende afkomst elkaar bezoeken ingeval van ziekte, overlijden, feestdagen
en andere speciale momenten. Of dat buren van verschillende afkomst bij elkaar
op de koffie c.q. thee komen. Terwijl juist dit soort kleine dingen de fundering
vormen van de o zo nodige bruggen tussen mensen. Vooral in deze roerige tijden
is nogmaals gebleken hoe belangrijk deze bruggen en de mensen die ze bouwen
zijn.
Enkele jaren geleden ben ik in aanraking gekomen met een stichting van bruggenbouwers.
Het logo van deze stichting bestaat uit een boot. De gedachte hierachter is
dat we allemaal op een en dezelfde boot zitten en dezelfde reis maken. Mocht
iemand de boot schade toebrengen, dan zullen we allemaal samen ten onder gaan.
Sinds haar oprichting, 9 jaar geleden, organiseert de stichting o.a. lezingen
over diverse maatschappelijke kwesties, cursussen over verschillende religies
en gespreksgroepen met verschillende groepen van mensen. Elk jaar weer heeft
zij iets groots en ludieks op het programma om de publieke aandacht te vestigen
op de dialoog tussen mensen. Het afgelopen jaar organiseerde zij een iftar-maaltijd
in een reusachtige tent van ruim 300 m² op de Dam. Dit jaar voeren zij
met ruim 350 mensen van verschillende afkomst het IJ-meer op.
Ook heeft deze stichting iets nieuws geïntroduceerd in Amsterdam. Dit jaar
is namelijk voor het eerst de dialoogprijs uitgereikt. Deze prijs zal voortaan
ieder jaar aan iemand worden uitgereikt die in het afgelopen jaar een grote
bijdrage heeft geleverd aan de dialoog. Dit jaar is deze prijs uitgereikt aan
de burgervader van Amsterdam, de heer Job Cohen en ik ben benieuwd wie
deze prijs het komende jaar in ontvangst zal nemen.
Deze stichting luistert naar de naam ‘Stichting Islam en Dialoog'.
Adem Kotan
Mr. Adem Kotan is werkzaam als advocaat/procureur en is momenteel coördinator
van Amsterdam voor stichting Islam en Dialoog (www.islamendialoog.nl)
Amsterdam tussen trots en ergernis is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse) samenleving. Reacties welkom!
Achtergrond artikel:
Zorg voor het leven..!
Mazzel en sores, hadden we
als thema aan de Winteracademie 2007 meegegeven: over de zorg voor je zelf,
elkaar en de omgeving. En vele aspecten van zorg, nieuwe en oude initiatieven
van naar elkaar omzien, vroeger en nu, geïnstitutionaliseerd en spontaan
passeerden de revue. Van positieve en soms ontroerende berichten, hoopgevende
projecten tot zorgelijke zaken en gebrek aan zorg. Situaties waarin
nog van alles mis is. Maar dan toch altijd met het perspectief dat het wel beter
kán.
Is er na vier weken Winteracademie een conclusie te trekken over hoe het met
de zorg in Nederland gesteld is ? Nee die conclusie is er
niet. Daarvoor is zo'n programma dat de Winteracademie biedt, te vluchtig. Deze
academie is ook in de eerste plaats bedoeld om interesse te wekken, tot nadenken
te stemmen, mensen op ideeën te brengen. En kijk je naar dat perspectief,
dan zijn er zeker wel conclusies te trekken. Of misschien wel één
zoals vervat in de titel van de inleiding van Paula Irik, constatering, oproep
en aanmoediging tegelijk: Zorg voor het leven.
Geen mazzel zonder sores
Zoals Ralph Levie reflecteerde op mazzel en sores, deed zij dat op zorg en leven. Levie zei: "Mazzel betekent geluk, van het Hebreeuwse Mazzal, Maar het betekent meer dan geluk, want mazzel bestaat niet zonder sores en mazzel bestaat niet zonder hard werken en mazzel heb je maar heel even." Mazzel en sores zijn dus twee kanten van één medaille die leven heet. Zo is het volgens Paula Irik ook met Zorg en Leven. Zorg en leven zijn geen zaken die elkaar uitsluiten. Je komt niet pas aan leven toe, als je geen zorg meer nodig hebt. Wat zouden gehandicapten, chronisch zieken, demente ouderen of mensen die weten dat ze binnenkort sterven dan moeten. Ook als je zorg of ziekte hebt gaat het leven door - en ook de zieke, hoe ellendig die eraan toe is, moet je op zijn leven blijven aanspreken. Ze gaf er een paar ontroerende voorbeelden van.
Van de Winteracademie verschijnt geen verslagboek of bundeling van inleidingen. Maar toch willen we uit deze twee inleidingen een paar fragmenten naar voren halen die iets van de inhoud en de toon van de Winteracademie duidelijk maken.
De wereld een beetje beter maken
Na een aantal inleidende opmerkingen over joden en Amsterdam en de grote ramp die de joden en zeker ook de Amsterdamse joden in de Tweede Wereldoorlog getroffen heeft zegt Ralph Levie; "Ik zelf vertegenwoordig de eerste na-oorlogse generatie en maak van dichtbij mee, hoe de joodse gemeenschap in Amsterdam weer langzaam is opgebouwd en groeit. Natuurlijk is alles anders dan daarvoor en zal de moord op de Amsterdamse joden nog in vele volgende generaties voortleven. Maar we zijn er nog, het leven hield niet op. Er is bij mij en velen om mij heen een sterke aandrang om de nadruk te leggen op het leven. Deze grondhouding sluit nauw aan bij de joodse religie en traditie. In tegenstelling tot vele andere culturen houdt het jodendom zich nauwelijks bezig met het leven na de dood. De plichten die je hebt als jood gelden nu, in dit leven. En het is je taak en plicht om de wereld een beetje beter te maken. Tikun Olam - de opdracht tot het repareren van de wereld. Een ieder doet dat op zijn of haar eigen manier binnen zijn of haar eigen vermogens. Daarbij is iedereen een schakel in een lange keten van generaties. Je hoeft niet alles te doen, maar het is belangrijk dat je wat je niet kunt afmaken doorgeeft aan een volgende generatie. In dat beter maken van de wereld hebben de zorg voor jezelf, de zorg voor de ander en de zorg voor de omgeving een prominente plek."
"Al besteedt het jodendom weinig aandacht aan het leven na de dood, het kent wel een sterke Messiaanse verwachting. De verwachting in de vorm van de verwachting van betere tijden, betere tijden, waar je je altijd op moet voorbereiden en waar je ook zelf je best voor moet doen. Je moet de wereld als het ware klaar maken voor de komt van de Messias. De Messias is er nog niet en het zal nog wel even duren en als u het mij vraagt zal hij of zij ook nooit komen, want daarmee verliest het hele concept zijn kracht. Het gaat om de grondhouding, een optimistische grondhouding, de verwachting van een betere wereld. Een grondhouding die de mens in alle tijden tot steun is geweest in de sores van alledag."
Eenzaamheid doorbreken
Paula Irik werkt als geestelijk verzorger in een verpleeghuis - volgens sommigen ‘de hel op aarde' , maar tegen dat clichébeeld wil zij zich verzetten. In haar inleiding nam zij de deelnemers mee naar een kleinschalige woongroep van demente ouderen. ‘Een van de afschuwelijkste aspecten van dementie is: eenzaamheid. Mensen met de ziekte van Alzheimer (en aanverwante tsunami's in de hersenpan) raken van de wereld en van zichzelf afgesloten, worden letterlijk en figuurlijk opgesloten in een isolement. Zorg voor demente ouderen moet dus ook betekenen: er voortdurend op uit zijn deze eenzaamheid, al is het maar voor de duur van het moment van een ontmoeting te doorbreken, te onderbreken." Dan beschrijft zij hoe zij, muziektherapeute Irene en enkele verzorgenden eerst met de demente bewoners een groepsfoto maakt, daarna zingt en schildert aan ‘een regenboogprikbord' -"een prikbord voor de huiskamer met daarop de foto van bewoners en verzorgenden en iedere week een uitspraak van één van de bewoners. Iets grappig of iets verdrietigs." De beschrijving van het kiezen van een kleur en een vrouw die voorzichtig met groene verf begint te stippen, terwijl Irene een liedje inzet: Groen is gras, groen is gras... en verzorgenden gevraagd wordt er ook even bij te komen zitten, wisselt zij af met te vertellen waarom zij dit zo doet...
"We brengen zo iets van het levensverhaal van bewoners in beeld. Iets van hun kracht, of verdriet, of strijd, of humor....duidelijk zichtbaar voor iedereen op de afdeling. Tegen het grote maatschappelijke uitgummen en doodzwijgen in. Daarmee bevestigen we de waardigheid van bewoners. Waardigheid die permanent op de tocht staat door incontinentie, angst, desoriëntatie, slechte bejegening. En we bepalen verzorgenden op de afdeling bij het levensverhaal van de bewoners. Dat is goed voor hen dat is goed voor de zorg. Tegen de zwaartekracht in van het reduceren van zorg tot een stapeltje los te verrichten handelingen. Een daad van verzet."
Het is zaliger te ontvangen
"Het wemelt in het verpleeghuis van sporen van waarachtig mens zijn. Van sporen van verzet, verzet tegen onmenselijkheid. Geestelijke verzorging en muziektherapie en activiteitenbegeleiding als ‘zorg voor het leven' betekent voor mij in elk geval: dat verzet behoeden en bewaren en versterken en de kracht van dat verzet telkens weer in de bloedbanen van de instelling brengen. Tot heil van ons allemaal."
"Demente ouderen worden door hun
ziekte van alles beroofd. En het ergste zou zijn als daarbij zou komen, dat
ze beroofd worden van hun waardigheid ook gevende mensen te zijn - mensen van
wie je iets kunt verwachten, dat ze iets voor jou betekenen, dat ze jou iets
geven." Daarom eindigt zij haar betoog met de voor haar belangrijkste
en zeker voor een dominee paradoxale stelling: Het is zaliger te ontvangen
dan te geven. Zorg voor het leven, zou daarop gebaseerd moeten zijn.
Gezien de waardering voor haar verhaal bleken de deelnemers aan de Winteracademie
dat goed begrepen te hebben.
Armoede-debat om jongeren
verder te helpen
Inzicht is rijkdom
"Armoede is niet alleen een kwestie van te weinig geld of te weinig voedsel. Het heeft er ook mee te maken, dat je je talenten niet kunt ontwikkelen. Daar proberen wij vanuit jongerenorganisatie Fusion iets aan te doen. We bieden jongeren tussen de 15 en 25 jaar in ons pand Marnixstraat 285 allerlei workshops - zoals schilderen, breakdance, rap en een dj cursus, maar we gaan ook samen met hen dingen organiseren. Een paar maanden geleden hebben we met een aantal jongeren een project gedaan voor daklozen en arme buurtbewoners. Onder de titel ‘Warme winter' hebben ze een maand lang gekookt, maar ook kleren ingezameld en uitgedeeld en gerapt. Zo helpen ze mensen, maar worden ze ook meer bewust van hun eigen situatie. Ook het organiseren van dit debat is zo'n middel." Aan het woord is Aziza Oumoussi (21), jongerenwerker bij Fusion Jongerenproductiehuis, een samenwerkingsverband van de Stichting Welzijn Binnenstad en het Stedelijk Jongerenwerk Amsterdam. Vanuit haar project Young vs the Future organiseerde ze samen met de Stichting Minority's en Brede Kunst op 23 februari jl een debat in de Mozes & Aäronkerk over Armoede.
Maar het forum met vertegenwoordigers van Streetcornerwork, de daklozenorganisatie BADT, de arbeidspastor van de Protestantse Diaconie en enkele ervaringsdeskundigen was maar één activiteit. Er werd ook geschilderd, er werden filmpjes vertoond, gemaakt door jongeren zelf en natuurlijk werd er muziek gemaakt. Dat resulteerde uiteindelijk in zestien stellingen.
Aziza Oumoussi: Jongeren met wie wij te maken hebben, hebben de neiging als ze zelf arm zijn, dat te ontkennen door zich weg te houden of juist overdreven stoer te doen. Want het is moeilijk om toe te geven dat je niet met trends van merkkleding en dure mobieltjes of MP3 spelers kunt meedoen. Sommigen zoeken eigen oplossingen door zich in de schulden te steken of te gaan stelen. Maar op die manier raken ze dus nog verder in de ellende. Wij bieden ze de mogelijkheid om wat te doen en zo hun situatie onder ogen te zien. We werken overigens met alle jongeren, ook met jongeren, die het beter hebben. Maar ook voor hen geldt uiteindelijk: inzicht is rijkdom."
Aziza Oumoussi weet waar ze het over heeft*. Ze was veertien jaar toen ze na de scheiding van haar ouders in opvanghuizen en op straat belandde. Als zwerfjongere organiseerde ze vorig jaar al een debat in de Melkweg met o.a. wethouder Aboutaleb en een stoet aan hulpverleners. Ze pleitte er daar voor om haar en haar lotgenoten toch eindelijk eens als gewone jongeren te zien en niet bij voorbaat als junk of crimineel. "Ook wij willen naar school, ook wij willen een huis. Maar om allerlei redenen lukt dat niet. Er moet dringend wat gedaan worden aan wachtlijsten en regels, die echte jeugdhulpverlening soms zo ontoegankelijk maken."
Met dit Armoede debat wil ze niet alleen de spreekbuis voor de zwerfjongeren zijn. Aziza Oumoussi: "Ik wil mensen aanzetten om in hun eigen omgeving op zoek te gaan naar armoede, want armoede heeft zoveel verschillende gezichten. Daarom kan iedereen ook wat doen: van een keertje bij een alleenstaande moeder oppassen tot een brief schrijven voor een buurman, die slecht Nederlands kent. Dit debat is hopelijk een begin."
Fusion Jongerenproductiehuis
Manixstraat 285 1015 WL Amsterdam tel. 020-6221171 www.marnixstraat285.nl
* Op 5 maart jl vertelde Aziza Oumoussi in het KRO tv programma
De Wandeling op Nederland 1 over haar leven als zwerfjongere
Corrie Rikkers: "Mantelzorgers verdienen alle steun ook als het om vragen van zingeving gaat."
"Op 30 maart a.s. organiseert de Protestantse Diaconie samen met het Mozeshuis, Markant en Kerkinactie een symposium in de Mozes & Aäronkerk over spiritualiteit en zingeving in de mantelzorg. Dagvoorzitter is Cor Bon en sprekers zijn o.a. Inge van Nistelrooy van Reliëf, de organisatie van christelijke zorgaanbieders en Jurjen Beumer van Stem in de Stad, het oecumenisch diaconaal centrum uit Haarlem. Het symposium is genoemd De onverslijtbare mantel - tevens de titel van het boek van diaconaal consulente Corrie Rikkers, dat tijdens het symposium wordt gepresenteerd. Iedereen die zich (voor 10,– inclusief lunch) inschrijft, krijgt het boek mee naar huis.
Het is niet de eerste keer dat Corrie Rikkers in de Mozes & Aäronkerk over mantelzorg spreekt. Op 18 maart 2005 was zij één van de inleiders tijdens het derde Mantelzorg symposium dat het Mozeshuis toen organiseerde. En ook bij andere onderwerpen die zij in ruim twintig jaar werk als diaconaal consulent heeft aangepakt, liggen er parallellen met het werk van het Mozeshuis. Niet vreemd, want diaconaal consulenten houden zich juist bezig met vragen uit de samenleving, waar ook de kerk een boodschap aan moet hebben. Zo stond zij aan de wieg van Inloophuis De Bijlmer Duif, hield zij zich bezig met hiv en aids, organiseerde zij projecten over criminaliteit en sociale veiligheid en zette een steunpunt voor slachtoffers op.
Zingevingsvragen
Sinds vijf jaar houdt zij zich intensief bezig met mantelzorg. "Zorg is een heel belangrijk maatschappelijk gegeven en tegelijkertijd een centraal element van in het christelijk geloof - denk maar eens aan het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Zorg gaat bovendien veel verder dan medische of verpleegkundige zorg. De intensieve dagelijkse zorg die mensen voor hun chronisch zieke partner of gehandicapt kind hebben, de mantelzorg dus, die is zo belangrijk. En ik merkte dat in de kerken, maar zeker niet alleen daar, men heel veel aandacht heeft voor zorg voor de zieke of gehandicapte zelf, maar dat de mantelzorger, buiten hun blikveld valt. Juist zij leven vaak met vragen, hoe het vol te houden - niet alleen praktisch, maar ook geestelijk . Ik ben toen naar Markant, steunpunt Mantelzorg toegestapt, om te vragen wat wij voor elkaar konden betekenen. Markant doet heel veel aan praktische en ook emotionele ondersteuning van mantelzorgers, maar nog weinig aan zingevingsvragen. En ze hadden ook weinig contact met kerkelijk betrokken mensen. Zo heb ik de cursus Zin geven aan zorg verlenen ontwikkeld. In een klein groepje van zes tot acht mantelzorgers hebben we ons zes bijeenkomsten lang intensief met levensvragen bezig gehouden. Waarom doe je het? Wat geeft je kracht om het vol te houden? Hoe ga je om met negatieve of ambivalente gevoelens? Niet alleen, door met elkaar te praten, maar ook via praktische informatie en allerlei creativiteit. Markant zorgde ervoor dat tijdens de cursus hulp was voor de zieke thuis. De cursus is ook in het boek opgenomen.
Erkenning
"Heerlijk dat er ook eens aandacht
voor ons als mantelzorger is," dat was toch de overheersende reactie. En verder
dat er nu eens op een positieve manier met mantelzorg wordt omgegaan - dat mantelzorgers
de erkenning krijgen voor het goede waarmee ze bezig zijn. In de maatschappij
en zeker de gezondheidsindustrie wordt steeds meer het beeld opgehouden, dat
je zelf verantwoordelijk bent voor je gezondheid en dat gezondheid iets maakbaars
zou zijn. Doe je het goed, dan wordt je beter. Dan heb je succes. Maar heel
veel mantelzorg heeft geen succes, de mensen, voor wie zij zorgen worden niet
meer beter. Maar dat maakt die zorg nog niet minder en hun leven niet minder.
Maar daar zul je hen soms wel bij moeten helpen. Om het beeld van mantel erbij
te nemen: er zullen zeker wel eens slijtplekken in die mantel van liefde optreden,
maar die mantel zelf, die zorg, die is als een mantel, ruim, plooibaar en die
wordt altijd doorgegeven; dat ging vroeger zo en zo zal het doorgaan: vandaar
de onverslijtbare mantel. Ik hoop dat heel veel mensen zich hierdoor zullen
laten aanspreken.
(zie Achter het Nieuws op deze site)
Rubriek: Thuis in het Mozeshuis
Jos Noordanus van de LSP
Sinds november is Jos Noordanus bij het Mozeshuis in dienst als coördinator LSP. Die afkorting LSP staat voor Landelijk SteunPunt Cliëntenraden in de Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang en het is die club, opgericht door de Landelijke Vereniging Thuislozen (LVT), die ervoor moet zorgen dat het wettelijk recht van daklozen om via cliëntenraden mee te praten in de opvang ook in praktijk gebracht kan worden. Op een redelijk aantal plaatsen zijn die cliëntenraden er al, maar lang niet overal. En bovendien kunnen de bestaande raden wel een steuntje in de rug gebruiken. Het Ministerie van VWS heeft daarom geld vrij gemaakt voor een project van drie jaar. Daar is nu ruim één jaar van om. Het Mozeshuis treedt op als werkgever van de LSP-coördinator, Mozeshuis en LVT begeleiden de coördinator inhoudelijk. Jos Noordanus heeft deze taak overgenomen van Aart Jongejan, die vorig jaar september om medische redenen moest afhaken.
Hoe is Jos Noordanus eigenlijk in dit werk verzeild geraakt?
Jos Noordanus (61): "Min of meer toevallig. Ik was eigenlijk al een jaar met de VUT, maar toen de voorzitster van de LVT me vertelde over de LSP en dat ze een coördinator zochten voor twee jaar, toen ging het weer zo kriebelen, dat ik heb gesolliciteerd."
Jos Noordanus komt uit een gereformeerd milieu uit Den Haag-West, waar het ‘wie niet werkt, zal ook niet eten' hoog in het vaandel stond. Dus na de HBS-A ging hij direct aan de slag bij boekhandel/uitgeverij Martinus Nijhoff, waar hij op de speciale Amerika afdeling te werk gesteld werd. Na de dienstplicht bij de luchtmacht volgde een aantal jaren bij de BOVAG tot hij als Algemeen Secretaris van het Landelijk Centrum voor Gereformeerd Jeugdwerk in Driebergen (50 personeelsleden, 120.000 aangesloten deelnemers) een eerste sprong in zijn carrière maakte. Een logische sprong want hij was in Den Haag zelf jarenlang actief in dat jeugdwerk. Toen hij afscheid nam van het gereformeerde geloof en zijn linkse sympathieën niet bij alle Mannenbroeders goed vielen, kwam er een einde aan dit dienstverband en via werk onder schippers in Rotterdam werd hij directeur van Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Driebergen. Een pioniersfunctie, zegt hij nu, want die maatschappelijk werkers waren tot dan toe geen directeur boven hen gewend. Er volgden jaren van studie, bijscholing en op het werk schaalvergroting en fusies, tot hij bij de derde schaalvergroting er de voorkeur aan gaf om als free-lance organisatie-adviseur en interim-manager verschillende organisaties van dienst te zijn. Na ruim acht jaar tijdelijke en soms zeer drukke opdrachten, koos hij op zijn vijftigste voor de relatieve stabiliteit van Directeur van de Koninklijke Nederlandse Vereniging EHBO. Daar entameerde hij overigens weer een volgende fusie. De federatie tussen ‘algemeen' en ‘katholiek' kwam tot stand, maar het verleden bleek sterker dan de vernieuwing en nu zijn er weer twee organisaties. Na beëindiging van zijn betaalde dienstverband is Jos Noordanus nog wel eindredacteur van het magazine Eerste Hulp.
En nu Eerste Hulp aan dak- en thuislozen?
Jos Noordanus: Nu eerste hulp kan je mijn werk niet direct noemen, maar dat ook dak- en thuislozen via een cliëntenraad mee kunnen praten over hun opvang is wel belangrijk. De opzeet is dat er meer cliëntenraden komen en meer daklozen daarin gaan meedoen. Want hoe kwetsbaar daklozen ook zijn, het zijn - met al hun verschillen - in wezen mensen zoals jij en ik. Of hun cliëntenraden precies moeten worden zoals de wet die ook elders voorschrijft, kun je je afvragen, maar het principe is hetzelfde. Ik probeer er voor te zorgen dat cliëntenraden met elkaar in contact blijven komen en van elkaar blijven leren. Communicatie staat bij mij hoog in het vaandel en via een vernieuwde website en een speciale LSP nieuwsbrief werk ik daar aan mee. Verder proberen we een klein netwerk van regionale contactpersonen op te zetten met een eigen vertegenwoordigster voor de vrouwenopvang. Bovendien praat ik veel met directies. Als er in opvanginstellingen een goed klimaat voor een cliëntenraad is, heeft die meer kans van slagen.
Dus over twee jaar zijn er overal cliëntenraden?
Jos Noordanus: "Dat zou heel mooi zijn, maar in een opvang met zo'n wisselende bevolking kun je die garantie nooit geven. In een relativerende bui zie ik mijn werk wel eens als 'meedeinen op de golven van de wanorde' - maar als je dat positief opvat, heb je het over een praktische insteek om gebruik te maken van de mogelijkheden die er nu zijn en dan is er met dak- en thuislozen in de maatschappelijke opvang best wat te bereiken."
Rubriek: KOLOM de column in Mozaïek
door Joke Kniesmeijer
Gewetensbezwaren
Balkenende 4 - het klinkt als een filmserie, en die wordt meestal met elke volgende aflevering slechter. Ik moet zeggen, de eerste indruk was niet best. In het regeerakkoord is een passage opgenomen die nadrukkelijk ruimte biedt aan ambtenaren die vanwege gewetensbezwaren geen homo's willen huwen. Klinkt prachtig natuurlijk, om met een ruimhartig gebaar iemands religieuze principes te honoreren. Maar wie naar de consequenties kijkt slaat de schrik om het hart. Want wat er feitelijk in het regeerakkoord staat is dat sommige mensen in overheidsdienst het recht krijgen te discrimineren, en waar sommigen het mogen, mag iedereen het. Want de staat kan natuurlijk niet het ene religieuze gewetensbezwaar honoreren en het andere terzijde schuiven. Ik kan mij voorstellen dat er een ambtenaar is die met een beroep op de Bijbel weigert om twee mensen van verschillend ras te trouwen. En zeg nu niet ‘nou nou, dat is wel vergezocht', want in het Zuid-Afrika van de apartheid wemelde het van die mensen, en die konden moeiteloos de toepasselijke Bijbelpassages citeren. Ziehier het probleem van al die geschriften die in de ogen van gelovigen ‘heilig' zijn. Zowel de Bijbel, de Tora als de Koran bevatten zoveel tegenstrijdigheden dat er geen beleidsterrein te verzinnen is of de gelovige ambtenaar kan er gewetensbezwaren aan ontlenen. En nu noem ik alleen nog die geschriften die een zeker draagvlak hebben - ik kan natuurlijk ook zelf iets schrijven en verklaren dat het resultaat ‘heilig' is.
Wat me bijzonder steekt is dat uitgerekend
op het terrein van homorechten de gewetensbezwaarde christelijke ambtenaar de
ruimte krijgt. Het is bekend dat er nogal wat homo-vijandige opvattingen leven
onder bijvoorbeeld allochtone jongens, en homoseksuele leraren hebben regelmatig
aandacht gevraagd voor de problemen die zij ervaren als zij voor hun homoseksualiteit
uitkomen. Maar wat voor zin heeft het campagnes tegen dit discriminerend gedrag
te voeren als de overheid zelf overloopt van begrip voor ambtenaren die het
recht opeisen homo's te mogen discrimineren ?
Wat mij betreft is dit principieel niet te verdedigen - voor de overheid is
er maar één Heilig Boek, en dat is het Wetboek.
Joke Kniesmeijer verzorgt
dit jaar vier keer deze rubriek. Zij is geboren en getogen Amsterdamse. Zij
werkte voor de Anne Frank Stichting en verzorgde als freelancer wereldwijd tentoonstellingen
over de Holocaust. Zij is oud-voorzitter van het Mozeshuis.
Mozaïek november 2006
Ralph Levie, pleitbezorger voor dialoog tussen joden, christenen en moslims
"Theater maken, acteur worden, dat was toch mijn jongensdroom. Door Europa reizen en overal voorstellingen geven. En ik heb het ook gedaan, in de jaren tachtig. Ik heb een half jaar lang een theatercursus in Parijs gevolgd, vervolgens nog een jaar op de Kleine Academie in Brussel en drie jaar lang met theatergroep De Stijle Want rondgereisd, ‘s zomers langs allerlei festivals. Maar ‘s winters had je vaak geen werk en die festivals waren op den duur slopend. Altijd ‘s avonds optreden en dan soms ‘s nachts afbreken en de volgende dag weer opbouwen... op den duur kies je dan liever voor een meer geregeld leven. Bovendien wist ik waar mijn kwaliteiten als acteur lagen en niet lagen... nee, dan ben ik bij het Joods Historisch Museum op een heel interessante plek terecht gekomen."
Het Mozeshuis heeft Ralph Levie (51) gevraagd om bij de opening van de Winteracademie te vertellen over mazzel en sores in het leven van de joden in Amsterdam, vroeger en nu. Hij werkt sinds 1990 voor het museum, tevens kenniscentrum voor joodse cultuur en geschiedenis en is sinds 1998 directiesecretaris. Van huis uit is hij andragoog of liever gezegd van opleiding. Van huis uit zou hij de textiel en mode zijn ingegaan. Zijn ouders hadden een kledingzaak in Dieren: ‘de Magneet'. Een familiezaak die zijn overgrootvader eens begonnen was. Ralph Levie: "Ja er is wel even sprake van geweest of ik de zaak zou overnemen, maar dat trok me niet." Hij noemt het gezin waaruit hij komt ‘niet orthodox, maar traditioneel joods'. De joodse feesten vierden we bij mijn grootouders en mijn grootvader ging in Arnhem wel naar sjoel, maar streng was het allemaal niet. Ralph was vanaf zijn achtste jaar wel actief in Haboniem, de zionistisch-socialistische jeugdbeweging; later is hij er zelfs voorzitter van geweest. En tijdens zijn studiejaren in Amsterdam trok hij een jaar naar Israël om in een kibboets te werken: "Vooral om te zien hoe het daar was, ik dacht er niet serieus aan er te blijven wonen" Maar ook buiten joodse kring was hij in die jaren actief, zoals in de vredesbeweging, bij het opzetten van een woongemeenschap en "ik heb ook nog de eerste kringloopwinkel van Nederland helpen oprichten". Na zijn studie is hij weer naar Gelderland teruggegaan om bij het Algemeen Maatschappelijk Werk als andragoog trainingen voor maatschappelijk werkers te geven en een fusie van instellingen te begeleiden.
Educatieve dienst
Ik heb uiteindelijk in 1990 bij het Joods Historisch Museum gesolliciteerd op de functie ‘coördinator educatieve projecten'. Dat coördinatorschap en die projecten stelden toen niet zoveel voor; het was juist de bedoeling dat ik met twee anderen een educatieve dienst ging opzetten. Het idee was om vanuit de geschiedenis als joodse minderheid kennis uit te dragen en verbindingen te leggen naar andere minderheden. Dat is begonnen met het maken van programma's voor speciale doelgroepen bijv. uit het onderwijs gekoppeld aan rondleidingen hier. Tentoonstellingen over David en Mozes, gericht op kinderen, zijn uiteindelijk uitgemond in het kindermuseum dat we nu hebben. Nu werken er zeven mensen bij de educatieve dienst.
Dialoog
Buiten zijn werk bij het museum is hij de laatste jaren betrokken bij de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam. En als ik vraag wat hij bedoelt met ‘pleitbezorger voor de dialoog tussen joden, christenen en moslims ' zoals hij zich presenteert, heeft hij een heel concreet voorbeeld. "Ik zit momenteel in een mannengespreksgroep van vijf joden en vijf moslims. Daarin spreken we over allerlei belangrijke dingen, van opvoeding van kinderen tot het Godsbeeld van joden en moslims. Joden hebben (ook) in de Thora nogal eens de gewoonte met God in discussie te gaan, voor moslims is dat moeilijk te begrijpen. Daar is Allah almachtig en zo niet te benaderen. En behalve dat organiseren we vanwege de Ramadan een iftarmaaltijd. in de loofhut van de synagoge, want het is nu ook loofhuttenfeest'. Daar zijn Turkse en Marokkaanse moslims voor uitgenodigd en die zullen zeker komen. En hier in het museum heb ik ook de Dag van de Dialoog georganiseerd. Natuurlijk heb je dan wel met een voorhoede te maken van wat liberale mensen, maar willen we in Amsterdam met elkaar samenleven, dan zul je toch zo moeten beginnen."
Wereldleiders
column van Cees Smit
Zo'n 25.000 mensen woonden afgelopen
zomer met mij het internationale aids-congres in Toronto bij. In diezelfde week
overleden wereldwijd meer dan tweemaal zoveel mensen aan de gevolgen van een
aids-besmetting. Een getal waarbij het aantal slachtoffers van de toen nog volop
woedende oorlog tussen Israël en Libanon in het niet valt. In Canada was
de aids-conferentie voorpaginanieuws in de kranten en openden de TV-journaals
ermee. Bij terugkeer in Nederland vond ik er nauwelijks iets over terug in de
kranten en des te meer over de oorlog tegen het terrorisme. Het geeft aan dat
aids tegenwoordig toch niet echt als een probleem wordt gezien, dat de aandacht
vraagt van onze wereldleiders. De Canadese premier liet het bij de opening afweten,
hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd. En dat is wel een ongelooflijk slecht
excuus van één van de leiders van de G8-landen, die juist van
mening zijn dat de bestrijding van aids meer prioriteit zou moeten hebben. Overigens
was het in 1992 bij het aids-congres in Amsterdam niet anders, ook toen liet
onze overheid het afweten.
Alle aandacht bij de opening van het aids-congres ging dan ook naar Bill en
Melinda Gates, die een ijzersterk verhaal hadden over de vermindering van onveilige
sex en 500 miljoen dollar toezegden voor het ontwikkelen van vaginale gels om
vrouwen beter te beschermen tegen onveilige sex. Onveilig omdat veel mannen
weigeren een condoom te gebruiken en er wereldwijd nog veel kerkelijk of overheidsverzet
is tegen het gebruik van condooms. Zo werd op dit aids-congres de wedergeboorte
van de preventie het belangrijkste nieuws. Naast vaginale gels, was de besnijdenis
van mannen een terugkerend onderwerp omdat besnijdenis de overdracht van het
aids-virus bij seksueel verkeer vermindert.
Begin oktober was ik op een conferentie in Oostenrijk, waar de bestrijding van tuberculose hoog op de agenda stond. Tuberculose is na aids de meest belangrijke doodsoorzaak door infectieziekten. Terwijl ook hier de politici ontbraken, kwamen de namen van Bill en Melinda Gates weer terug. Ditmaal, omdat zij veel geld steken in het onderzoek naar effectievere medicijnen voor tuberculose dan die nu beschikbaar zijn.
Op de terugweg moest ik er opnieuw aan denken. Het zijn steeds zogenaamde wereldleiders die dit soort rampen plechtig op de politieke agenda zetten. Maar als ze zich er niet echt voor interesseren , dan zijn Bill en Melinda Gates voor mij toch de echte wereldleiders.
Dit is de laatste van vier columns in 2006 van Cees Smit. Hij leverde jarenlang bijdragen aan de Lering uit Aids symposia in het Mozeshuis. Ook andere Mozeshuisactiviteiten mochten van zijn kennis en betrokkenheid profiteren.
Hanneke Douw, voorzitter
MS vereniging:
"Politici hebben nog steeds geen idee
wat het betekent als gehandicapte te leven."
De Winteracademie 2007 gaat onder
het motto ‘Mazzel en sores'. Als er iemand mazzel weet af te dwingen tussen
de sores, dan is het Hanneke Douw-Faut, voorzitter van de MS vereniging Amsterdam,
deelnemer aan de Stichting Gehandicapten Overleg Amsterdam (SGOA), pleitbezorger
van de inclusieve maatschappij, winnares van de Theo Zwetsloot Award 2005 voor
haar creatieve en emancipatorische acties voor gehandicapten en last but
not least: levenskunstenaar. Dat vergt enige uitleg voor een niet-ingewijde.
Die wordt door Hanneke verstrekt op haar fraaie woonboot in de Amstel.
'Toen ik 15 jaar gelden M(ultiple) S(clerose) kreeg, ben ik voorzitter geworden
van de MS vereniging Amsterdam. Dat was nuttig, maar kleinschalig. Ik dacht:
dat moet hogerop te trekken zijn. Vandaar de SGOA,. Het leek mij goed om wat
breder bezig te zijn, omdat je op die manier uit je eigen sores getild wordt.
Sinds ik daar werk denk ik nooit meer "Wat betekent dit voor mij", maar "Wat
betekent dit voor alle gehandicapten in de stad". Wat wij willen, is een inclusieve
samenleving, waaraan gehandicapten maximaal deel kunnen nemen. Dat betekent
hobbels uit de weg ruimen, soms ook letterlijk.
Wat denk jij als deskundige van
de Wet Maatschappelijke Ondersteuning ?
"Die nieuwe wet gaat uit van zelfredzaamheid. Op zich is dat een goed initiatief,
maar in feite betekent het dat de maatschappij voor jou moet zorgen. Gewoon
de buurvrouw die een pannetje soep komt brengen. Daar is natuurlijk niks mis
mee, zulke zorg kan geweldig zijn, maar het is geen oplossing voor mensen met
een handicap, want die hebben vaak zorg nodig van 's morgens tot 's avonds.
Ik ben dus bang dat het neerkomt op verkapte bezuinigingen."
Maar wat kun je eraan doen?
"Zo'n SGOA wordt wel bij de besluitvorming betrokken. Als je daar inzit mag
je meepraten over de WAO e.d. Je kunt dus proberen om er een goede draai aan
te geven. Maar het blijft een druppel op de gloeiende plaat: het meeste is al
beslist. Politici hebben geen idee wat het in de praktijk betekent om als gehandicapte
in Amsterdam te leven. Nog steeds zijn ook nieuwe gebouwen volstrekt ontoegankelijk
voor rolstoelen. Er worden kleine successen behaald, maar eigenlijk is het een
groot gevecht tegen de bierkaai."
Ben je cynisch geworden?
"Dat moet je niet zijn en niet willen zijn. Dan gaat je handicap tegen
je werken. En persoonlijk heb ik veel voor elkaar gekregen. Ik heb een leuke
rode Canta, een invalidenwagentje waarin je overal rijden kunt. Mijn rolstoel
past achterin zodat ik totaal onafhankelijk ben. Verder heb ik veel positieve
aandacht gekregen door het vrijwilligerswerk dat ik doe, ook van de media. Zo
heb ik jarenlang als een soort vertegenwoordiger van gehandicapten deelgenomen
aan het Lagerhuis. En natuurlijk kreeg ik de Theo Zwetsloot Award o.a. voor
mijn Wild Wheelsgids, de uitgaansgids voor gehandicapten."
Hoe is jouw geschiedenis?
"Als gesjeesde antropologiestudent ben ik in de horeca beland. Ik werkte keihard
en was ook keihard. Tijdens een etentje leerde ik mijn man kennen. Vijf weken
later was ik zwanger. Ik trouwde, en vijf dagen na de bruiloft kreeg mijn man
een hartinfarct. Gelukkig kwam hij daar goed uit, maar ik werd steeds vermoeider.
Na de geboorte van Rosa kon ik zelfs niet meer lopen. Drie weken later kreeg
ik de diagnose MS. Toch was dat op de een of andere manier de gelukkigste
tijd van mijn leven. Ik was ontzettend blij met mijn mooie dochter en opgelucht
dat ik geen tumor had. Van MS dacht ik: ik kan er mee leven. Ik zat op de fiets
tot ik er vanaf viel en daarna heb ik een scooter gekocht, met Rosa achterop
in een kinderstoeltje en toen dat ook niet meer ging kwam de Canta. Al gauw
had ik een fulltime baan aan het vrijwilligerswerk, dat heeft me behoed voor
een depressie.
En ik ben door al deze sores meer mens geworden. Zieken en gehandicapten
beschouwde ik als loosers. Wat dat betreft is mijn beleving ingrijpend
veranderd. Nog steeds vind ik dat er veel gezeurd wordt, maar ik heb er begrip
voor. Mijn vrijwilligerswerk staat op dit moment op een lager pitje, omdat ik
ook kanker heb. En ik realiseer me daardoor meer dan ooit dat je er van moet
maken wat er van te maken is." (interview joke van der wey)
rubriek: Thuis in het Mozeshuis
Ank Veenstra van de Amsterdamse Vrouwengroep
De folder van de Amsterdamse Vrouwengroep van de Raad voor Levensbeschouwingen en Religies Amsterdam (RLRA) laat in een stadspanorama prominent de torens van de Mozes & Aäronkerk zien. ‘Vrouwen van verschillende religieuze achtergronden in gesprek' staat er op. Ank Veenstra (59) is voorzitter van de kerngroep en drijvende kracht achter de ontmoetingen die sinds 1998 plaatsvinden. Tot mijn verbazing zegt ze nog niet zo vaak in het Mozeshuis en de Mozes & Aäronkerk te zijn geweest. Vorig jaar werd door de vrouwengroep en het Mozeshuis hier wel een speciale bijeenkomst rond religie en mensenrechten georganiseerd. Bij de twee series Beminde Gelovigen over gemengd gehuwden die het Mozeshuis samen met de RLRA in 2000 organiseerde was zij niet betrokken. Maar Ank Veenstra is iemand die zich hier snel thuis voelt. Enthousiast gesticulerend vertelt ze hoe leuk en waardevol de gesprekken zijn tussen vrouwen van verschillend geloof. En wat zij al aan ontmoetingen en bijeenkomsten hebben georganiseerd en nog zullen organiseren. Overigens zijn ook niet gelovige vrouwen welkom.
Als zij over zichzelf vertelt, valt direct op dat die interesse voor anderen en die spontaniteit niet van de laatste jaren zijn. Geboren in de Indische buurt groeide ze op in de Ruyschstraat tussen Wibautstraat en Amstel. "Bij ons in de straat woonden verschillende joodse gezinnen en tegenover ons was een groot huis waar Surinamers zaten. Ook op de Montessorischool kreeg ik te maken met kinderen van allerlei afkomst en uit verschillende milieus. Daar kwam je ook thuis en die nam je dan mee naar huis. Mijn ouders vonden dat niet altijd even prettig." Toch was er in het gezin van vijf kinderen wel ruimte voor en misschien had het geloof er ook mee te maken. "We waren lid van het Apostolisch Genootschap, ooit in Schotland ontstaan en via Duitsland in Nederland beland. Daar werd sterk de nadruk gelegd op het leven van Jezus. In het huidige Apostolische Genootschap waar ik nog steeds deel van uitmaak, heeft zich dat meer ontwikkeld naar de eigen verantwoordelijkheid van de gelovigen om hun leven in te richten zoals hij dat heeft voorgedaan Persoonlijke kwaliteiten als mens spelen in onze kerk, bijv. bij de aanwijzing van voorgangers en ‘opzieners' een belangrijke rol. En we zijn een genootschap, je doet het dus in principe samen. Maar sta daarbij altijd open voor de ander." Ook in haar werk als apothekersassistente kreeg ze met ‘iedereen' te maken.
Via één van haar dochters is zij bij de RLRA betrokken geraakt. Die dochter studeerde Religie en Levensbeschouwing aan de VU en een stageopdracht was om de dialoog tussen religies ook plaatselijk te bevorderen. Na de oprichting van de RLRA in 1997 leidde dat in 1998 tot de vrouwengroep . De opzet was om vrouwen van verschillend geloof en achtergrond in kleine groepen met elkaar te laten praten over bepaalde thema's. We zijn bijv. begonnen met ‘eten' Wat zijn in de verschillende godsdiensten de gebruiken rond voedsel ? Van principieel vegetarisch van Boeddhisten en Hindoes tot kosjer eten door joden en halal door moslims. Ook gingen we bij elkaar op bezoek. De aanslagen in de Verenigde Staten van 11 september 2001 vormden helaas een omslagpunt. De moslims die meededen trokken zich toen terug. Een conferentie in het Stadhuis in 2002 heeft voor een heropleving gezorgd. Er waren 120 vrouwen, ongeveer 1/3 moslim, 1/3 joods en 1/3 christelijk, anders en niet-gelovigen, die zich zorgen maakten over ontwikkelingen in de stad. Zij wilden gezamenlijk ideeën ontwikkelen om tot betere verhoudingen te komen. Dat heeft veel opgeleverd. Bovendien zijn we in contact gekomen met groepen zoals OFRA, een Marokkaanse vrouwenorganisatie, de joodse vrouwengroep NCJW en ProFor. Samen met hen organiseert de vrouwengroep ontmoetingsdagen, zoals dit jaar in de Bijlmermeer over vooroordelen. Maar ook een bezoek aan het Bijbels Museum of de hindoetempel in Wychen stonden op het programma. Bij alle dingen die goed gaan, heeft Ank Veenstra toch nog duidelijke wensen: "De vrouwen van christelijke achtergrond laten het nu een beetje afweten, dus die zou ik er meer bij willen hebben én jonge Nederlandse vrouwen. Juist onder goed opgeleide jonge moslima's is veel belangstelling om mee te doen, die zouden graag ook leeftijdgenoten willen ontmoeten. Onbevangen op zoek zijn naar wat anderen belangrijk vinden, dat werkt voor iedereen heel verrijkend."
Meer over de Amsterdamse Vrouwengroep via www.amsterdamsevrouwengroep.nl of een telefoontje naar 020-6949647
rubriek: Tussen de Torens
Kourosh Ajamlou schildert voor Stop Aids
Now en the Hunger Project
Kourosh Ajamlou is een man van ideeën, een kunstenaar, die zijn talent gebruikt om mooi werk te maken en die zich met zijn kunst ook inzet voor goede doelen. Niet alleen door werk beschikbaar te stellen, maar ook door een heel programma te organiseren. Bovendien hebben zijn schilderijen betrekking op het goede doel zelf. Vanwege Wereldaidsdag (vrijdag 1 december) staat zijn project op 1 en 2 december in het teken van de aidsproblematiek. Op vrijdag zullen in de Mozes & Aäronkerk vier schilderijen die hij speciaal hiervoor gemaakt heeft ook worden geveild. De opbrengst gaat naar STOP AIDS NOW en The Hunger Project. Op beide dagen zorgen vertellers van de Verhalenfabriek voor de verhalen bij de schilderijen. Daarnaast is er een expositie van andere werken van Kourosh Ajamlou. (zie verder Achter het Nieuws) De Mozes & Aäronkerk is bekend terrein voor Kourosh en we werken als Mozeshuis ook bij dit project graag met hem samen. Verschillende van zijn ontwerpen sierden onze folders en vorig jaar vierde hij hier met een overzichtstentoonstelling zijn veertigste verjaardag.
Wat is je motivatie om iets tegen
aids te doen?
Kourosh Ajamlou : "Aids is een wereldwijd probleem en de Derde Wereld is het
meest getroffen. Ik heb in mijn leven veel gereisd en veel armoede gezien. Mijn
persoonlijke mening is dat wij in Europa en in het westen in het algemeen de
Derde Wereld misbruiken om het zelf goed te hebben. We lijken de Derde Wereld
te vergeten. Een voorbeeld is aids. Er bestaan veel medicijnen om aids te remmen,
maar omdat allerlei bedrijven in het westen vasthouden aan hun octrooirecht
en commerciële doeleinden zijn de medicijnen te duur voor de bevolking
daar. Daar steunt hij met dit evenement STOP AIDS NOW en The Hunger-project
(www.thehungerproject.nl). Laatstgenoemde is een internationale organisatie
van voornamelijk vrijwilligers. Hun filosofie is dat het oplossen van wereldproblemen
een individuele en persoonlijke aanpak vergt. Met afdelingen in 23 landen werken
ze in de Derde Wereld om de mensen daar te helpen zelf hun leefomstandigheden
te verbeteren. Bijvoorbeeld door vrouwen zelfstandig te maken. Als ze minder
afhankelijk zijn van mannen is aidsbestrijding ook gemakkelijker.
Je werkt ook voor andere goede
doelen?
Ja, ik doe bijvoorbeeld al jaren mee aan het Rode Kruis Gala in Amsterdam en
in Nijmegen. Voor hun kunstveiling probeer ik meestal een origineel kunstwerk
te maken. Maar ook voor Kappen Nou! tegen zinloos geweld en voor Foster Parent's
Plan, het tegenwoordige Plan heb ik geschilderd. En al eerder voor het Aidsfonds.
Meestal weet ik wel waar mijn schilderijen terecht komen. Soms bij grote bedrijven
en soms bij particulieren.
Hebben jouw acties nog andere
gevolgen gehad, bijvoorbeeld opdrachten voor ander werk ?
Niet echt! Maar daar is het mij natuurlijk niet om begonnen.
Je werkt op 1 en 2 december samen
met de Verhalenfabriek. Wat kun je ons daarover vertellen ?
Dat is opgezet door twee mensen Francine Plaisier en Tim Klein Schiphorst die
zowel voor kinderen op basisscholen als voor werknemers in bedrijven workshops
verhalen vertellen organiseren. Door je eigen verhaal te kennen en te kunnen
vertellen leer je jezelf kennen en laat je zien waar je voor staat. Het
aardige is, dat ze bij workshops voor bedrijven ook kinderen betrekken. Ze laten
dan de werknemers aan kinderen het verhaal vertellen. Van de reacties van kinderen
kan je zoveel leren. Ik heb al eerder met hen samengewerkt en zij hebben zelf
met the Hunger Project gewerkt. Dat past dus prima bij elkaar. Ik verwacht zeker
twee boeiende middagen en natuurlijk hoop ik op een grote opbrengst voor de
projecten.
Rubriek: Amsterdam tussen trots en ergernis
17
jaar werk binnen anderhalve week afgebroken - hoe groot kan je ergernis zijn?
door Henk van Waveren. oud stadsdeelvoorzitter De Baarsjes
Begin oktober besloten enkele jonge mensen binnen de Aya Sofia moskee in stadsdeel de Baarsjes om de stichters van de nieuw te bouwen Westermoskee uit hun funkties te zetten. En anderhalve week later bleken zij een complete ravage te hebben aangericht. De inspanningen van de stichters, die de afgelopen 17 jaar dag in dag uit hebben gewerkt aan de totstandkoming van de Westermoskee, werden binnen anderhalve week vrijwel tot de grond toe afgebroken.
Wat is er aan de hand? De afgelopen 17 jaar werd de Aya Sofia moskee in Amsterdam vooral geleid door de heren Uzeyir Kabaktepe en Eyirgit. De afgelopen acht jaar kwam daar Haci Karacaer bij als directeur van Milli Görüs Noord-Nederland, waartoe de Aya Sofia moskee behoort. Na zeven jaar ruzie met het stadsdeel over de bouw van een nieuwe moskee werd door tussenkomst van de woningcorporatie Het Oosten in december 2000 een doorbraak bereikt. Er zou een geweldig mooie moskee worden gebouwd. Vanaf 2000 is door de corporatie, het stadsdeel de Baarsjes en de Aya Sofia eendrachtig gewerkt aan het tot stand brengen van deze moskee temidden van 116 woningen, 2000 m² bedrijven en een grote parkeergarage onder de grond.
De realisering werd geplaagd door een grote hoeveelheid problemen: het instorten van de koopmarkt voor nieuwbouwwoningen - met als gevolg het na drie jaar compleet nieuw ontwikkelen van het gehele plan - het drie keer ontwerpen van de moskee, een reeks gerechtelijke- en bezwaarprocedures van boze buurtbewoners, problemen met het financieren van de moskee, het wijzigen van de bouwregelgeving tijdens de ontwikkeling van het project, het vinden van geschikte tijdelijke huisvesting voor de Aya Sofia na sloop van de gebouwen en ga zo maar door. Vanaf 1998 toen geheime onderhandelingen begonnen tussen het Oosten, het stadsdeel en de Aya Sofia om uit de conflicten te komen is er tot 2006 samen gewerkt om al deze problemen op te lossen. Ieder normaal bouwproject was allang mislukt; zo groot waren de ontwikkelingsproblemen. Maar geen van de drie partijen wilde van opgeven weten. Vooral het feit dat de moskee naast heel mooi ook het voorbeeld kon worden van een islam die de samenleving opzoekt, de samenleving binnen de moskee brengt en geen enkele discussie uit de weg zou gaan, was een krachtige motor om niet op te geven en door te gaan. In februari 2006 gaf de toenmalige minister Donner het startschot voor de bouw van de moskee. Iedereen was trots. Menigeen kon de emoties niet bedwingen. De damwanden voor de garage werden geslagen. Dit zou gevolgd worden door de bouw, op het moment dat de offerte van de Rabo bank door de Aya Sofia zou worden geaccepteerd. Dat was begin oktober. En op dat moment verandert het beeld dramatisch. Onervaren bestuurders van de Aya Sofia wilden de macht. De offerte verliep. De bank trok zich terug. Gevolgd door de aannemer. Gevolgd door de corporatie. Met een volstrekt verkeerd ingezette machtsgreep werd het vertrouwen van de partners van de Aya Sofia dat in 8 jaar tijd werd opgebouwd en de inspanningen van Kabaktepe, Eyirgit en Karacaer in anderhalve week tijd vrijwel geheel verspeeld. En nu lijkt de bouw van de Westermoskee verder van realisering dan ooit. Hoe groot kan je ergernis hierover zijn?
Henk van Waveren
Henk van Waveren, was vanaf 1995 - 2006 stadsdeelvoorzitter van de Baarsjes en direct betrokkene bij de plannen voor de Westermoskee. In het gerezen conflict heeft hij (zonder succes) nog proberen te bemiddelen.
Amsterdam tussen trots en ergernis is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse) samenleving. Reacties via h.koster@mozeshuis.nl welkom!
Mozaïek september 2006
Nieuwe voorzitter
Els Agtsteribbe:
"Als je geen hoop hebt op een betere
toekomst, dan word je maar cynisch en verandert er nooit wat."
De nieuw aangetreden voorzitter Els Agtsteribbe is zeker geen vreemde in Jeruzalem. En voor Jeruzalem mag dan gelezen worden Amsterdam, de binnenstad, de Nieuwmarktbuurt, maar ook het Mozeshuis en de Mozes & Aäronkerk. Zij heeft hier vele stappen liggen en is van plan daar nog de nodige aan toe te voegen.
Bij dit korte kennismakingsgesprek
buitelen de herinneringen over elkaar en soms zijn de jaartallen niet helemaal
te onderscheiden. Ze heeft in meer dan veertig jaar zoveel verschillende banen
gehad ( o.a. bij een jeugdhotel, een uitgeverij, het Grifttheater, het Amsterdam
Centrum Buitenlanders, stichting Kunst & Samenleving), ze heeft zoveel acties
gevoerd, is zolang betrokken in de politiek en actief in allerlei maatschappelijke
organisaties. Dat gaat door. De rode draden in haar leven zijn volgens
haar: op eigen benen staan, je steentje bijdragen aan een betere wereld, van
de geschiedenis leren en bestrijden van discriminatie en rassenhaat.
Zij is in 1940 geboren in de Deymanstraat tussen Amstel en Wibautstraat.
Na de middelbare school ging ze snel aan het werkomdat ze geld wilde verdienen.
Dat moest ook wel. Thuis hadden ze het na de oorlog niet breed. Zelf zegt ze
daarover: "Ach in de jaren vijftig, zestig waren de meeste mensen arm.
Tot 1952 waren er bonkaarten, kon je niet eens alles zomaar kopen. Mensen van
nu vergeten dat nog wel eens. Wij hadden met ons gezin van vier kinderen één
paar schaatsen. Dan moest je op elkaar wachten tot jij weer aan de beurt was.
Maar je herinnert je dat je op de Amstel hebt geschaatst. Dat telt toch het
meest."
Ze trouwde, kreeg twee dochters en is nu de trotse oma van twee kleinkinderen: "een grote van zestien en een kleine van twaalf". Van 1974 - 1980 was ze gemeenteraadslid voor de PSP, de pacifistisch - socialisten, opgegaan in Groen Links en van 1986 - 1998 gemeenteraadslid voor de PvdA. Zo leer je Amsterdam wel kennen, en omgekeerd leert Amsterdam jou kennen.
Daarom is het niet vreemd dat het Mozeshuis al in de jaren zeventig een bekende plek voor haar was, ook voor buurtvergaderingen ‘over de strijd voor het behoud van de oude buurten en tegen gedwongen verhuizing van bewoners voor cityvorming en kaalslag vanwege de metro-aanleg'. Daar deden de paters franciscanen van het Mozeshuis ook aan mee. Maar het maakt voor haar niet uit vanuit welke inspiratie je bezig bent. Zelf noemt ze zich een ‘culturele jodin uit een socialistisch nest': "Het joods geloof praktiseer ik niet, maar het besef dat ik joods ben, vind ik erg belangrijk. En socialisme heb ik van thuis meegekregen." Cultuurverschillen zijn er soms wel. Ze herinnert zich nog dat ze een keer in het Mozeshuis in de huiskamer van de paters werd uitgenodigd na een bewogen vergadering beneden: "Toen zat ik opeens in een prachtige kamer met allerlei antieke spullen, tegenover een pater in een bruine pij, die me een glas wijn aanbood en wat plechtig vroeg hoe ik dat nou allemaal volhield als moeder van twee kinderen."
Wat haar in het Mozeshuis al vanaf het begin aansprak was de wil om voor mensen die maatschappelijk in de knel zitten op te komen. En ook om bruggen te slaan tussen verschillende groepen. Dat is volgens haar samenlevingsopbouw in optima forma of ‘het versterken van de sociale cohesie, zoals dat in het huidige jargon heet'. Of het, zoals vroeger nu gaat om asielverlening aan Marokkaanse gastarbeiders of recent om symposia over Mantelzorg. Je moet naast de mensen gaan staan, hun verhaal horen en hen de kans geven hun situatie te verbeteren. Haar motto daarbij is: eerlijk delen en niet bang voor elkaar zijn. Ook in het huidige ‘allochtonendebat' wordt volgens haar angst per kilo verkocht. Terwijl er veel goed gaat. "De rotzakken moet je er natuurlijk uithalen, verantwoordelijk stellen en zo nodig straffen. Maar niet op basis van incidenten gaan denken en handelen alsof hele groepen niet deugen. Tegen discriminatie heb ik me altijd hevig verzet." Idealisme is haar dus niet vreemd. Ze erkent dat volmondig: "Als je geen hoop hebt op een betere toekomst, dan word je maar cynisch en verandert er nooit wat."
Ferdinand
van Melle neemt afscheid als
dominee voor gevangenen en ‘geïllegaliseerden'.
Justitiepredikant Ferdinand van Melle heeft voor zijn afscheidsbijeenkomst (op 31 augustus) speciaal de Mozes & Aäronkerk uitgekozen. Vanwege de band van de kerk met zijn eigen werk: opkomen voor mensen die in de verdrukking zitten. En hij kent het Mozeshuis van de Taakgroep Vluchtelingen van de Raad van Kerken, ooit hier opgericht. Hij hield hier ook een inleiding voor de Winteracademie samen met een bewoner van Exodus, het opvanghuis voor ex-delinquenten. Hadden ze de rollen eerst even omgedraaid. Hij de ex-crimineel en de bewoner de dominee, tevens bestuurslid van Exodus. Om te laten zien hoe dun de lijn kan zijn tussen het rechte pad en een scheve schaats. Dat had nog wel wat verwarring en boosheid bij een enkeling opgeleverd. En -met een glimlach- was Mozes zelf, behalve man van God ook niet eens misdadiger en vluchteling geweest? Hij heeft dus tal van redenen om collega's, relaties, vrienden en bekenden juist hier uit te nodigen bij zijn pensionering. Het echte afscheid is echter in het Grenshospitium bij de laatste kerkdienst die hij zal leiden. Want bij de mensen die ‘vanwege problemen met hun verblijfspapieren' zijn opgesloten om te worden uitgezet, ligt zijn hart.
Ferdinand van Melle komt uit Utrecht, als vijfde in een gezin van negen. Vader directeur van het Diaconnessenhuis, grootvader hervormd predikant. Het ligt voor de hand dat hij gaat studeren, theologie in Leiden. Zijn eerste standplaats als dominee is West-Friesland. Een vrijzinnige hoek, de kerkelijkheid is daar niet groot. De pastoor daar maakt hem dat snel duidelijk door een kist vol met bloemkolen op zijn kant te zetten: "Kijk, zo vol zit de kerk bij je intree " En door daarna alle bloemkolen op één na eruit te halen. "En zo vol zit -ie normaal." Waren een groepje gereformeerden, die in het dorp zelf geen kerk hadden, nog zijn trouwste kerkgangers geworden. Zo lag oecumene, samenwerken met andere kerken, direct al voor de hand. Na zeven jaar, in 1979, werd hij beroepen in Driebergen in een ‘superkerkelijke gemeente'. Iedere zondag zat de kerk vol. Daar kreeg hij ook met vluchtelingen te maken. Samen met de Gemeente Driebergen en een vrijwilligersgroep uit de kerk werd een groep Eritreeërs opgevangen. Na weer zeven jaar terug naar Noord-Holland. De Ruïnekerk in Bergen was wel wat anders dan West-Friesland. De kerk, maar in feite het hele dorp, probeerde vluchtelingen uit o.a. Bosnië met een nieuw bestaan te helpen. Ook in andere opzichten was het een inspirerende kerkelijke gemeente. Maar na zeven jaar ging het weer knagen en toen had hij na een tip zomaar een open sollicitatie bij het Justitiepastoraat gedaan. Hij kon in 1996 direct terecht - met uren in Alkmaar, in de Bijlmerbajes, en in het Grenshospitium waar sinds 1992 geweigerde asielzoekers en ‘geïllegaliseerden' werden opgesloten. Hoewel het werk overal bestaat uit individueel pastoraat, groepswerk en de zondagse kerkdiensten is er een groot verschil tussen het werken met misdadigers en met mensen, die zonder een misdaad te hebben begaan, vanwege problemen met hun papieren, opgesloten zijn. "In de gevangenis probeer je mensen na te laten denken over de tijd wanneer ze weer vrij zullen zijn, maar die mensen hebben nog wel een basis. In het Grenshospitium is het heel anders: daar heb je met mensen uit de hele wereld te maken, die Nederland uitgezet moeten worden, maar die in twee van de drie gevallen zonder geld of goed hier op straat worden gezet. Die voelen zich vaak door iedereen vreselijk in de steek gelaten. In die onzekerheid probeer je als pastor mee te zoeken naar perspectief in hun gebroken bestaan." Ook al zijn geestelijk verzorgers werkzaam bij justitie ze zijn onafhankelijk in hun werk; al levert dat soms een spagaat op. Bijv. conflicten met de gevangenisdirectie als de dominee onverkort voor zijn ‘bewoners' kiest. De steun van een kerkelijke gemeente - in zijn geval uit o.a. Duivendrecht- en van de Bezoekgroep van vrijwilligers is dan ook erg belangrijk. Ook na zijn pensionering hoopt Van Melle via de kerk aan verbetering van het lot van ‘geïllegaliseerden' in detentie te kunnen werken. Want zo het nu geregeld is, dat zelfs kinderen opgesloten kunnen worden, "dat is een schande en bovendien werkt het niet." Toch neemt hij niet verbitterd afscheid: "Ik heb zoveel geleerd van het geloof in het leven, van de kracht ook van het geloof, van het gebed en het zingen, dat sommige Afrikanen in het Grenshospitium hebben. Ondanks alles. Zo gaan zij met mij mee en ik met hen, waarheen dan ook."
Ook voor moslims is er niet één identiteit
Symposium in de Mozes & Aäronkerk verkent relatie tussen geloof en identiteit
Op maandag 15 mei opende het dagblad Trouw er mee: "Internet goed voor integratie. Fora op internet bevorderen, volgens het Jaarboek ict 2006, vaak de integratie: Autochtone en allochtone jongeren krijgen door discussies op internet meer begrip voor elkaars standpunt. Maar in hun virtuele wereld doen zij dingen waar hun ouders geen notie van hebben." Op 10 mei organiseerden het Ignatiushuis en het Mozeshuis samen met de Vrouwenfederatie van Milli Görüs, de Unie van Marokkaanse Moskeeën in Amsterdam en Omgeving (UMMAO) en stichting Yoesouf, educatiecentrum voor Islam en Maatschappelijke Vraagstukken een symposium in de Mozes & Aäronkerk over Islam en identiteit met speciale aandacht voor jongeren en vrouwen. Hoe is het om als moslim in Nederland te leven en welke rol speelt het geloof bij de identiteitsvorming? Met voor de Nederlandse niet-moslim deelnemers de extra vragen: hoe je je tegenover moslims kan gedragen en wat zij van je verwachten. Hier waren onder de ongeveer zestig deelnemers veel vrouwen, zowel moslims als niet-moslims, maar weinig jongeren. De rol van internet kwam dan ook nauwelijks ter sprake; of het moest zijn de vrees dat jongeren als Mohammed B. door allerlei cyber-imams radicale opvattingen ingegoten krijgen en op basis van dit bijeen gegoogled geloof integratie in Nederland willens en wetens frustreren.
Meer ontmoeting nodig
Identiteit en geloof zijn -welk geloof je ook neemt- ingewikkelde begrippen. Dat bleek ook in dit symposium. Hoezeer de inleiders en organisatoren ook hun best deden om beide begrippen en hun relatie te definiëren, het bleven ‘vloeibare begrippen', niet duidelijk af te grenzen. Identiteit kent vele vormen en is van vele factoren afhankelijk. Het werd snel duidelijk dat ‘de islamitische identiteit' niet bestaat. Ook al lijken Nederlanders met de komst van grote groepen moslims in Nederland opeens tot niet-moslims gepromoveerd en was dat geen duidelijke tegenstelling? Op wereld schaal - de moslimwereld tegenover het westen - lijkt het een duidelijke tegenstelling. Maar zo'n tegenstelling geeft vele mensen een vreemd gevoel als het om hun buren of collega's gaat. Want mensen hebben zoveel met elkaar gemeen dat verschillen er wel zijn, maar er gelukkig niet toe doen..
Tijdens dit symposium dat geleid werd door Fieke Klaver van het Ignatiushuis en Cor Bon van het Mozeshuis hadden de deelnemers van zo'n vreemd gevoel weinig last. De sfeer was uitstekend en in de pauzes werd er zonder onderscheid veel met elkaar gepraat. Ontmoeting, elkaar vragen blijven stellen, op zoek gaan naar wat mensen van verschillend geloof en achtergrond bindt dat werkt heel vormend ook tijdens zo'n symposium. Zo werd duidelijk dat er in de islam veel verschillende opvattingen bestaan en er geen sprake is van één collectief geloof of collectieve identiteit van alle moslims. Omar Nahas van stichting Yoesouf waarschuwde zelfs daar ook geen verwachtingen over te koesteren: "Wacht nou niet tot de moslims het in de veiligheid van de eigen groep over hun identiteit eens zijn geworden. Dat zal nooit gebeuren. Zie deze conferentie van vijf verschillende partijen, ieder met zijn eigen achtergrond, als een kern, die zich verder kan ontwikkelen. In dit soort ontmoetingen en ook dit samen organiseren wordt immers het wij-zij denken' doorbroken. Fatma Katirci voorzitter van de Vrouwenfederatie sloot zich daar van harte bij aan: "Wij hebben elkaar nodig en als wij niet samenwerken, dan zal de achterban niet volgen." Toch zal het niet alleen op het institutionele niveau van kerken, moskeeën en educatieve centra moeten gebeuren. Mohammed Salihi van de UMMAO wees op de kloof die er met name tussen moslimjongeren en moskeeën bestaat. Er gaan immers maar weinig jongeren regelmatig naar de moskee. Nog minder jongeren hebben interesse voor het moskeebestuur, gesteld al dat ze door de ouderen uitgenodigd worden om daarin zitting te nemen. Maar veel van deze jongeren noemen zich wel moslim. En je ziet ook dat jongeren zich voor vragen van leven en geloof interesseren. Ook bij moskeeën zijn er gespreksgroepen van jongeren. Maar om jongeren bij zo'n samenwerking te betrekken is dus meer nodig.
Uitnodiging om na te denken
‘Voor mij' zo begon Omar Nahas van stichting Yoesouf zijn inleiding, ‘is de Koran een cadeau van God en dan vooral een uitnodiging tot nadenken. Omdat verschillende onderwerpen door de Koran verspreid staan, moet je wel de hele Koran lezen om die goed te begrijpen.' De Koran is voor alle moslims de belangrijkste bron van kennis. Maar naast de Koran, kent de moslim nog drie andere bronnen waaruit hij kan putten voor zijn leven: de sunna, ofwel de handelingen en uitspraken van de profeet Mohammed; de consensus van de moslimgemeenschap (de umma) over de regels die in de Koran en sunna staan en de analogie - het geheel van kennis en leefregels dat op basis van de vorige drie bronnen kan worden afgeleid. Dan gaat het over moderne verschijnselen, die niet in de Koran of sunna beschreven konden worden, omdat ze toen niet bestonden. Wat je van televisie, internet of xtc moet vinden, staat niet in de Koran of de sunna. Die uitleg via analogie is nog steeds in ontwikkeling. Dat heeft ook zijn belang voor de identiteit van de moslim. Identiteit laat zich niet zomaar afleiden uit het geloof. Moslims zijn geen wandelende korans. Geloof, cultuur - zowel die van het land waar je woont als het land waar je familie vandaan komt- en de specifieke situatie waarin iemand verkeert beïnvloeden elkaar voortdurend. Bovendien is er sprake van ontwikkeling in het leven en in betrokkenheid bij het geloof bij ieder mens. Iedereen kent perioden waarin hij meer of minder gelovig is. Moslimjeugd laat zich dus niet onder één noemer vatten. Zeker waar de jongere een conflict voelt met de islam van zijn ouders, zal hij zijn eigen islam ontwikkelen. Dat is ook legitiem. Toch hoeft dat niet te betekenen dat hij de bronnen van de islam moet loslaten. Met een voorbeeld trachtte hij dat duidelijk te maken. Stel een moslimmeisje dat in Nederland verliefd wordt op een niet-moslim jongen. Dat zal in Nederland overigens steeds vaker voorkomen. Als de jongen geen moslim wordt is dat huwelijk voor de Koran gewoon verboden. Een moslim vrouw mag niet met een niet-moslim trouwen. Toch zou je kunnen kijken waarom de Koran dit verbiedt. Dat is ‘omdat de man de vrouw wel eens zou kunnen beletten om haar religie te belijden'. Maar als dat nu niet het geval is, is het dan nog verboden? Daar kun je over nadenken. Een tweede reden van zo'n verbod is, dat kinderen uit zo'n huwelijk de religie van de vader zouden krijgen. Dat is in sommige landen zo, maar in Nederland niet. Dus dat maakt het verbod weer minder absoluut. En tenslotte wie is moslim ? Hoe wordt je moslim ? Je wordt moslim als je de geloofsbelijdenis van de moslim uitspreekt: Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet. Christenen zouden zeker het eerste beamen en het tweede niet ontkennen. In principe zou zo'n jongen, die dat uitspreekt ook als moslim kunnen worden gezien. Nahas' conclusie: Je hoeft dus niet per se de hele islam te veranderen om zulke meisjes te helpen. Blijft wel het feit dat de praktijk weerbarstig is en dat de meeste moslimfamilies een dergelijke verbintenis helemaal niet zien zitten en soms zelfs onmogelijk maken. Zeker kwam dat ook in christelijke kringen veel voor. Maar de islam biedt wel de ruimte om er over na te denken en het niet bij voorbaat bij een absoluut ‘nee' te laten.
Toen Nahas zei, dat in zijn (blijkbaar niet fictieve) voorbeeld de jongen uiteindelijk toch moslim was geworden, kwam hem dat op een teleurgestelde reactie van een vrouw uit de zaal te staan. Deze vrouw, zelf uit een christelijk gemengd huwelijk geboren, vond dat jongeren van nu die van elkaar hielden altijd geholpen zouden moeten worden ook al hadden ze een verschillend geloof. Je moet er niet direct vanuit gaan dat de één het geloof van de ander zou moeten overnemen. Gemengde huwelijken moet je bevorderen! Er is geen betere vorm van integratie. Een andere vrouw viel haar bij. Haar eigen Marokkaanse ouders hadden niet hetzelfde geloof en ze waren al veertig jaar bij elkaar. Misschien was dat een uitzondering, maar gemengde huwelijken hebben ook in Marokko altijd bestaan.
Gelijke rechten
Fatma Katirci, voorzitter van de Vrouwenfederatie van Milli Görüs ging in haar rede in op de vaak nog veronderstelde ongelijkheid van man en vrouw in de islam. Daar is volgens haar helemaal geen sprake van. De belangrijkste verzen in de Koran stellen man en vrouw gelijk. Er zijn wel een paar regels op sociaal vlak, die vrouwen en kinderen extra bescherming bieden. Maar mannen en vrouwen hebben dezelfde rechten. De Koran was in de nomadische omgeving waarin hij ontvangen werd zelfs een enorme revolutie in de ontwikkeling van vrouwenrechten. Ook de profeet Mohammed ging op gelijke voet met zijn twee vrouwen om. Daarom is het in de huidige samenleving niet meer dan normaal dat mannen en vrouwen gelijkelijk de taken verdelen en dat vrouwen alle mogelijkheden krijgen om zichzelf te ontwikkelen. De eerste opdracht in de Koran aan man en vrouw is juist: ga studeren! ontwikkel je. ‘Maar in een wereld waarin de mannelijke aanwezigheid erg domineert', is er voor vrouwen nog veel in te halen. Juist voor moslimvrouwen die niet van de bron (van de islam) zelf hebben kunnen leren, maar door ouders en de lokale imam enkel op haar plichten is gewezen. Vooral dat ze hun man in alles moesten gehoorzamen. Het zou volgens Katirci beter geweest zijn als ze meer over haar rechten had gehoord. En dat mannelijke familieleden ook iets meer hadden meegekregen over hun plichten. Daarom organiseert de Vrouwenfederatie een scala aan activiteiten om de eigen identiteit en maatschappelijke positie van de eigen vrouwen te versterken. Om haar eigen culturele, religieuze en sociale identiteit in te passen in de Nederlandse samenleving en om de Nederlandse samenleving in te passen in het eigen dagelijks leven. Een open houding naar de Nederlandse samenleving is daarom gewenst. Zo stimuleert de Vrouwenfederatie het leveren van positieve bijdragen aan ouderraden van scholen, activiteiten in buurthuizen, sportverenigingen en politieke partijen. Dat doet ze via seminars, workshops, panels etc. De resultaten zijn er naar: vooral onder jonge meiden stijgt het opleidingsniveau en de arbeidsmarktparticipatie. De kennis van de Nederlandse taal neemt toe, ook bij ouderen. De reden dat er bij de overdracht van de islam binnen Milli Görüs vooral Turks wordt gesproken ligt ook in het feit dat theologische boeken nog niet in het Nederlands vertaald zijn. Met een korte DVD met de resultaten van 2005 werd de wijze van werken van de Vrouwenfederatie kracht bij gezet. Overigens richt de Vrouwenfederatie zich vooral op gelovige Turkse vrouwen. Met niet-gelovige Turkse vrouwen heeft men geen contact.
Loyaliteitsvragen lastig
Mohammed Salihi, die zelf met jongeren en probleemgezinnen werkt en daarnaast voorzitter is van de Unie van Marokkaanse Moskeeën in Amsterdam en Omgeving (UMMAO) stelde met een Amerikaans-joodse schrijver dat identiteit net als zonde is: er is niet aan te ontkomen. Maar je kunt er wel wat aan doen. Dat is wel moeilijker als je van huis uit weinig bagage hebt meegekregen. De meeste Marokkaanse jongeren komen uit gezinnen waarbij de ouders laag opgeleid zijn, arm zijn en qua geloof traditioneel en conservatief. En als je zelf je school niet hebt afgemaakt en geen werk hebt wordt het moeilijk. Met de heersende westerse consumptiecultuur aan de ene kant en de strenge eisen van het geloof zoals die soms gepropageerd worden aan de andere kant, raakt zo'n jongere al snel in verwarring. In sommige buurten, waar in meerderheid allochtonen wonen, zie je dat groepen jongeren zich gaan afzetten tegen de Nederlandse cultuur. Dat is niet goed, maar je kunt het begrijpen. Maar een Marokkaanse jongere die een Nederlander berooft en zegt dat in de Koran staat, dat je dat met ‘ongelovigen' mag doen, dat kan natuurlijk niet. En daar is iedereen het over eens. Toch leven we in moeilijke tijden, waarbij de wereld klein is en conflicten wereldwijd ook hier invloed hebben. Salihi: "Voor mij is het al lastig om met vragen over internationaal terrorisme van moslims te worden geconfronteerd. Wat vind ik van de aanslagen op Bali? Of ik er zelf iets mee te maken heb..." Voor Marokkaanse jongeren op school zijn dergelijke confrontaties, die loyaliteitsvragen, nog veel ingrijpender. Geboren in Amsterdam, wordt ze toch steeds gevraagd ‘waar ze vandaan komen'. Hoe ontwikkel je genoeg zelfvertrouwen om daar op in te gaan en zowel kritisch te blijven - niet alleen tegenover je omgeving, maar ook tegenover jezelf en de cultuur waaruit je afkomstig bent. De islam kan helpen zo'n houding te ontwikkelen. Geloof biedt aanknopingspunten voor een identiteit. Geloof is immers een oerbehoefte van de mens. Je ziet overigens dat steeds meer moslimjongeren niet meer geloven vanuit de druk van de gemeenschap, maar vanuit hun eigen behoefte. De eigen beleving wordt steeds belangrijker. Ook de islam is aan het individualiseren. Maar tegelijkertijd zou je willen dat ze in die ontwikkeling enige leiding kregen. De oude vormen van organisatie. zoals de moskee werken voor de meeste jongeren echter niet meer. We moeten nieuwe ontwikkelen. Zo zijn we in Amsterdam bezig om een jongerenorganisatie op te richten. Met studenten is het al gelukt. Een moeilijkheid blijft dat de Marokkaanse gemeenschap geen eenheid is. Eigenlijk is er geen sprake van een Marokkaanse gemeenschap, al worden we er door de buitenwereld vaak op aangesproken.
Taboes blijven er
Na spel op de rietfluit van Kamil Sener en de lunch zijn er werkgroepen over de identiteit van jongeren en van vrouwen. Daar krijgen de deelnemers ook de gelegenheid om hun eigen vragen te stellen en met elkaar ervaringen uit te wisselen. Die ervaringen zijn heel divers.
Over jongeren wordt vaak gezegd dat de balans tussen de binnenwereld - van het traditionele gezin- en de -Nederlandse- buitenwereld zoek is geraakt. Daardoor kunnen jongeren ontworteld raken, wegvluchten uit de religie of juist een heel strenge vorm daarvan omvatten. Als het geloof een instrument is om ontworteling tegen te gaan, dan zouden er meer vertrouwenspersonen moeten komen om jongeren daarin te begeleiden. Maar ook de ouders van die jongeren. Als een Marokkaans meisje van 16 zegt, graag een tijdje au-pair in het buitenland te willen zijn, raken ouders vaak helemaal in paniek. Een meisje gaat pas uit huis als ze trouwt. Het huis uit en op jezelf gaan wonen als je niet getrouwd bent, wordt als heel slecht voor een moslima beschouwd. Die geldt als ‘verloren'. Natuurlijk is het niet gek als ouders bezorgd zijn, maar je zou met die ouders en dat meisje moeten gaan praten wat er aan de hand is. Dat ook al woon je alleen, je toch een veilig en eerzaam bestaan kan leiden.
Een vrouw, oorspronkelijk afkomstig uit Curaçao, relativeert de veronderstelling dat identiteit juist een probleem is waar moslims mee zouden worstelen. Op de Antillen maakt het ook uit van welk eiland je komt en per eiland tot welke familie je behoort. En bovendien in de meeste families is het zo: over geloof en over geld praat je niet, dat wordt alleen maar ruzie.
Een man zegt moslim, homo en hiv-geïnfecteerd te zijn. Zijn familie wil niets meer met hem te maken hebben en hij beleeft zijn geloof buiten de moskee. Homoseksualiteit is in de islam nog steeds een groot taboe. Het wordt geassocieerd met westerse decadentie. Dat het een geaardheid is en dat je én homo én een gelovig mens kan zijn, wil er bij vele moslims niet in. Hij zou willen dat er ook vanuit de islam mensen zouden opstaan die een visie uitdroegen zonder direct te veroordelen. Als het geloof vrede is en humaniteit wil bevorderden zou dat geluid ook naar buiten gebracht mogen worden. Vanuit moskeeën zal dat niet gauw gebeuren, daar is men vooral naar binnen gericht. Er is volgens hem gebrek aan geestelijke leiding buiten de moskee.
Een vrouw die voor een christelijke organisatie werkt die ongehuwde meisjes helpt die ongewenst zwanger zijn geraakt en geen abortus willen, zegt in haar praktijk ook steeds meer moslim-meisjes tegen te komen. Nog meer dan bij andere meisjes staan die er helemaal alleen voor, zijn vaak verstoten door hun familie en worden door hun omgeving met de nek aangekeken. Ze voelen zich vanuit het geloof ook vaak erg schuldig. Waar kunnen zij met hun vragen over het geloof terecht? Wat zegt de islam hierover? Het blijkt voor de moslima's in de groep een te lastige vraag. Seksualiteit en zeker ongehuwd zwanger zijn en abortus blijken nog grote taboes.
Gesprek tussen de generaties
De conferentie wordt besloten met een forum waar de inleiders op vragen ingaan en een laatste statement kwijt kunnen. Fatma Katirci straalt optimistisme uit als ze zegt dat zij als gelovige moslima en als Turkse zichzelf wil blijven ‘met de kleur van de Nederlandse samenleving'. Dat je in Nederland Nederlands spreekt en met iedereen open omgaat is voor haar erg belangrijk. Verder vindt ze dat ieder mens zijn cultuur mag kiezen, zolang die niet in tegenspraak is met de samenleving waarin hij woont. Omar Nahas wijst erop dat ook de eigen cultuur van ‘allochtonen' voortdurend in beweging is. Culturen zijn relatief. Integratie moet je zien als twee handen die in elkaar grijpen, beide geven, beide nemen. Daarbij is zijn keuze, zowel voor het eigen leven als in zijn werk, het versterken van het humane. Dat overstijgt elke afkomst of nationaliteit. Mohammed Salihi vindt het een goede ontwikkeling als iedereen leert om niet alleen de cultuur van zijn omgeving - vaak de dominante cultuur- open en kritisch te benaderen, maar ook de cultuur waaruit hij afkomstig is. Problematisch hoeft dat niet altijd te zijn: kijk bijv. naar Chinezen of Surinamers in Nederland. Die nemen in één persoon soms wel vijf culturen mee en leven vanuit al hun culturen. Fatma Katirci brengt de ‘zelfkritiek' direct in praktijk; "Ik hoor in mijn eigen omgeving Turkse vrouwen vaak klagen over hun ondergeschikte bestaan in Nederland, maar dan zeg ik: doe er dan zelf wat aan. Neem je verantwoordelijkheid en laat zien dat je het anders wilt. We gaan met vrouwen dan naar de bron van de Koran en laten zien dat de Koran vrouwen belangrijk vindt. Niks geen ondergeschikte rol tegenover hun man. We doen daarom ook aan assertiviteitstraining en praten over opvoeding. Als je je eigen leven wilt veranderen, zul je ook je kinderen daarnaar moeten opvoeden. En leer goed Nederlands. Maatschappelijke participatie is dan de volgende stap."
Weervrouw met hoofddoek
Maar hoe reageert de maatschappij? Beeldvorming vanuit de media lijkt nogal eens negatief zeker naar vrouwen met hoofddoeken. Fatma Katirci wil dat niet ontkennen, maar wijst de vrouwen er ook op dat ze geen spoken moeten zien. Als je met hoofddoek de straat op gaat en meteen al denkt dat iedereen negatief naar jou kijkt omdat je een hoofddoek draagt, dan ben je verkeerd bezig. Dat is niet zo. De media zouden aan de acceptatie wel kunnen helpen. Waarom geen vrouw met hoofddoek die op tv het weer presenteert, of een vrouw met hoofddoek die een talkshow leidt? In Noorwegen schijnt dat wel eens te zijn gebeurd.
Tenslotte zijn ontmoeting en communicatie sleutelwoorden. Ook voor dit symposium geldt dat de onderlinge gesprekken tijdens de pauzes zeker zo belangrijk zijn als de inleidingen. Een vervolg ligt dan voor de hand. Omar Nahas komt daarbij met een aardige suggestie: "Als iedereen de volgende keer ook zijn zoon of dochter, of zijn vader of moeder meeneemt. Dan voeren we tegelijkertijd het gesprek tussen de generaties. Voor vragen van identiteit lijkt mij dat van het grootste belang." Of er dan naast een symposium in een mooie kerk ook een parallel-chatsessie via internet georganiseerd moet worden, zegt hij er nog niet bij.
Hans Koster
Mozeshuis
Symposium Islam
en Identiteit 10 mei 2006 in de Mozes & Aäronkerk
georganiseerd door Ignatiushuis en Mozeshuis i.s.m. Vrouwenfederatie
Milli Görüs, stichting Yoesouf, educatiecentrum Islam en Maatschappelijke
Vraagstukken en de Unie van Marokkaanse Moskeeën in Amsterdam en Omgeving
(UMMAO)
financiële steun werd
ontvangen van:
Kerk en Wereld, R.C. Maagdenhuis, Stichting Eljébé,
Vereniging tot Weldadigheid van den Allerheiligste Verlosser en Wij Amsterdammers.
In de papieren versie van Mozaíek kon slechts een samenvatting hiervan
worden opgenomen.
KOLOM - column van Cees Smit
Een
QALYK advies
Een medische behandeling mag niet meer kosten dan
80.000 per jaar. Voorwaarde is dan wel dat iemand minimaal een jaar langer in
goede gezondheid kan leven. Een tweede voorwaarde is dat we er de komende jaren
met zijn allen nog eens breed over moeten discussiëren. Want zonder een
fatsoenlijke maatschappelijke discussie, kan de politiek een dergelijke grens
moeilijk vaststellen.
De kabinetscrisis over het asielbeleid, heeft de berichtgeving
over dit advies van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid (RvZ) een beetje
weggedrukt. Maar onder de mensen die het betreft is de strekking van het advies
hard aangekomen. Ook uw columnist moet voor zijn leven vrezen als het advies
wordt uitgevoerd. Zijn medische behandeling overschrijdt de genoemde grens van
80.000 per jaar ruimschoots.
Het advies van de RvZ aan dit kabinet komt niet onverwachts als
deze overheid keer op keer laat blijken dat onze gezondheidszorg teveel kost
en mensen meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun eigen gezondheid.
De RvZ heeft daarvoor een oud en al langer bekend meetinstrument van stal gehaald
en overgenomen, de QALY. De QALY is een afkorting van 'quality adjusted life
years', een kwantitatieve methode om gezondheidswinst uit te rekenen. Omdat
het een oude methode is, zijn ook de nadelen van de QALY al langer bekend. Zo
rekent de QALY alleen met de gemaakte medische kosten en opbrengsten. Als iemand
door goede medicijnen weer kan werken, belasting gaat betalen in plaats van
een WAO-uitkering te ontvangen dan houdt de QALY daar geen rekening mee. Kortom,
waar minister Hoogervorst te maken heeft met hogere kosten, ziet minister Zalm
zijn belastingopbrengsten stijgen en minister De Geus het potje van de WAO slinken.
Die 'levensbrede' QALY berekening kan er dan wel eens heel anders komen uit
te zien en een verschil tussen leven en dood uitmaken voor grote groepen chronisch
zieken.
Het advies van de RvZ wil ook dat er kritisch gekeken wordt naar
de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking en mensen met dementie.
Is het wel zo verstandig geweest om kleinschalige woonvormen te creëren
voor mensen met een psychiatrisch probleem. Wegen de kosten van een snoezelkamer
in een bejaardencentrum wel op tegen de extra kosten?
De RvZ heeft zich al bij voorbaat ingedekt tegen de te voorziene kritiek op het advies. De kostenstijging in de gezondheidszorg wordt volgens het advies voornamelijk veroorzaakt door de sterke lobby van belangengroepen, burgers en de media. Opkomen voor je eigen belangen en die van je medemens. Als het aan de RvZ ligt, wordt ook dat verboden in Nederland. Dat maakt het QALY-advies pas echt een QALYK advies.
Dit is de derde van vier columns in 2006 van Cees Smit. Hij leverde jarenlang bijdragen aan de Lering uit Aids symposia in het Mozeshuis. Ook andere Mozeshuisactiviteiten mochten van zijn kennis en betrokkenheid profiteren.
Rubriek: Thuis in het Mozeshuis
Els Stouwdam van de VBOK
"Is het al weer vier jaar dat ik hier zit?" Els Stouwdam kan het eigenlijk nauwelijks geloven. Maar misschien is het ook omdat het haar goed bevalt in het Mozeshuis. Dan gaat de tijd sneller. "En van mijn cliënten die hier komen, hoor ik ook dat ze dit een prettige plek met aardige mensen vinden." Iedere donderdag houdt zij als maatschappelijk werkster spreekuur voor de VBOK.
De VBOK, bij velen vooral bekend van de posters op de stations ‘Zwanger en wat nu?" wil vrouwen helpen die onbedoeld of ongewenst zwanger zijn geworden en niet voor abortus kiezen. Deze landelijke vereniging van zo'n 100.000 leden/donateurs, vijftig beroepskrachten en zo'n 1500 vrijwilligers stelt zich op het standpunt dat het leven vanaf de conceptie beschermwaardig is. Vrouwen die voor abortus kiezen worden naar de huisarts of naar de abortushulpverlening doorverwezen. Maar iedere vrouw die de hulplijn (0900-2021088) belt of de VBOK mailt kan komen voor een gesprek. En niet alleen de aanstaande moeder ook de aanstaande vader is welkom. En soms komt een vriendin of moeder mee naar het spreekuur. Behalve het landelijk dienstencentrum in Amersfoot zijn er zeven spreekuurplekken in het land met een professionele hulpverlener en daarnaast 130 VBOK steunpunten waar getrainde vrijwilligers met allerlei vooral praktische zaken helpen. Sinds 1996 is een VBOK spreekuur in het Mozeshuis gevestigd en Els Stouwdam is inmiddels de derde maatschappelijk werker die aardig thuis is hier.
Els is geboren en getogen in Lisse - ‘ja, bollen heb ik ook nog gepeld, maar mijn vader werkte bij Albert Heijn" - maar op haar 17e ging ze het huis uit. Met de bedoeling een opleiding te volgen voor drugshulpverlener Uiteindelijk werd het de Sociale Academie in Ede. Op haar 19e is ze getrouwd ‘met de drummer van het gospelkoor' en ze heeft twee dochters (18 en 15 jaar). "Nee, de oudste woont nog thuis." zegt ze lachend. Ze heeft na haar diploma verschillende banen gehad. Eerst als coördinator van het jeugdwerkplan in Harderwijk om jongeren met wie het mis dreigde te gaan weer aan werk of een opleiding te helpen. Maar ook was ze begeleider van visueel gehandicapten, die zelfstandig wilden gaan wonen. "Om te zorgen dat ze zich niet in hun vingers sneden als ze eten gingen klaar maken". Sinds 1998 werkt ze voor de VBOK. Maar ze is al veel langer lid van de vereniging. "Bij het jongerenwerk van de kerk discussieerden we over zaken als seksualiteit en abortus en toen vond ik dat ik wel lid van de VBOK kon worden." De VBOK zelf is in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt geen christelijke organisatie. Iedereen die het ethisch standpunt deelt dat het leven van af de conceptie beschermd moet worden kan lid worden en voor de VBOK werken. Eerst werkte ze op kantoor in Amersfoort en voor de telefonische hulplijn, later ging ze ook spreekuur in het land doen en nu is dus al weer vier jaar op donderdag in het Mozeshuis. De rest van haar werktijd verdeelt ze tussen huisbezoek, heel veel regelwerk en het bezoeken van allerlei instanties als deel van de hulpverlening. Ze heeft ook vijf vrijwilligers onder haar hoede en af en toe begeleidt ze een groep vrouwen die ooit abortus hebben ondergaan en het daar soms jaren later moeilijk mee hebben.
Ze zegt: ‘Hoe je ook over zwangerschap, moeder worden en abortus denkt, het zijn zaken die diep ingrijpen in het leven van vrouwen. Daarom is het ook zo jammer dat jongeren tegenwoordig op de vraag: en wat doe je als je ongewenst zwanger bent? vaak direct ‘abortus' roepen. Je zou willen dat ze daar meer over zouden nadenken. Nu gebeurt dat vaak wel als het hen zelf overkomt, maar toch.." Wat Els Stouwdam zorgen baart is dat ze steeds meer meisjes en vrouwen tegenkomt zonder of met een heel klein sociaal netwerk. Ze hebben niemand om op terug te vallen. Dat maakt de begeleiding intensief, maar soms heel bevredigend. "Sommige meisjes die beseffen dat ze moeder gaan worden, zie je groeien. Om hun leven ook meer in eigen hand te nemen. Dat is echt mooi."
In mei deed zij mee aan
het symposium van het Mozeshuis "Islam en Identiteit". Had dat ook iets met
haar werk te maken? Els Stouwdam: "Zeker, langzamerhand bellen ons steeds meer
islamitische meisjes. Maar de grote moeilijkheid is dat als een islamitisch
meisje niet getrouwd is en dan zwanger wordt, dat ze verstoten wordt,
niet alleen door de familie, maar door de hele omgeving. En soms wordt ze ook
bedreigd, zodat we snel een Blijf van m'n lijf huis of ander veilig opvangadres
moeten zoeken. Je zou hopen dat er ook wat begrip komt in die kringen, misschien
voorzichtige bemiddeling. Zo'n meisje is toch in nood. Maar ook bij de
moslimvrouwen op het symposium die zich in andere opzichten zo ‘modern' opstelden
vond ik eigenlijk geen gehoor. Het is daar zo'n taboe! Maar goed, dat je zoiets
hier aan de orde kan stellen, is toch ook een voordeel dat we hier in het Mozeshuis
zitten."
Mozaïek mei 2006
Joke Kniesmeijer neemt afscheid als voorzitter van het Mozeshuisbestuur
"In Amsterdam is het meer dan ooit nodig onderlinge angst tegen te gaan en tegenstellingen te overbruggen"
"Het is voor elke instelling goed dat na verloop van tijd nieuwe gezichten verschijnen. Ik werd bestuurslid in 1986 en vanaf 1999 ben ik voorzitter. Een goede opvolger staat al in de coulissen." Dat zegt Joke Kniesmeijer in haar fraaie, meer dan een eeuw oude woning tegenover het Rijksmuseum in Amsterdam. Dat ze gek is op lezen, tonen muren vol keurig in het gelid staande boeken en ze laat trots haar exemplaar van de eerste druk van Anne Franks dagboek zien. "Mijn liefde voor literatuur is gewekt op de HBS. Later ging ik geschiedenis studeren."
Joke
Kniesmeijer werd in 1948 geboren in een katholiek milieu in Nieuwendam (Amsterdam-Noord).
Ze heeft het verzuilde leven nog volop meegemaakt, met alle roomse feesten en
het optreden als bruidje in vrome processies. Ze heeft goede herinneringen aan
haar jeugd, al moest met de verkoop van flessen en bonnen van De Gruijter het
budget een beetje worden bijgespijkerd. Joke kon goed leren en haar ouders,
met name haar moeder, zorgden ervoor dat de oudste dochter naar de HBS op het
Waterlant College kon gaan.
"Al op de HBS nam ik afscheid van het geloof,
dat ik vooral als een set van regeltjes ervoer. In 1966 was ik 18 en verliet
ik het voor mijn gevoel wat bekrompen Amsterdam-Noord om met een vriendin in
het centrum te gaan wonen en wel in een kraakpand in de Utrechtsedwarsstraat.
Ik kreeg een baantje bij de RK Openbare Leeszaal en Bibliotheek aan de Herengracht
en later kwam ik in dienst bij de academische boekhandel Vermeulen aan de Grimburgwal.
Volop beleefde ik de vrije jaren zestig en zeventig als een heerlijke, zorgeloze
en bruisende tijd. Maatschappelijk was ik hevig geïnteresseerd en geëngageerd,
vooral wat de strijd tegen elke vorm van discriminatie betreft. Het boek van
Presser De Ondergang over de uitmoording van de joodse Nederlanders heeft
me enorm beïnvloed. Politiek was ik links, maar bij de CPN, dat in
die tijd onder jongeren nogal populair was, heb ik me bewust nooit aangesloten.
Op een vakantiereis naar Turkije kwam ik door de communistische landen in Oost-Europa
en merkte daar dat alleen boeken van Marx en Lenin hoge ogen gooiden. Zulke
regimes met boekencensuur waren voor mij volstrekt niet te pruimen.
Op een gegeven moment moest in bij mijn
boekhandel iemand inwerken, die mijn chef zou worden. Waarom kon ik die post
niet bekleden? Omdat ik een vrouw was. Meteen dus ontslag genomen. Toen zag
ik een advertentie, waarin iemand werd gevraagd als hoofd van de receptie van
het Anne Frankhuis en ik wist: dat wil ik. Anne's dagboek Het Achterhuis had
mij enorm aangesproken. Ik werd aangenomen. Midden jaren zestig ben ik een poos
weg geweest. Ik had verkering gekregen met Cees Schreurs en we hebben een jaar
door Azië gereisd."
Brede beweging
Na
dat jaar kon Joke Kniesmeijer weer terecht bij het Anne Frankhuis, waar ze nog
jaren heeft gewerkt. Ze werd woordvoerder en zette er een documentatiecentrum
op over het weer opkomende antisemitisme en rechts extremisme in Europa. De
strijd daartegen werd breed gedragen, ook door andere instellingen en een daarvan
was het Mozeshuis.
"Ik voelde me ook erg betrokken bij het
lot van de joden in de Sovjet Unie, die onder allerlei chicanes leden. Inmiddels
was Gorbatsjov er aan de macht gekomen en toen deze in de jaren tachtig Parijs
bezocht, trokken we met een delegatie uit Amsterdam, waar ook Jan Ruijter deel
van uitmaakte, naar de Franse hoofdstad heen om te protesteren tegen de behandeling
van de Russische joden. Niet lang daarna vroeg Jan Ruijter mij voor het bestuur
van het Mozeshuis. Ik heb meteen ja gezegd.
Wat
me in het Mozeshuis aantrok was de goede combinatie van het denken op
de lange en initiatieven op de korte termijn. Men bleek er te zoeken naar de
onderliggende stromingen in de maatschappij en daar op in te spelen. Maar als
plotseling een acute nood zich aandiende, sprong men er ook meteen op, zoals
bij de opkomst van aids. Ook heel belangrijk vond ik dat het Mozeshuis tegenstellingen
overbrugt, mensen die in oppositie tegenover elkaar staan bij elkaar brengt,
bruggen slaat waar ze onmogelijk te slaan lijken. Voorbeelden: misdadigers en
slachtoffers, joden en Palestijnen. Ook voor de toekomst is dat de grote uitdaging.
Zoals burgemeester Cohen het uitdrukte: de boel bij elkaar houden. Maar daar
is het Mozeshuis al lang mee bezig. In dit kader vind ik ook de Zomerschool
en de Winteracademie prima. Ze bieden de deelnemers een goeie blik op wat er
in de stad omgaat, leert hen over de eigen grenzen heen kijken, geeft hun grip
op hun leven, kweekt het vormen van een eigen mening en vermindert de
angst voor de anderen. Als mensen zich onzeker voelen, krijgt het
geronk van minister Rita Verdonk kansen.
Het Mozeshuis daarentegen geeft mensen de gelegenheid om over angsten heen te
komen, zeker van zichzelf te worden en meer beslagen in het leven te slaan."
Rituelen
Op
de vraag aan Joke Kniesmeijer hoe ze denkt over de interreligieuze ontmoetingen
in het Mozeshuis zoals op Kerstavond en bij de viering van de geboorte van de
profeet Mohammed, zegt ze: "Ik maak er geen geheim ben dat ik zelf atheïst
ben. Maar voor veel mensen is religie belangrijk. Dat accepteer ik. Ieder heeft
recht op zijn eigen passende inspiratiebron. Maar of je nu door een godsdienst,
door evangelische idealen, door de koran of door welke levensovertuiging ook
wordt geïnspireerd, ik vind belangrijk wat je ermee doet. Mijn moeder sprak
veel in bijbelse gelijkenissen. Een van de belangrijkste vond ik altijd de volgende
korte: aan de vruchten kent men de boom. Maar ik zing op kerstavond ook graag
heel nostalgisch de oude kerstliedjes mee. Samenzang is mooi. En rituelen binden
mensen. Ik vind het jammer dat niet-gelovigen nauwelijks eigen rituelen
hebben.
In Amsterdam zijn de kerkelijke praktijken
goeddeels verdwenen, maar religieuze organisaties doen vaak nog uitstekend maatschappelijk
werk. Voor mij was het bestuurslidmaatschap van het Mozeshuis een van de manieren
om mijn maatschappelijke betrokkenheid in praktijk te brengen. Ik ben ook een
overtuigd stadsmens. In de stad begint alles, daar wordt aan ontwikkelingen
vorm gegeven. En het Mozeshuis is typisch een huis midden in de stad, op het
snijpunt van allerlei problemen. Het is een groot compliment voor Jan Ruijter
dat het Mozeshuis volop functioneert, terwijl veel soortgelijke instellingen
zijn verdwenen, wegbezuinigd. Toen Ruijter met pensioen ging, wilde ik nog niet
vertrekken., maar we hebben in Cor Bon een goede opvolger gevonden, die het
werk op zijn eigen wijze voortzet."
Kan Joke Kniesmeijer een hoogtepunt en een
dieptepunt noemen uit haar tijd bij het Mozeshuis? "Er zijn veel hoogtepunten
geweest, ik noem er één. Met voldoening kijk ik terug op de handtekeningenactie
tegen het racisme, waarbij het Mozeshuis de grote motor was en het coördinerende
werk deed. Dit Appèl tegen Vreemdelingenhaat leverde ruim 233 duizend
handtekeningen op, die we in 1992 aan minister van Binnenlandse Zaken
Ien Dales hebben aangeboden. Veel dieptepunten ken ik niet. Het personeelsverloop
is gering, maar er zijn enkele mensen met onmin vertrokken. Dat is niet leuk."
Een boodschap voor een nieuwe voorzitter? "Het was al snel duidelijk dat die niet uit het huidige bestuur zal komen. Maar er zijn goede contacten gelegd met mensen die Amsterdam goed kennen en als dit nummer van Mozaïek verschijnt, staat de naam van mijn opvolger daar wellicht al in. Ik zou hem of haar willen adviseren om de afstand tot het directeur en zijn staf niet te groot en niet te klein te laten zijn. De kunst van goed besturen is de juiste afstand te bepalen. En ik hoop dat de nieuwe voorzitter het ook belangrijk vindt de angst tussen de Amsterdammers tegen te gaan en de tegenstellingen tussen de stadsbewoners te overbruggen. Dat is meer dan ooit nodig en als het Mozeshuis daaraan een kleine bijdrage zou kunnen blijven geven, zou dat al gigantisch zijn."
Directeur Ed de Heer is trots op zijn unieke Rembrandthuis met toptentoonstelling
Heel wat over de wereld uitgezworven schilderijen, die onze grootste schilder gemaakt heeft in zijn woning vlak bij het Mozeshuis, zijn tijdelijk thuis gekomen. Namelijk voor de prachtige tentoonstelling Rembrandt. Zoektocht van een genie. Directeur Ed de Heer van het Rembrandthuis vertelt er enthousiast over. "Nadat ik meer dan een dozijn jaar geleden directeur was geworden van het Rembrandthuis, heb ik de uitbreiding van het museum meegemaakt en het terugbrengen van het huis van Rembrandt tot de staat waarin hij het vroeger bewoonde. Sindsdien hebben we hier mooie exposities gehad. Maar misschien is de huidige tentoonstelling, die is samengesteld door de grote Rembrandtkenner prof. Ernst van de Wetering, wel de belangrijkste. Het is zeker de grootste en duurste die we in ons huis hebben gehad. En ook is het een van de beste exposities van de vele die in het Rembrandtjaar 2006, vier eeuwen na de geboorte van de schilder, in Nederland worden gehouden."
Ed de Heer (55) studeerde kunsthistorie in Leiden en ontwikkelde ruim tien jaargeleden met zijn staf van het Rembrandthuis een nieuw museaal concept. Er werd een stuk bijgekocht en ingericht als het eigenlijke museum. Het huis zelf werd zeer grondig aangepakt. Als je er nu doorheen loopt, is het of je bij Rembrandt zelf op visite bent en elk ogenblik de meester, opgestaan uit zijn bedstede, kunt tegenkomen in zijn atelier, de woonkamer, de keuken of op de nauwe trap die door het hele huis van vier verdiepingen loopt. Zeker nu overal weer voor de duur van deze expositie schilderijen hangen die hij er in het midden van de zeventiende eeuw (de Gouden Eeuw) geschilderd heeft."
Huis met vele functies
"In ons huis", aldus directeur De Heer, "zijn nu beter dan ooit de vele functies zichtbaar die het had in de tijd van de schilder. Rembrandt woonde er met zijn gezin, schilderde in zijn atelier, leidde er leerlingen op, verzamelde kunst en veel, soms wonderlijke voorwerpen en hij handelde er ook in eigen werk en dat van anderen. In de huidige tentoonstelling en de kloeke, rijk geïllustreerde catalogus laat professor Van de Wetering duidelijk zien, in relatie met het huis zelf, hoe Rembrandt zich als geniaal schilder steeds vernieuwde. Hoe hij telkens andere manieren zocht om een realistische, levendige, artistiek en menselijk aangrijpende uitbeelding te bereiken."
In het Rembrandthuis werken enkele tientallen stafleden, onder wie de Rembrandtkenner bij uitstek Jaap van der Veen en kunsthistorica Petra Kana. Toen het Mozeshuis aan directeur Ed de Heer vroeg om medewerking van het Rembrandthuis aan de komende Zomerschool met het thema Uit de kunst ging deze daar met overtuiging op in. Temeer daar een opmerkelijke samenwerking tussen Mozeshuis en Rembrandthuis tot stand is gekomen. Het Rembrandthuis mag enkele jaren geleden dan wel uitgebreid zijn, we hebben zelf kunnen zien hoe krap gehuisvest de staf er ook nu nog is. Ed de Heer: "We leggen grote nadruk op ons educatieve werk, dat een grote vlucht heeft genomen, en we hechten er zeer aan schoolkinderen die ons huis bezoeken intensief te begeleiden. Maar we hebben daar te weinig ruimte voor. We zinnen op een nieuwe uitbreiding, in de richting van bijvoorbeeld het naburige Pintohuis of onze directe buur Holland Experience. Maar inmiddels hebben we in het Mozeshuis tijdelijk een mooie ruimte gevonden, namelijk in de crypte onder het hoofdaltaar van de Mozes & Aäronkerk, om de kinderen ‘in de Rembrandtstudio' goed en gezellig voor te bereiden op een bezoek aan het Rembrandthuis. Daarom werken we ook graag mee aan de komende Zomerschool. Ons staflid historica Petra Kana zal een inleiding komen houden en ze zal dan de nadruk leggen op de Jodenbreestraat en het Waterlooplein, de buurt waar Rembrandt woonde en werkte en waar in de tijd dat hij er woonde door Franciscanen ‘in het huis waar Moyses in de gevel stond' in zekere zin de wortels van het Mozeshuis zijn gelegd."
Anne
Marijke Spijkerboer: "Rembrandts engelen
hebben vuile voeten en stevige kuiten"
Een doctor in de theologie die een boek schrijft over de kunstenaar Rembrandt. Ideale combinatie? Bij Anne Marijke Spijkerboer wel. Zij is een van de hoofdinleiders van de komende Zomerschool en ze zal als enthousiaste kunstminnares vertellen over haar onlangs verschenen en prachtig uitgegeven boek Rembrandts engel. Bijbelwerken van een schilder. Aan alles wat zij schrijft ervaart de lezer met welk een genoegen zij de pen, of beter gezegd de pc, hanteert.
"In mijn boek behandel ik reeksen uit Rembrandts werk, zoals over de Aartsvaders, David en Saul, Kerst, Lijden en Pasen. Ik laat reproducties van zijn werk zien, zette er teksten bij uit de nieuwe, letterlijke en meesterlijke vertaling van de zogeheten Naardense bijbel en geef zelf nadere uitleg. In de titel van mijn boek worden twee dingen tot uitdrukking gebracht. In de eerste plaats de genius, het genie van Rembrandt, die hem als een engel heeft geleid, en in de tweede plaats de concentratie in het boek op de vele engelen die hij heeft getekend en geschilderd. Wij christenen hebben de engelen overigens overgenomen van de antieke heidense Romeinen, die hun genii, beschermgeesten, vaak als naakte gevleugelde peutertjes afbeeldden. Rembrandt schilderde de engelen gekleed en realistisch. Zijn engelen hebben soms vuile voeten, stevige kuiten, beenspieren en een enkele keer een broek en laarzen aan. Zijn engelen vertonen overduidelijk machogedrag en doen, zoals die bij het lege graf van Jezus, aan bouwvakkers denken die uitrusten van een gedane klus."
Reislustig
Hoe
is Anne Marijke Spijkerboer theoloog geworden? "Mijn overgrootvader, grootvader
en vader waren predikant en ik ben als oudste in ons ouderlijk gezin ook theologie
gaan studeren. Mijn ouders waren na de Tweede Wereldoorlog aanhangers van de
‘doorbraak', dus links en dat ben ik ook. Ik ben geboren in Berlijn, waar mijn
ouders onder vluchtelingen werkten, en woonde als klein kind in Frankrijk. De
lagere school liep ik af in de kop van Noord-Holland en ik ging in Amsterdam
naar het Vossiusgymnasium, waar ik ook Hebreeuws leerde. Al vroeg had ik grote
belangstelling voor de joodse godsdienst. Ik studeerde theologie aan de Universiteit
van Amsterdam en ging daarna in Israël op een kibboets werken.
Ik heb veel gereisd. Als aankomend predikant
deed ik een stage in Berlijn en ik bezocht op m'n eentje Hongarije, Polen, de
Sovjet-Unie en ook verschillende landen in Latijns-Amerika. Na een stage in
Suriname ging ik terug naar dat land en was er een jaar of vijf predikant in
de Evangelische Broedergemeente en de Hervormde Kerk. Terug in Nederland deed
ik mijn doctoraal en was vijf jaar predikant in het Brabantse Boxmeer. Ik promoveerde
op een proefschrift over een exegese in de theologie van Karl Barth en
heb daarna lang, onder meer als rector, gewerkt op het theologisch seminarie
Hydepark in Doorn. De laatste tien jaar gaf ik er voordrachten over bijbel en
kunst. Ik schrijf graag en doe dat ook veel, zowel wetenschappelijk werk als
- en dat eigenlijk nog liever - in tijdschriften voor gewone gelovigen.
Op www.zinweb.nl heb ik rond Pasen zeven weken lang een Kunststukje geschreven
over telkens een ander kunstwerk. Ik ben lidmaat van de gefuseerde Protestantse
Kerk van Nederland en in Doorn gaan mijn man en ik naar de bijeenkomsten van
de zelfstandige gemeente Oecumenische Hagedienst, waarin ik zelf ook soms voorga."
Gelooft Anne Marie Spijkerboer in
engelen? "Jazeker, engelen geven ons boodschappen door van God. Je ontmoet engelen
van mensen die zulke boodschappen aan ons overbrengen." Ja maar, bestaan engelen
ook als eigenstandige wezens tussen God en de mensen in? "Misschien, ik
hoop dat ze bestaan."
Rubriek: Amsterdam tussen trots en ergernis
Onverbrekelijk verbonden
Simon Carmiggelt schreef eens over een man die een drenkeling uit het water haalde. Een grote menigte was samengestroomd om het voorval te bekijken, blij dat men zelf niets hoefde te doen. Een luid applaus klonk op toen de redder met zijn prooi de kant op krabbelde. Dat is Amsterdam, schreef Carmiggelt. Toen de man naar zijn colbertjasje zocht dat hij in de gauwigheid had weggeworpen, was het nergens te vinden. Het jasje was, met portefeuille en al, gestolen. Dat is ook Amsterdam, aldus Carmiggelt.
Amsterdam, de stad waarop we zo trots zijn, heeft altijd twee gezichten gehad. Zo zijn we altijd nog erg trots op de heroïsche Februaristaking van 25 februari 1941, toen duizenden Amsterdammers het werk neer legden om te protesteren tegen de eerste razzia's. "Rot Moffen, blijf met je rot poten van onze rot Joden af", zo luidde één van de leuzen. Maar hoe mooi ook, de staking heeft niet kunnen verhinderen dat daarna meer dan 60.000 Joodse stadgenoten werden gedeporteerd. Met actieve hulp van Amsterdamse politieagenten, Amsterdamse trambestuurders en ,niet te vergeten, het perfect functionerende Amsterdamse bevolkingsregister, waarop we ook allemaal zo trots waren.
Amsterdam
is altijd dubbel geweest. Dat bleek bijvoorbeeld ook in 1966 toen de Vietnamdemonstraties,
de provo-happenings en uiteindelijk het bouwvakkersoproer het leven van de toenmalige
burgemeester Van Hall vergalde. Er was veel kritiek, tegelijkertijd, op
het teveel en het te weinig optreden van de politie. Van Hall werd een zigzagbeleid
verweten en hij kreeg van alle kanten kritiek. Maar toen het kabinet-de Jong
hem ontsloeg was het huis te klein. "Rot regering, blijf met je rot poten van
onze rot burgemeester af", werd er geroepen.
Amsterdam was altijd trots op haar uitstraling
van tolerantie. Maar tegelijkertijd was er ook kritiek op het feit dat er door
de jaren heen zoveel door de vingers werd gezien. Die kritiek rees tot
grote hoogte toen door allerlei gebeurtenissen (de 11e september, maar vooral
ook de beestachtige moord op Theo van Gogh) de multiculturele samenleving ter
discussie kwam te staan. Waren we niet té soft geweest? Hadden
we niet de ogen gesloten voor DE problemen, die onvoldoende waren benoemd ?
Toen de huidige burgemeester (met steun van wethouder Aboutaleb) zich met alle
kracht inspande om te doen wat al zijn voorgangers (onder applaus) hadden gedaan,
namelijk de boel bij elkaar houden, werd hij een softie genoemd die ten onrechte
thee dronk in de moskeeën. Nu zijn we blij dat Rotterdamse toestanden
met een zwaar gepolariseerde bevolking ons bespaard zijn gebleven en zijn we
er eigenlijk trots op dat wij in deze stad met elkaar door één
deur kunnen. Ook al ergeren we ons vaak aan elkaar. Maar tolerantie is
nu juist respect hebben voor de ander, ook als je je aan hem ergert.
Eigenlijk zijn trots en ergernis onverbrekelijk met elkaar verbonden. Zeker in een grote stad waar trots en ergernis elkaar de hele dag ontmoeten. En zeker in Amsterdam waar iedereen het hart op de tong draagt. Ook daarop zijn we, hoe ergernis wekkend ook, trots.
Ed van Thijn
was van 1983 - 1994 burgemeester van Amsterdam. In die functie opende hij op 27 juni 1990 de allereerste (Senioren) Zomerschool van het Mozeshuis met een rede over zijn trots en ergernis in Amsterdam. We vonden het aardig om hem 16 jaar later opnieuw naar zijn mening te vragen.
KOLOM, column van Cees Smit
Trots op je sociale gezicht!
Het
nieuwe zorgstelsel houdt de gemoederen en de koopkrachtplaatjes bezig. De ene
verzekeraar heeft er enkele honderdduizenden klanten bij en de andere is ze
kwijtgeraakt. Een van die verliezers is Agis, de verzekeraar waar het vroegere
Amsterdamse ziekenfonds ZAO deel van uitmaakt.
Eelke van der Veen, lid van de Raad van
Bestuur van Agis, was onlangs te zien in een documentaire van AT5. Hij ging
op bezoek bij het Leger des Heils om te praten over de medische opvang van dak-
en thuislozen. En ook Villa Spijker, een kleinschalig opvanghuis voor meervoudig
gehandicapte jongeren werd bezocht. Initiatieven die AGIS financieel mogelijk
maakt. Zonder er mee te koop te lopen, zijn het ook initiatieven waarmee AGIS
zijn solidariteit laat zien met de kwetsbare groepen in de Amsterdamse samenleving.
Eelke van der Veen praatte in die documentaire open over de problemen waar zijn
bedrijf nu mee te maken heeft.
Het zou zonde zijn als een verzekeraar als AGIS op termijn de concurrentieslag met de reclameslogans van de ‘Nieuwe Menz' niet vol kan houden. Juist in een stad als Amsterdam met zijn vele grote en goede ziekenhuizen en zijn vaak lastige doelgroepen, zou het een ramp zijn als een verzekeraar als Agis zijn deuren moet sluiten.
Misschien moet AGIS dat Belgische reclamebureau inhuren, waarvan ik onlangs bij toeval een filmpje zag op de Belgische televisie. De Belgische overheid laat in een tv-spotje ‘een bekende TV-Amerikaan' aan het woord, die blij is dat hij in Brussel en niet in New York is aangereden door een fietser. Want in België is hij voor 20 Euro klaar en in Amerika kost het hem een vermogen. Het spotje eindigt met de tekst: '60 jaar sociale zekerheid. 60 jaar solidariteit. We mogen er trots op zijn'.
En zo kan niet alleen AGIS, maar ook de Nederlandse overheid nog heel wat leren van onze zuiderburen. Lever je polis niet meteen in voor een goedkopere aanbieding, maar kijk naar de kwaliteit van de gezondheidszorg op lange termijn. Iedereen in België geniet ervan, van de jongste tot de oudste.
Het tv-spotje is te bekijken op www.mijnsocialezekerheid.be
Dit is de tweede van vier columns in 2006 van Cees Smit. Hij leverde jarenlang bijdragen aan de Lering uit Aids symposia in het Mozeshuis. Ook andere Mozeshuisactiviteiten mochten van zijn kennis en betrokkenheid profiteren.
Rubriek Thuis in het Mozeshuis
Mozaïekredactie raakt een echte journalist kwijt
Hij heeft het lang tegen kunnen houden. Hij voelde er niets voor. Geen portret van hem in de rubriek Thuis in het Mozeshuis. Ook al was hij hier bijna achttien jaar lang kind aan huis. ‘Thuis in het Mozeshuis' kon van hem wel gezegd worden. Maar als je schrijft hoeft er nog niet over je geschreven te worden, was zijn verweer. En hij schreef veel. Vrijwel alles wat vanaf 1988 het waard was om buiten het Mozeshuis gepubliceerd te worden passeerde zijn pen. Het begon met Leven met aids ? Daar had coördinator Jan Ruijter hem eind 1987 speciaal voor gevraagd: een boek als verslag van de gelijknamige bijeenkomsten. ‘Maar ik weet niets van aids', had hij hem geantwoord. ‘Dat is juist de bedoeling' , zei Ruijter en na twee bijeenkomsten te hebben meegemaakt, was hij voor dit boek gewonnen. Het verscheen als Rainbow pocket (1989) en was onmiddellijk een groot succes. En er zouden er nog vele boeken volgen, zowel over aids als over andere onderwerpen die het Mozeshuis in de loop der jaren aanpakte. Mozes -Huis in de stad - het eerste exemplaar werd aangeboden aan koningin Beatrix bij de heropening van de kerk, Vrije Vogels, over daklozen in Amsterdam, Mens op de Grens, geschreven samen met Jan Ruijter. En toen het Mozeshuis eind 1991 met Mozaïek begon was hij het journalistieke hart van de redactie. De enige journalist, autodidact en uit volle overtuiging. Hij werd de man die vrijwel alle interviews voor zijn rekening nam. Vaak waren het gasten die het Mozeshuis voor Zomerschool en Winteracademie had uitgenodigd en door hem, bij wijze van kennismaking, journalistiek ‘geschoren' werden. Want zo doet de journalist dat. Ook deze rubriek Thuis in het Mozeshuis was ‘zijn' rubriek. In één A4tje werd een levendig portret geschilderd van een persoon en zijn of haar band met het Mozeshuis. Een mooie klus vond hij. Zijn naam stond er nooit boven ‘Het gaat om de inhoud van het stuk en niet om wie het schrijft'. En zeker moest er niet over hem geschreven worden. Toch werd er op die regel één keer een uitzondering gemaakt. Kwam dat omdat zich voor de groep Dichter bij Elkaar, ontstaan na een oproep in de Winteracademie bijna alleen maar vrouwen hadden aangemeld? De bedoeling was een boek te maken waarin zowel een vraaggesprek met een ‘cursist' als een literair product van hem of haar werd afgedrukt. En alleen maar vrouwen leek ons te eenzijdig. En hij schreef ten slotte gedichten, die inmiddels in verschillende bundeltjes gepubliceerd zijn. En zo kwamen we via het boek Dichter bij Elkaar te weten dat hij in 1944 direct achter een bureau van Philips vandaan bij Radio Herrijzend Nederland begonnen was. Zonder journalistieke achtergrond of opleiding, maar met een grote drang om te schrijven en nieuws te redigeren. Met weinig woorden het nieuws ‘neerzetten', dat was zijn kracht en interesse en is dat nog steeds. Na de oorlog was hij van de radio naar De Volkskrant gegaan, waar hij zich tot chef van de nachtredactie opwerkte. Maar hij vertaalde ook de memoires van Churchill en maakte reizen naar Afrika waar hij voor de krant verslag van deed. Hij schreef grote reportages, maar ook kleine schetsen zoals ‘een schaatstocht over de Gouwzee' (van onze verslaggever) en hij (83) schaatst nog steeds. Van 1962 tot 1982 was hij vrijwel ononderbroken hoofdredacteur van opinieweekblad De Nieuwe Linie en daarbij de man die het blad begon, tot bloei bracht en tenslotte ten grave moest dragen. Daarna heeft hij tot zijn pensioen bij KRO radio gewerkt. Natuurlijk is hij altijd blijven doorschrijven. Boekjes over journalistiek en over zijn band met de roomse kerk, maar ook over het leven van zijn vrouw, toen ze 80 werd. Want journalist ben je en blijf je. ‘Ik schrijf tot mij de pen ontvalt, tot op mijn doodsbed.' zegt hij als ware het de zin uit een gedicht. Op 9 april jl. konden lezers van de Volkskrant nog het verhaal lezen over de mantelzorg die hij zijn vrouw (89) al meer dan tien jaar biedt. Een verhaal dat hij ook nog in de Zomerschool zal vertellen. Want zo sterk is zijn band met het Mozeshuis. En toch- na zijn afscheid al enige jaren geleden te hebben aangekondigd - staan in deze Mozaïek zijn laatste interviews. Het nieuws kan niet slechter: Mozaïek raakt een echte journalist kwijt. En daarom is deze rubriek Thuis in het Mozeshuis anders dan hij ooit gewild zou hebben: een hommage aan de Mozeshuischroniqueur zelf, de journalist Gerard van den Boomen. Bedankt, Gerard, voor zoveel mooie stukken! Maar wat moeten we zonder je!
Rubriek Tussen de Torens
Langzamerhand zal de Mozes en Aäron- collectie zijn muzikale geheimen prijs geven.
Al in 1795 raadde een reisgids bezoekers van Amsterdam aan op zondag tijdens de hoogmis de Mozes & Aäronkerk te bezoeken, want daar wordt zeer fraaij muziek geëxecuteert Eerlijk gezegd is dat zinnetje hier wel eens vaker opgedoken. Maar welke muziek was dat eigenlijk? Over afzienbare tijd zullen we het weten. Want dan zal drs Simon Groot (47), musicoloog en bibliothecaris van de wetenschappelijke afdeling van de Toonkunstbibliotheek, de Mozes en Aäroncollectie kunnen presenteren. Al is er nog veel onderzoek nodig, op 16 juni zal hij in de Zomerschool alvast een tip van de sluier oplichten.
De Mozes en Aäroncollectie bevat 890 titels van bladmuziek die hier ooit is uitgevoerd door koor (en orkest) Zelus Pro Domo Dei globaal tussen 1700 en 1960. De collectie is onderdeel van de Toonkunstbibliotheek. Deze is opgericht in 1829 om de muziek van de Maatschappij ter Bevordering der Toonkunst, nu vooral nog bekend van de Toonkunstkoren, goed te beheren en uit te breiden. Ook alle muziek van het orkest van Felix Meritis (aan de Keizersgracht) in zekere zin de voorloper van het Concertgebouworkest, behoort tot de collectie. Waarmee de waarde van de bibliotheek aardig is getypeerd.
De inventarisatie van de muziek van de Mozes en Aäroncollectie, die zowel uit handschriften als gedrukte partituren bestaat, is pas gereed gekomen en de catalogisering is ook vrijwel voltooid. Daarmee is een schat aan achttiende en vooral negentiende eeuwse kerkmuziek voor onderzoek vrijgekomen. Want wat er toen in katholieke kerken werd uitgevoerd is nog lang niet precies bekend. In een alfabet van componisten, van Emmanuel Adler tot Bernard Zweers, komen Beethoven, Haydn en Mozart geregeld voor. Maar ook veel Cherubini, vooral in de 19e eeuw populair. Opvallend, voor hedendaagse ogen is het aandeel van Nederlandse componisten. Simon Groot schat de verhouding Nederlands- buitenlands op zo'n 50/50. Vader Johannes Bernardus en (iets minder) zoon Herman J.J. van Bree, die in het midden van de negentiende eeuw voor het koor en orkest stonden hebben bijvoorbeeld veel eigen muziek laten uitvoeren. Ze waren ook dirigent van het Felix Meritis orkest en het lijkt zelfs dat verschillende musici voor beide gezelschappen actief waren. Bij een globale vergelijking van de Felix Meritis collectie, die nauwelijks of geen religieuze muziek bevat, en de religieuze Mozes en Aäroncollectie valt op dat het voor een groot deel om dezelfde componisten gaat. De muzikale smaak binnen en buiten de kerk verschilde dus niet zoveel. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre dat werkelijk het geval was.
Wie vóór de inventarisatie de stapels zag, die voor een deel ‘nog net van de vuilnisman gered waren' en nu die kasten vol keurig bestickerde dozen ziet, moet wel de vraag stellen of er misschien niet toch nog een onbekende Mozart ontdekt is. Dat helaas niet, maar de muziekliefhebbers keken toch blij verrast op toen uit deze collectie van Willem de Fesch (1687-1761), een componist die in zijn tijd vooral in Engeland een grote naam had, een onbekende vierstemmige mis ‘con instrumenti' uit 1727 opdook. Zo het zo'n belangrijke vondst betaamt is over de echtheid direct een klein debat onder musicologen uitgebroken.
Simon Groot kijkt al met een zeker verlangen uit naar wat het onderzoek van de collectie nog meer zal opleveren. Niet alleen om meer over de muziek te weten, zeker ook om muziek weer uit te voeren. Want als dirigent van het Hemony Ensemble en het Collegium Amisfurtense zou hij graag stukken uit de schatkamer van de Toonkunstbibliotheek naar plekken terugbrengen waar ze oorspronkelijk geklonken hebben. Zoals de Mozes & Aäronkerk. Op 16 juni hoopt hij in de Zomerschool u daarvoor enthousiast te maken.
Mozaïek maart 2006
Leven vanuit de islam in Amsterdam
Hoe is het om te leven vanuit de islam? En wat betekent dat voor niet-moslims ? Deze vragen dringen zich dagelijks sterker op. De media zijn vervuld met soms beangstigende dan weer hoop gevende berichten uit de stad die te maken hebben met het feit dat vele Amsterdammers buren, collega's, leerlingen of andere mensen in hun omgeving hebben, die moslim zijn of een moslimachtergrond hebben. Wat bepaalt de levensstijl van moslims? Welke gedachten, verwachtingen, idealen hebben ze? Wat is de kracht van hun religieuze identiteit en kan die wortel schieten in Nederlandse grond, zodat het ook een Nederlandse identiteit is? Of staat het Nederlander en burger zijn daar helemaal buiten? Met welke dilemma's hebben ze te maken ? Hoe kan je, als anders- of niet-gelovige met moslims omgaan? Wat kun je wel of niet zeggen? En hoe zien zij jou? Om op zulke vragen het begin van een praktisch antwoord te krijgen wordt op 10 mei in de Mozes & Aäronkerk een symposium gehouden over Islam en Identiteit, met de nadruk op (werkende) vrouwen en jongeren. Het symposium wordt georganiseerd door het Mozeshuis samen met het Ignatiushuis, centrum voor geloofsverdieping in Amsterdam. Als hoofdinleider op het symposium is drs Omar Nahas, uitgenodigd. Hij is o.a. verbonden aan het centrum voor islam in Europa te Gent en stichting Yoesuf uit Utrecht, ‘vooruitstrevend en vernieuwend educatiecentrum voor islam en maatschappelijke vraagstukken'. Inhoudelijke inbreng is er verder van de vrouwengroep van de Turkse organisatie Milli Görüs en de Unie van Marokkaanse Moskeeën in Amsterdam en Omstreken UMMAO en er zullen ook mensen uit hun achterban deelnemen, zodat het tot werkelijke ontmoeting kan komen.
Omwille van de leefbaarheid
Mozaïek had over het symposium een gesprek met Cor Bon, directeur van het Mozeshuis en de theologe Fieke Klaver, die het programma van het Ignatiushuis coördineert. Zij is ook als predikante verbonden aan de protestantse Oranjekerk in de Pijp. Fieke Klaver: "Het Ignatiushuis heeft als motto: God zoeken in alle dingen. In ons aanbod hebben we verschillende cursussen hoe men de rol van God ziet in het eigen persoonlijk leven (tegenover het samenleven). In zo'n opzet passen ook onderwerpen als de spiritualiteit van moslims en de mystiek van de islam. Maar het geloof is de laatste tijd ook in de stedelijke gemeenschap die Amsterdam is een steeds belangrijker maatschappelijk gegeven geworden. Wat op dat gebied gebeurt is belangrijk voor het bevorderen van de leefbaarheid in de stad. De achterban van het Ignatiushuis is echter niet direct gericht op maatschappelijke vraagstukken. Toen Omar Nahas bij ons kwam met het aanbod een cursus over islam en maatschappij te geven, hebben wij ons in verbinding gesteld met het Mozeshuis, dat een meer maatschappelijke reputatie heeft in Amsterdam. We willen onze eigen expertise samenvoegen met die van het Mozeshuis om zo te komen tot een vruchtbaar symposium met praktische toepassingen."
Cor Bon: "We willen op het symposium vooral onderzoeken wat de visie van de islam is ten aanzien van jongeren en vrouwen. Daarbij willen we behalve de hoofdinleider ook andere moslims aan het woord laten. We willen weten wat de islam als bron voor de zingeving van het leven betekent voor veel Amsterdamse moslims en hoe zij van daaruit de problemen van jongeren en vrouwen aanpakken, hun emancipatie bevorderen en discriminatie tegengaan. En of daarin verschillende opvattingen bestaan. Behalve inleidingen zullen op het symposium ook workshops worden gehouden om met elkaar in gesprek te gaan. Voorts zijn er muzikale intermezzo's van Turks religieuze snit en de lunch is multicultureel."
Inleidingen en workshops
Behalve Omar Nahas, die in zijn lezing in het algemeen maatschappelijke vraagstukken en islamitische waarden op elkaar zal betrekken, zal Mohammed Salihi voorzitter van UMMAO over islam en jongeren spreken en Fatma Katirci, predikante van de vrouwenfederatie van Milli Görüs, zal vertellen over de kijk van de islam op vrouwen. Ook zal ze het hebben over concrete zaken waarmee moslima's in Nederland te maken krijgen en wat haar vrouwenfederatie doet om die vrouwen te helpen. Ze zal proberen duidelijk te maken welke inspiratie de moslima's putten uit hun geloof en hoe ze van daaruit vorm geven aan haar leven.
Hoe prangend de noodzaak van een concrete dialoog is wordt in het gesprek duidelijk als de aandacht wordt gericht op het feit, dat veel moslima's werken in Amsterdamse verzorgingshuizen, waar de meerderheid van de bewoners autochtoon en niet moslim is. Hoe verstaan zij elkaar? Kunnen Marokkaanse of Turkse vrouwen met hun eigen achtergrond samen met Amsterdamse ouderen een omgeving creëren waar beide partijen zich op hun gemak voelen ? Wat voor de een heel vanzelfsprekend is, kan voor de ander volkomen vreemd zijn. De noodzaak van kennis van elkaars achtergrond geldt bijvoorbeeld ook voor jeugdwerkers of onderwijzers met hun leerlingen zelfs met deze nieuwe Amsterdammers van de tweede en derde generatie.
Cor Bon: "We verwachten op ons symposium een gemengd publiek. De participerende moslimorganisaties zullen mensen uit hun eigen gelederen aansporen te komen en we verwachten vooral ook inschrijvingen van mensen die in hun werk met moslims te maken hebben. Ik sprak met de directeur een instelling voor Jeugdzorg en Onderwijs, waar veel islamitische jongeren gebruik van maken. Hij zei me dat hij medewerkers heeft die niets weten van godsdienst, niet van het christendom en zeker niet van de islam. Kijk, voor zulke werkers is ons symposium wellicht een mooie eye-opener. Behalve dat de deelnemers aan het symposium informatie kunnen krijgen over het belang van de islam voor de moslims hopen wij ook dat er een uitwisseling van gedachten, een dialoog ontstaat tussen moslimse en niet-moslimse Amsterdammers"
Fieke Klaver: "Natuurlijk zijn ook mensen welkom die moslims als buren hebben, geïnteresseerd zijn in de rol die de religie in het leven van die buren speelt en met hen over religie maar ook over andere meer praktische zaken, die met de islam te maken hebben, in contact willen komen. In de workshops die ‘s middags worden gehouden kan daarmee een begin worden gemaakt. Wij zullen als begeleiders van de workshops, waarin jongeren en vrouwen weer centraal staan, proberen om aan de hand van tien vragen aangaande de islam tot praktische tips te komen. Daarvan zal in de plenaire bijeenkomst weer verslag worden gedaan en de inleiders zullen op de verslagen ingaan."
Na het symposium
En na het symposium? Zowel
het Mozeshuis als het Ignatiushuis beraden zich daar nog over. Denkbaar is dat
er in een of beide huizen een cursus of training komt voor Amsterdammers die
na de eerste algemene informatie van het symposium verder willen gaan met de
dialoog, de ontmoeting tussen moslims en niet-moslims. Zoals het Mozeshuis ooit
al in de jaren tachtig met cursussen Nieuwe Amsterdammers deed na de opvang
in kerken van illegale Marokkaanse arbeiders. Die hebben in feite nooit hun
actualiteit verloren, want de Amsterdamse werkelijkheid verandert met de dag.
En wie zolang niet kan wachten kan zich altijd aansluiten bij
de Kleurrijke Ontmoetingen en de Wereldreis in eigen stad die Stichting Bij
de Tijd organiseert en waar het Mozeshuis op donderdag 23 maart een symposium
over belegt.
Fenna Bolderheij
van stichting Bij de Tijd:
"Integratie kan het best door elkaar
op ontspannen wijze te ontmoeten"
Het enthousiasme spat van
haar af. Van Fenna Bolderheij, de motor van de stichting Bij de Tijd, die oudere
Amsterdammers van verschillende achtergrond en cultuur met elkaar in contact
brengt. Geen bobo's dit keer maar nu eens gewone mensen van om de hoek. Autochtonen
en allochtonen die niet met de rug naar elkaar toe staan, maar elkaar ontmoeten,
samen eten, praten, elkaar informeren, met elkaar van gedachten wisselen. En
dat allemaal op een ontspannen en prettige manier. Tientallen deelnemers van
de Mozeshuis Zomerschool deden al mee aan het project Kleurrijke Ontmoetingen
en zijn opgetogen. Een ander project is Wereldreis in eigen Stad, waarbij ouderen
in groepjes van gemiddeld tien personen op bezoek gaan bij migranten-organisaties
in hun eigen stadsdeel.
Deze praktische manier om mensen van verschillende komaf nu eens
echt met elkaar in contact te brengen loopt als een trein en op donderdag
23 maart a.s. is er in de Mozes & Aäronkerk een conferentie om
te bekijken of wat Bij de Tijd in Amsterdam doet, ook landelijk kan worden
ingevoerd. Behalve Bij de Tijd en het Mozeshuis doen ook de instituten Civiq
voor vrijwillige inzet en het Forum voor multiculturele ontwikkeling aan deze
conferentie mee.
Op de plek waar je woont
Wat kunnen ouderen doen ‘om de boel bij mekaar te houden', zoals burgemeester Job Cohen dat uitdrukt? "Daar proberen wij een bijdrage aan te leveren". Dat zegt Fenna Bolderheij, nadat ze in januari van dit jaar met de deelnemers van de Winteracademie heeft ‘geoefend' hoe je met elkaar in gesprek komt. "In 2002 maakten we in Amsterdam onze eerste Wereldreis en enkele jaren later begonnen we met het project Kleurrijke Ontmoetingen, dat soms tot intensieve, persoonlijke contacten leidt. De moord op Theo van Gogh maakte de witte Amsterdammers terughoudender, maar nu gaat de koudwatervrees gelukkig wat over en komt de vaart er weer in. Echte belangstelling voor en kennismaking met elkaar op de plek waar je woont, bevordert het best de integratie."
Wie is Fenna Bolderheij?
"Ik ben geboren en getogen in Amsterdam en heb sociale pedagogiek gestudeerd.
Na cursussen in het bejaardenwerk te hebben geleid kwam ik te werken bij Open
Schoolgroepen en later werd ik consulent bij de Stichting Oudereneducatie Amsterdam
STOA, die later fuseerde met het Educatief Centrum Amsterdam. In die tijd kwam
ik al vaak in het Mozeshuis. Omdat er hier nog geen plek was om educatief aanbod
voor ouderen te ontwikkelen, heb ik eind vorige eeuw de stichting Bij de Tijd
opgericht, waar ik nu als coördinator werk. Behalve ikzelf is er nog een
secretariaatsmedewerkster in dienst van onze stichting, die onderdak heeft in
het prachtige hofje aan de Keizersgracht 340. We beschikken verder over vijfentwintig
bevlogen vrijwilligers voor de begeleiding van de Amsterdammers van Nederlandse,
Marokkaanse, Antilliaanse, Chinese et cetera afkomst die aan onze projecten
meedoen."
Fenna Bolderheij voerde de redactie van een boekje Bij de tijd
met 200 ideeën voor Amsterdamse 50-plussers en illustraties van Arend van
Dam, dat in 1997 verscheen. Met anderen is ze ook verantwoordelijk voor enkele
prachtige, letterlijk kleurrijke en rijk geïllustreerde boekjes over de
twee bovengenoemde projecten van haar stichting. Ze zegt: "Als ik gepensioneerd
ben wil ik een boekje maken over alle manieren waarop mensen van verschillende
culturele afkomst elkaar kunnen ontmoeten en na hun pensionering hun kwaliteiten
op andere wijze kunnen inzetten."
Kerstwensen uit de Mozes & Aäronkerk:
Vrede,
verdraagzaamheid en een leuke, stoere kerel
(langere versie dan in Mozaïek)
Met de Kerstwensen, die
op kerstavond in de Mozes & Aäronkerk zijn opgehangen, zou een boekje
te vullen zijn. Wie de 301 kaarten doorleest vraagt zich af waarom de officiële
kaarten het bij Prettige Kerstdagen en een Gelukkig Nieuwjaar
laten. Want er is zoveel meer en mooiers te wensen. Voor de wereld, voor elkaar
en voor jezelf. Ruim 200 mensen kiezen voor het grote perspectief: vrede, geluk,
gezondheid, geen armoe of honger in de wereld, meer harmonie, solidariteit,
eerlijkheid en zachtheid, minder lawaai, meer begrip en geduld. Of (de wens
van een kind): dat alle dieren niet snel dood gaan. Sommigen kiezen voor dichterbij:
dat er meer gelachen wordt, meer vrolijkheid is en iedereen een beschermengel
voor een ander is. Of benoemen het concreet: gratis gezondheidszorg voor iedereen,
vroeg in 2006 een kabinetscrisis en dan een linkse meerderheid in de regering,
Ajax winnaar van de Championsleague "hetgeen saamhorigheid brengt tussen alle
bevolkingsgroepen in Amsterdam" of redding voor de orang oetangs van Borneo.
Een wens voor allen en een wens voor jezelf liggen soms dicht bij elkaar: ‘Dat
iedereen waardeert wat hij bezit, vooral aan gezondheid, familie en eigenwaarde
en verder wens ik mijn fiets terug die op 16 december voor de deur van Keyzer
Culinair is gestolen.' Slechts een enkeling richt zich direct tot God. ‘Lieve
God, heb nog wat geduld. Er wórdt aan vrede gewerkt. Heus, U weet wel
waar en waarom.' Zo'n tachtig mensen hebben iets heel persoonlijks opgeschreven.
Voor hun familie, vrienden of voor zichzelf. Sterkte bij slopende ziekte, een
goed einde, als dat onvermijdelijk is en troost bij verdriet na overlijden of
een gezond kind, harmonie in ons gezin e.d. In vorige kerstvieringen was er
een lichtprocessie waarbij aan het vlammetje van kaarsen of waxinelichtjes persoonlijke
wensen werden toevertrouwd. Nu staan ze op schrift. Ook aan overledenen
wordt gedacht: dat het mijn moeder goed gaat in het hiernamaals of (in een kinderhandschrift):
dat mijn oom een goed leven krijgt in de hemel. Maar ligt geluk niet ook in
gewone dingen? Zeker wel: dat ik een leuke baan mag vinden, dat m'n knie geneest
en ik weer kan sporten of heel direct: ik wil een leuke, lieve, stoere kerel.
Bij al die wensen zou je zo graag willen dat ze uitkomen. Al weet je dat het
bij de ‘grote wensen van vrede en geluk voor iedereen' blijft bij: ze volgend
jaar weer wensen en er zal hard aan gewerkt moeten worden om van wens werkelijkheid
te maken.. De kleine wensen dan: die gestolen fiets terug? Ajax winnaar van
de Champions League? Ook dat lijkt vrij hopeloos. Maar hoop is er: zeker
voor ‘die leuke, lieve, stoere kerel'. Misschien zat hij wel op kerstavond in
de Mozes & Aäronkerk. Want dat is hier zeker één keer
eerder gebeurd.
Amsterdam tussen trots en ergernis is een rubriek van meningen over samen leven en leren in de veelkleurige (Amsterdamse) samenleving. Dit keer is de bijdrage van Nico Portegijs. Reacties welkom!
Op zoek naar een nieuw evenwicht
Twintig jaar geleden
gaf ik als medewerker van het Mozeshuis cursussen aan bestuursleden van zelforganisaties.
Zelforganisaties waren organisaties van buitenlandse werknemers. Vaak
waren deze op een of andere manier verbonden aan een moskee. De moskee was de
plaats waar je deze mensen kon aantreffen. En de grote rol die de islam speelde
in hun dagelijks leven, leek van voorbijgaande aard. Secularisatie, zoals
in Nederland, was immers een universeel gebeuren. Voor de deelnemers aan de
Zomerschool organiseerden we bezoekjes aan zo'n moskee. En in mijn herinnering
werd dat meer als historisch interessant dan als maatschappelijk relevant beleefd.
De kinderen van buitenlandse werknemers zouden immers opklimmen naar beter betaalde
banen en zo hun plaats in de Nederlandse samenleving innemen. Ze zouden de Nederlandse
normen en waarden leren kennen en overnemen. Immigranten werden op die manier
gewoon Nieuwe Amsterdammers. Zo was het immers altijd gegaan in Amsterdam; en
nieuwkomers mochten al eeuwen lang gewoon hun eigen cultuur koesteren.
Taal was niet zo belangrijk. Dat enkele bestuursleden je verstonden
en als tolk functioneerden, was voor de kadercursussen voldoende. En verder
zorgde de Gemeente voor genoeg vertaalde folders, in Turks, Marokkaans, Berbers,
Grieks en Spaans en wat maar nodig was. Later werd dit beleid bijgesteld
en mocht ik met het opzetten van een introductiecursus voor Gilde- SamenSpraak
ook de (informele) taalscholing verder helpen. Taal is natuurlijk belangrijk,
dat zien immigranten ook wel in gezien het succes van SamenSpraak. Inmiddels
hebben we geleerd dat ook een perfecte beheersing van het Nederlands nog geen
garantie is voor integratie, zoals het geval Mohammed B. laat zien.
Veranderde tijden
De tijden zijn sinds de Twin Towers, de oorlog in Irak, de moord op Theo van Gogh en de Deense cartoons veranderd en een stuk harder geworden. De islam ligt op straat en kan het bijvoeglijk naamwoord ‘extreem' blijkbaar niet meer afschudden. De tijd dat de islam vooral als een mooie, vreedzame godsdienst werd gezien, lijkt definitief voorbij. Sommigen roepen het Westen zelfs op om zich te wapenen tegen ‘de islamitische samenzwering die via een heilige oorlog de hele wereld wil veroveren'. Is dit dan de hele waarheid?
Vroeger deed ook het Mozeshuis zijn best om immigranten te beschermen tegen uitbuiting door malafide werkgevers en al te bruut racisme en werden ze vooral gezien als slachtoffers. Nu zijn het volgens sommigen opeens ‘daders' die sociale onrust veroorzaken door een verregaande vorm van onaangepastheid. Immigranten moeten daarom in het gareel van de integratie gedwongen worden. Er worden eisen aan die integratie gesteld en wil je niet aan die eisen voldoen, dan kun je beter je biezen pakken. "Als je zo graag in een boerka loopt, dan ga je maar naar een land waar dat normaal wordt gevonden." Moet het zo extreem? Zijn immigranten vooral ‘probleemjongeren' en 'niet- geïntegreerd' ? En al die kinderen van migranten dan die aan Nederlandse universiteiten studeren en voetballers van Turkse of Marokkaanse afkomst die we bij Nederlandse clubs toejuichen en binnenkort in het Nederlands elftal?
Nieuw evenwicht
Het was indertijd naïef om de veelkleurigheid van de multireligieuze samenleving slechts te bejubelen en niet de nadelen te zien, maar dat hoeft ons nu niet blind te maken voor de positieve ontwikkelingen sindsdien. Ik vind het onacceptabel dat een onderwijzeres in boerka voor de klas staat, maar dat betekent toch niet dat je dit (en ander) werk niet zou kunnen doen met een islamitische hoofddoek? Uiteindelijk is er geen andere keuze dan de Amsterdamse samenleving vorm te geven met de mensen die er nu wonen en die zijn, als in alle eeuwen, van heel verschillende afkomst en overtuiging. Met hun problemen, maar ook met hun kwaliteiten. Ik denk dat we snel op zoek moeten naar een nieuw evenwicht
Nico Portegijs
was van 1985 - 1998 stafmedewerker van het Mozeshuis en van 1998 - 2004 wethouder Sociale Zaken en Welzijn van de Gemeente Diemen.
rubriek: Thuis in het Mozeshuis
Beit Ha'Chidush, een eigenzinnige gemeente (via het Mozeshuis) op weg naar een eigen joodse Tempel
Elke maand komen op een zaterdag enkele tientallen joodse gelovigen bijeen in een zaal van het Mozeshuis om er de shabbatdienst te houden. Onder leiding van de eerste en tot nu toe enige vrouwelijke rabbijn, Elisa Klapheck. Zij zijn lid van de gemeente Beit Ha'Chidush, wat Huis der Vernieuwing betekent. Terecht, want deze kleine en nog jonge zelfstandige joodse gemeente is zeker trouw aan de oude joodse Torah, aan de shabbat en aan de traditionele joodse feesten, maar ze is tegelijk sterk gericht op vernieuwing.
In het bestuur van Beit
Ha'Chidush is Marcella Levie verantwoordelijk voor de rituelen en de
shabbatdiensten, waarin ze zelf soms de drasha, de toespraak, verzorgt. Ze legt
ons uit wat deze vernieuwing inhoudt. "Vanouds worden zowel in de orthodoxe
als in de liberale joodse gemeenten alleen mensen met een joodse moeder erkend
als joden. Wij aanvaarden ook hen als lid die alleen een joodse vader hebben
en geen joodse moeder. De erkenning van vaderjoden is al een grote revolutie
in de joodse gemeenschap in Nederland. Verder accepteren wij ook homoseksuelen
en lesbiennes. Nog een belangrijk punt: mannen en vrouwen zijn voor ons gelijk,
vandaar dat we Elisa Klapheck als rabbijn hebben.
In de eerste tientalen jaren na de Tweede Wereldoorlog met de
moord op zes miljoen joden in Europa was hier de tijd nog niet rijp voor een
vernieuwd jodendom zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten en Engeland. Tegen
het einde van de vorige eeuw was dat wel het geval. In 1995 hebben joden met
een seculiere of religieuze achtergrond gekozen voor een toegankelijk, veelkleurig
en vernieuwend jodendom.
Ikzelf was lid van de liberale joodse gemeente en heb daar na mijn opleiding tot cultureel werker een liberaal joodse jeugdbeweging helpen oprichten. Tegenwoordig werk ik als freelancer bij de educatieve afdeling van het Joods Historisch Museum en ik studeer Hebreeuws. Al jaren ben ik bezig om mijn jodendom op een creatieve manier vorm te geven. Daarom ben ik lid geworden van de nieuwe progressieve gemeente Beit Ha'Chidush We nemen daar het jodendom veel ruimer dan alleen als religie. Het is zoals onze rabbijn Elisa Klapheck heeft uitgedrukt: je kunt als jood meerdere wegen gaan, de seculiere, de religieuze of de culturele, want deze wegen, die op het eerste gezicht niet verenigbaar zijn, komen uiteindelijk weer samen. Daar ben ik het mee eens. Wij vinden onze inspiratie zowel in de Torah, de Talmoed en andere klassieke bronnen als bij hedendaagse joodse denkers, schrijvers, dichters, musici en andere kunstenaars, ook als ze seculier of humanistisch zijn. We willen alle culturele aspecten van het jodendom integreren. Joods zijn is mogelijk zonder religieus te zijn."
In déze buurt
Beit Ha'Chidush houdt ook eens per maand shabbatdiensten in de oude gerestaureerde synagoge in de Nieuwe Uilenburgerstraat, niet ver van het Mozeshuis. Waarom zijn niet alle diensten daar? "Heel eenvoudig, omdat het te duur is. Die synagoge is eigendom van de gemeente Amsterdam en wordt beheerd door een stichting die een voor ons erg pittige huur vraagt. We voelen ons om verschillende andere redenen ook thuis in het Mozeshuis. Een ervan is dat het Mozeshuis aan het Waterlooplein ligt. In deze buurt is vanaf de zeventiende eeuw in Amsterdam het joodse leven opgebloeid. Na de oorlog is het joodse leven uit deze buurt verdwenen. Wij vinden het belangrijk dat leven weer terug te brengen in de buurt. Je zou kunnen zeggen dat we in het Mozeshuis onder leiding van Mozes in de woestijn op weg zijn naar onze eigen tempel. En dat is dan de Uilenburgersjoel, want we hopen daar vaker bijeen te kunnen komen. Maar we voelen ons ook thuis in het Mozeshuis omdat daar op basis van een oude traditie eenzelfde vernieuwingsgezindheid heerst als wij nastreven."
Meer over deze gemeente op www.beithachidush.nl
Merlijn van Hasselt geeft voorlichting over de Amsterdamse voedselbanken
Hij studeerde communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, was een poos marktonderzoeker, dicht bij Maurice de Hond, vond dat toch niet zijn ideaal en nam enkele maanden vrij. Toen kwam hij tot de conclusie dat hij beter dichter op de echte maatschappelijke noden kon zitten en prompt stuitte hij vier jaar geleden en toen 28 jaar oud, op een vacature bij de Regenboog. Dit christelijk centrum voor hulp aan thuislozen en drugsverslaafden zocht een voorlichtingsmedewerker. Merlijn van Hasselt had zijn stek gevonden. In zijn nieuwe werk kwam hij als vanzelf in aanraking met het betrekkelijk nieuwe fenomeen van de voedselbanken. Daar krijgen de ‘nieuwe armen' in ons rijke land pakketten voedsel, omdat ze in de eerste levens-behoeften tekort komen. Merlijn nam in zijn eigen tijd, ook de voorlichting van de Stichting Voedselbank Amsterdam ter hand. Zijn baas, de Regenboog, had daar natuurlijk geen bezwaar tegen en men helpt hem zelfs met faciliteiten om ook dat werk te doen. Merlijn van Hasselt is nu naast zijn werk bij de Regenboog, tegelijk secretaris en woordvoerder van het bestuur van de Amsterdamse voedselbank.
Hij was dus de geknipte persoon om in de Winteracademie van het Mozeshuis, met dit jaar inspiratie als hoofdthema een inleiding te houden. En er is voedsel genoeg voor de voedselbanken. Hij vertelde hoe bijvoorbeeld vers voedsel met een verkeerde code op de verpakking en daarom niet verkoopbaar in de voedselbanken gratis wordt uitgedeeld in plaats van vernietigd te worden. Supergrote bakkerijen bakken dagelijks enkele duizenden reservebroden en daar blijven er meestal heel wat van over. Het komt er voor de voedselbanken dus op aan om goede relaties te hebben met zulke bedrijven. Menig bedrijf werkt mee. Soms verkoopt een bedrijf ook ‘nee'.
Kan iedereen bij de voedselbanken terecht? Ja en nee. Iedereen kan zich melden met de mededeling dat hij de touwtjes niet aan elkaar kan knopen. Maar eerst volgt een gesprek en als dan blijkt dat men na aftrek van de vaste lasten niet genoeg geld overhoudt voor het primaire voedsel zoals brood, aardappelen, groenten, rijst, pasta komt men in aanmerking voor voedselpakketten. Als vuistregel geldt dat een eenpersoonshuishouden minstens € 150 per maand voor voedsel nodig heeft. Per volwassene komt daar € 50 en per kind € 25 bij. Een paar ouders met twee kinderen en minder dan € 250 per maand voor voedsel kan dus voedselpakketten krijgen.
Hoe lang kan men naar de voedselbank komen? In principe niet langer dan drie jaar. De voedselbank doet namelijk meer dan voedsel uitdelen. Ze helpt de afnemers ook om, bijvoorbeeld door hulp bij het budgetteren van het huishouden, weer zover te komen dat men zijn eigen voedsel kan kopen.
Behoefte aan een grote loods
Er zijn nu in vier Amsterdamse wijken voedselbanken, waar wekelijks 750 voedselpakketten worden uitgedeeld. In nog drie wijken worden voedselbanken voorbereid. De stichting heeft dringend behoefte aan een grote loods waar de pakketten door vrijwilligers worden samengesteld. Als het er is, worden er extra's bij gestopt zoals melk, eieren, chocolade, frisdrank. De gemeente verstrekt subsidie en er wordt ook geld ingezameld. Want soms, als de spoeling van onverkoopbaar voedsel dun is, moet er voedsel worden bijgekocht. Merlijn van Hasselt: "We breiden dus uit, maar het ideaal is dat we spoedig kunnen gaan afbouwen en dat de voedselbanken uiteindelijk weer kunnen worden opgeheven."
Mozaïek november 2005
Rubriek Amsterdam tussen trots en ergernis
Elkaar durven tegenkomen
door Liesbeth Baars
‘De boel bij elkaar houden is zo'n slecht idee nog niet', schreef Üzeyir Kabaktepe afgelopen september in deze rubriek. Hij heeft gelijk, in zekere zin. Ik ben lid van de Raad voor Levensbeschouwingen en Religies in Amsterdam, waarin twintig personen samen zeven levensbeschouwingen vertegenwoordigen en enkele verschillende richtingen daarin. De drijfkracht onder het werk van de Raad is gezamenlijkheid en ontmoeting, maar ook verrijking van elkaar. Wij organiseren gespreksavonden en werken eraan om de interreligieuze dialoog in de stad te bevorderen. Dat klinkt mooi. Maar laten wij goed kijken naar wat er gebeurt in deze dialoog. In de gesprekken binnen onze Raad gebeurt hetzelfde als overal tijdens interreligieuze bijeenkomsten. We nemen onze eigen leef-en denkwereld mee en de eigen visie op godsdienst. Sommigen leggen de nadruk op de eigen overtuiging die als de enige ware levensbeschouwing geldt. Weer anderen zeggen dat je in elkaars religie altijd wel iets vindt dat je aanspreekt. Ook hoor ik zeggen; eigenlijk zijn alle religies gelijk en met elkaar verbonden, want achter alle verschillen ligt een universele eenheid. Gesprekspartners met deze visie spreken vanuit het respect voor de ander en zoeken naar overeenkomsten. Men wil bruggen slaan tussen de verschillende religies en ‘de boel bij elkaar houden' door tegenstellingen op te heffen.
Maar het gevaar van dit ‘poldermodeldenken', waarbij iedereen zich schikt in de consensus, is dat het voorbijgaat aan het bijzondere van elke levensbeschouwing en aan wat de mensen daarin persoonlijk beleven. Bijvoorbeeld: als een moslim het gebed ziet als een zich onderwerpen en toewijden aan de Almachtige, zal hij niet zeggen, dat zijn gebed gelijk is aan een meditatie als in het Boeddhisme. Daar komt bij, dat Boeddhisten het niet hebben over een Almachtige of over God. Tweede voorbeeld. Christenen kunnen ervan overtuigd zijn dat de bijbel letterlijk een door God geopenbaard boek is en het enige heilige geschrift van alle boeken. Tekst-of historische kritiek is uit den boze. Moslims zullen precies hetzelfde zeggen met diepe overtuiging maar dan van de koran. Er zijn wel degelijk verschillen tussen de levensbeschouwingen. De boel wil juist uit elkaar, als het gaat om het eigene van de levensbeschouwing, en om de persoonlijke beleving en het exclusieve van de overtuiging. Vandaar ook dat religie wordt gezien als oorzaak van problemen tussen mensen met verschillende religieuze achtergrond, als bron van terreur en aanstichter van oorlog. Dat is makkelijk gezegd en ongenuanceerd. Ik erken, dat levensbeschouwingen er moeite mee hebben om bekritiseerd te worden. Vaste en door de tijd al lang gevormde dogma's, gewoonten en overtuigingen die worden niet graag aangetast en laten zich niet zomaar ter discussie stellen. Het doet echt pijn als er kritiek is op jouw religie. Het ge