De Mozes & Aäronkerk



 
  Voorzijde kerk met links het Mozeshuis
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 


Achterzijde van kerk met het beeld van Melchizedek
 
 
 
 
 
  Beeldje van Mozes
Achterzijde kerk
 
 
 
  Beeldje van Aäron
Achterzijde kerk
 
 
 
  Herinnering aan bezoek van Franz Liszt op 29 april 1866
Plaquette voorzijde kerk
 
 
 

Foto van het altaar.


 
 
 
  Preekstoel en altaar
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Franciscus in Extase,
oude kopie naar Gerard Seghers
(linkerzijaltaar)
 
 
 
 
 
 
 
 

Wie interessante zaken rond de kerk weet, die op deze site zouden moeten staan, of vragen heeft die we via deze site kunnen doorgeven. Aarzel niet. We zijn er gek op onze historische kennis (en die van u als bezoeker van deze pagina)  uit te breiden. Reacties graag naar mozeshuis@mozeshuis.nl

De Mozes & Aäronkerk

Hoewel Amsterdamse Franciscanen in 1641 reeds het huis Mozes aan de (Joden)Breestraat verworven - in de tijd dat ook Rembrandt hier woonde - is pas uit 1649 bekend dat hier een Rooms-Katholieke schuilkerk is gevestigd, waar regelmatig de mis werd gevierd. Na de Alteratie van 1578, waarbij de ‘gereformeerden' de macht in Amsterdam overnamen, was het onder anderen katholieken niet toegestaan zelf (herkenbare) kerken te hebben en kwam men bijeen in huizen en pakhuizen, waar gaandeweg allerlei inpandige kerkjes ontstonden. Na het opkopen van verschillende panden naast en achter ‘de Mozes', zoals het ernaast liggende pand ‘Aäron' (in 1680) werd in 1691 een grotere kerk in gebruik genomen. Het middendeel van het altaar en vele beelden in het huidige gebouw herinneren nog aan die schuilkerk. De ingang werd verplaatst naar de Houtgracht, naar de andere kant, waar ook nu de ingang is. Voor zijn verbanning uit Amsterdam woonde de filosoof Spinoza (1632-1677) aan de Houtgracht, mogelijk in een huis dat op de plaats van het huidige kerkgebouw stond. In 1882 werden de Houtgracht en de haaks daarop staande Leprozengracht gedempt en ontstond het Waterlooplein.

Buiten

Het huidige gebouw, de kerk van de Heilige Antonius van Padua, beter bekend als de Mozes & Aäronkerk werd in de periode 1837/1841 gebouwd naar ontwerp van architect  T.F. Suys (1783-1861). Suys geldt als één van de bekendste kerkenbouwers uit de eerste helft van de 19e eeuw. Hij was zowel koninklijk bouwmeester van koning Willem I als (na de afscheiding van België) van koning Leopold I. In Amsterdam herbouwde hij, samen met stadsarchitect J. de Greef, onder meer de Ronde Lutherse kerk aan het Singel na de brand van 1822. Op 26 oktober 1841 werd de huidige kerk ingewijd.
De Mozes & Aäron ontleent zijn naam aan de gevelstenen van de huizen, waarachter de vroegere kerkruimte lag. Deze beeldjes van de leiders van het Joodse volk in de bijbel Mozes en Aäron sieren nu de blinde en vlakke achtergevel van de kerk. Deze achtergevel is voorzien van gekoppelde Dorische pilasters van Bentheimer zandsteen, die een driehoekig fronton dragen. Het fronton vertoonde oorspronkelijk een koperen ‘slang van de woestijn' met aan weerszijden beelden van Mozes en Aäron. Slang en beelden vielen in 1895 ten prooi aan het natte klimaat. Daaronder is in een nis een beeld van Melchizedek geplaatst (een voorafbeelding van Christus en ten tijde van aartsvader Abraham koning en priester van Salem = Jeruzalem, vermeld in Genesis) De classicistische voorgevel, eveneens van Bentheimer zandsteen, aan het Waterlooplein heeft een Ionisch zuilenportiek met daarboven een driehoekig fronton. Rondboognissen en Ionische pilasters flankeren het portiek. De Amsterdamse bouwverordening verhinderde dat het zuilenportiek nog meer naar voren sprong, zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Zuilenportiek, hoofdgestel en fronton geven dit gedeelte van de gevel het aanzien van een Grieks tempelfront. (Vandaar het grapje over de Mozes & Aäronkerk als ‘de tempel van Suys/Zeus'). 
Op het fronton staat een beeld van de zegenende Christus en in het timpaan bevindt zich het wapen van de orde der Franciscanen omgeven door eikenloof. Boven de ingang van de kerk een beeld van de heilige Franciscus.  Onder het timpaan vinden we de latijnse tekst QUAE FUIT A SAECLIS SUB SIGNO MOYSIS ET AARON STAT SALVATORI RENOVATA ILLUSTRIOR AEDES - (Iets vrij) Vertaald: Wat eeuwenlang stond onder het teken van Mozes en Aäron (Bedoeld zijn de gevelbeeldjes hk), is nu als een nog roemrijker tempel de Verlosser (Christus) toegewijd. In twee zinnen de geschiedenis van de kerk samengevat.  Het is tevens een tijdvers waarbij de gouden letters als Romeinse cijfers gelezen kunnen worden. Opgeteld (M=1000 D= 500 C= 100 L= 50 V (of U of Y)= 5 I=1) verschijnt dan het jaar 1842, weliswaar een jaar na inwijding van de nieuwe kerk, maar een kniesoor die daarop let. De twee houten en iets naar achteren geplaatste torens zijn geïnspireerd op de Saint Sulpice in Parijs. De opbouw bestaat uit twee open geledingen met gekoppelde pilasters en Corinthische kapitelen van gietijzer. Oorspronkelijk waren in de eerste geleding uurwerken gedacht, maar vanwege de lichte constructie werd dit niet gerealiseerd. Op de overgang van de eerste naar de tweede geleding stonden oorspronkelijk (houten) beelden van de vier Evangelisten, terwijl de Christusfiguur (steen) op het fronton geflankeerd werd door (houten) beelden van Petrus en Paulus. De laatste houten beelden verdwenen in 1943 tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze dreigden uit elkaar te vallen.
Al het beeldhouwwerk in voor- en achtergevel werd omstreeks 1850 gemaakt in het atelier van de Antwerpse kunstenaar Joannes Baptiste de Cuyper, waar eveneens de preekstoel en vier beelden van Franciscaner heiligen  voor de zijaltaren werden vervaardigd. 
De kerk geldt als een goed voorbeeld van de Waterstaatsstijl. Sinds 1824 hielden de architecten-ingenieurs van Rijkswaterstaat toezicht op de bouw van openbare gebouwen en kerken of ontwierpen deze zelf. Classicistisch zuilenportiek en fronton waren bij hen geliefde onderdelen. Om de kosten te drukken werd veel gebruik gemaakt van pleisterwerk en beschilderd hout als imitatie van natuursteen zoals marmer, waarmee een rijk en monumentaal effect werd nagestreefd. Ook in de Mozes & Aäronkerk is veel stucwerk en beschilderd hout verwerkt. Het altaar geldt daarvan als een prachtig voorbeeld. 
Rechts van de voorgevel bevond zich de pastorie, waarin door de destijds beroemde Jacob de Wit (1695-1754) - de meester van de grisailles of ‘Witjes' (de grijs en wit schilderimitaties van beeldhouwwerk) in Amsterdamse grachtenpanden - in de periode 1718/49 ettelijke schilderingen werden aangebracht en talloze kostbaarheden bewaard. Verschillende kostbaarheden  en pastoorsportretten worden nu bewaard in Weert in het Gemeentelijk Museum voor Religieuze Kunst 'Jacob van Horne' gevestigd in het vroegere stadhuis tegenover de Martinuskerk. Omwille van de uitbreiding van het Mr Visserplein en de toegangsweg naar de IJ-tunnel werd de pastorie en de doop- en biechtkapel naast de kerk in 1968 gesloopt. 
Een nieuwe ‘pastorie', nu centrum voor volwasseneneducatie 'het Mozeshuis', verrees in 1969 aan de andere kant van de kerk. Het ontwerp is van architect P.H. van Rhijn en de franciscanen als opdrachtgevers werden hiervoor bekroond met de architectuurprijs 1970 van de Stad Amsterdam. Met de ingang aan de Jodenbreestraat is er in een ander deel van dit gebouw ook een communiteit (klooster) van de franciscanen gevestigd. 

Binnen

Contrasterend met de streng classicistische onderdelen van de buitenkant is het barokke interieur van het kerkgebouw. De kerk heeft een rechthoekige plattegrond van ongeveer 23 bij 46 meter en heeft de vorm van een driebeukige hallenkerk. Achter de ingang bevindt zich tegen de muur rechts een marmeren beeld van Antonius van Padua (Karl Dondorf 1923). Links tegen de muur is een 18e eeuws (Rococo) doopvont met marmeren onderstuk opgesteld afkomstig uit de gesloopte doop- en biechtkapel naast de kerk. Het middenschip heeft gestucte en geschilderde houten kruisgewelven, terwijl de zijbeuken kussen-gewelven hebben. De kruisgewelven rusten op vier hardstenen zuilen in de Corinthische orde. De kapitelen daarvan, evenals als die van de muurpilasters, zijn ontleend aan die van het Pantheon te Rome een gebouw dat Suys (winnaar van de prestigieuze Prix de Rome) tijdens het verblijf in die stad uitvoerig had bestudeerd. 
De rijk gesneden preekstoel (uit het Antwerpse atelier van de Cuyper) is van eikenhout en kostte destijds (1850) Fl. 5000,--. Deze is speciaal voor deze kerk gemaakt en vertoont onder meer een beeld van Mozes en op de vier zijden van de kuip scènes uit het leven van Franciscus van Assisië. De vrouwenfiguren bij de trappen stellen net als de kinderengeltjes rondom deugden voor. V.l.n.r. Geloof, Hoop, Liefde en Boetvaardigheid. 
Bijzonder indrukwekkend zijn het hoofdaltaar en de zijaltaren. Het hoofdaltaar met Corinthische zuilen van gemarmerd hout, dateert uit circa 1700 en is afkomstig uit de vroegere schuilkerk . Het heeft als thema de tenhemelopneming van Maria. Boven de hemel en stralenkrans zijn Mozes (met de tafelen der wet) en Aäron (als priester met wierookvat) uitgebeeld. Het hoofdaltaar is voorzien van beelden van de vier Evangelisten, medaillons van Apostelen boven en beneden de vier Latijnse kerkvaders: Gregorius, Ambrosius, Augustinus en Hiëronymus. De laatste medaillons zijn geplaatst boven de deurtjes die opzij en achter het altaar voeren. De zijaltaren werden opnieuw opgetrokken in de geest van het hoofdaltaar. In een nis werd hierbij een tweetal uit de schuilkerk behouden 18e eeuwse beelden van Franciscus en Antonius herplaatst. Daaraan zijn beelden van Franciscaanse heiligen toegevoegd: op het Franciscusaltaar (links) Didacus en Paschalis Baylon , op het Antoniusaltaar Lodewijk van Toulouse en Bonaventura. (Voor een korte levensbeschrijving van hen zie hieronder) De altaren zijn voorzien van schilderingen. Het Franciscusaltaar ‘De extase van Franciscus' werd vroeger toegeschreven aan Annibale Carracci, maar is vermoedelijk een oude (18e eeuwse?) kopie van het werk van Gerard Seghers (1591-1651) dat in het Louvre hangt (foto) In ‘De geschiedenis van Amsterdam' van Wagenaar uit de 18e eeuw wordt hiervan reeds melding gemaakt.  Het Antoniusaltaar toont ‘Het sterven van Antonius' van Charles van Beveren (1809-1850). De schildering van het hoofdaltaar stelt de Verrijzenis van Christus voor en is van een onbekende 18e eeuwse meester. Daarachter zaten oorspronkelijk twee schilderijen van Jacob de Wit (1695-1754): De bewening van Christus aan het kruis (1725) en De Boodschap van de engel Gabriël aan Maria of Annunciatie (1732). Afhankelijk van de tijd van het liturgisch jaar konden schilderijen gewisseld worden. Het Mozeshuis heeft deze schilderijen van het hoofdaltaar in 1994 laten restaureren en zelf van passende lijsten voorzien. De prachtige De Wits flankeren sindsdien het orgel. 
De veertiende gebeeldhouwde kruiswegstaties van Franse kalksteen zijn het laatste grote werk van Pierre Elysée van den Bossche (1849-1921), die onder meer bekend werd door beeldhouwwerk dat hij voor de Gouden Koets vervaardigde. Hij werkte bijna twintig jaar aan deze kruisweg. Voor in de kerk staat het beeld 'Het joodse volk trekt door de Schelfzee', waarop naast Mozes en Aäron ook hun zus Miriam (met tamboerijn) is afgebeeld. Het is in 1986 gemaakt door de Haarlemse kunstenares Anne Höfte, een leerlinge van Mari Andriessen. Het grote orgel (1871/1887) is een ontwerp van Charles Marie Philbert, die werkte naar voorbeelden van zijn vriend, de beroemde Parijse orgelbouwer Aristide Cavaillé Coll. Het is gebouwd door de gebroeders Adema. Het geldt als één van de weinige grote Frans-Romantische orgels van Nederland. Het is in 1994 na een volledige restauratie opnieuw in gebruik genomen. 

Tekst (aangepast en uitgebreid) oorspronkelijk uit: 'In en om de Lastage' van Dick van der Horst en Martin Pruijs, verschenen ter gelegenheid van Amsterdam Open Monumentendag 1993.

Wie meer schilderijen (o.a. van Jacob de Wit)  en kostbare liturgische voorwerpen uit de Mozes & Aäronkerk wil zien verwijzen we naar het museum voor (franciscaanse) religieuze kunst 'Jacob van Horne' in Weert. Neem een kijkje op www.museumweert.nl  of nog beter, stap eens binnen in dit museum dat in het oude centrum van Weert recht tegenover de Martinuskerk gevestigd is in het oude stadhuis. Tien minuten lopen van het station. Toegang vrij. 

(aangepast februari 2008 Hans Koster)

Over de beelden op de zijaltaren. Links boven het Franciscusaltaar behalve een beeld van de Heilige Franciscus (afkomstig uit de oude schuilkerk) beelden van

de heiligen Didacus en Paschalis Baylon

Didacus of liever Diego, misschien Diaz werd rond 1400 in een arm gezin in San Nicolas del Puerto in Andalusië, Spanje geboren. Zijn ouders brachten de jongen bij het klooster waar zijn verlangen om zijn leven aan God te wijden zo groeide, dat hij  lekenbroeder bij de Franciscanen werd. Rond 1440 stuurde zijn overste hem naar de Canarische eilanden, dat volgens mijn internetbron toentertijd nog bewoond werden door woeste heidenen. Dat schrikte broeder Diego niet af, integendeel hij zag zich zelf daar al als martelaar de hemelse zaligheid bereiken. Maar de hemel had een ander lot voor hem in petto. Na enkele jaren  gardiaan (overste) van het Franciscanerklooster van Fortaventura te zijn geweest, werd hij in 1450 naar Rome geroepen. Daar maakte hij zich meer dan verdienstelijk als ziekenbroeder in een klooster. Een epidemie die huis hield onder zijn medebroeders werd door God's wonderen van zijn hand - de zieken bekruiste hij met een crucifix  (ook op het altaar hier staat hij zo afgebeeld)- tot staan gebracht. Weer in Alcalá in Spanje terug was zijn roem al zo gestegen dat bij zijn dood daar op 12 november 1463  zijn lichaam pas na een paar maanden begraven kon worden, zoveel gelovigen waren toegestroomd om hem de laatste eer te bewijzen. In 1588 werd hij heilig verklaard. Behalve als Sint Didacus (zijn Latijnse naam) kunt u hem ook tegenkomen als San Diego de Alcalá de Henares
Paschalis Baylon geboren op 16 mei 1540 staat met herdersstaf op het altaar afgebeeld. Zijn ouders, herders in Torrehermosa in Spanje, waren misschien nog wel armer dan die van Didacus. Op zevenjarige leeftijd brachten ze hun zoon onder bij een boer, die de kleine jongen in de bergen zijn schapen liet hoeden. En hij wilde zo graag naar school om te leren lezen en schrijven. Maar nee, dus hield de knaap voorbijgangers aan en vroeg hen letters of cijfers op zijn leitje te schrijven. God in de hemel kon dat toch niet aanzien, dus Hij stuurde een engel om de herdersknaap lezen en schrijven te leren. Paschalis godsvrucht was zo groot dat hij het liefst zijn kudde rond een Mariakapelletje weidde, zodat hij zelf bloemen kon plukken voor de Moeder God's. Later daalde voor hem zelfs een hostie in een gouden monstrans neer uit de hemel. Toen hij twintig was ging hij als lekenbroeder in het Franciscaner klooster, waar hij zich vooral in de keuken en de tuin verdienstelijk maakte. Ook ging hij wel uit preken in dorpen en steden. Zijn eenvoudige vrome woorden maakten veel indruk en toen hij in 1592 overleed in Villareal, gebeurden er direct zoveel wonderen rond zijn graftombe dat hij in 1690 heilig werd verklaard. Zijn overblijfselen gingen overigens in 1936 in de Spaanse burgeroorlog verloren. Hij is de patroonheilige van herders en koks en ook kerkelijke congressen staan onder zijn bijzondere bescherming.

Rechts boven het Antoniusaltaar behalve een beeld van de Heilige Antonius (afkomstig uit de oude schuilkerk) beelden van  de heiligen Lodewijk van Toulouse en Bonaventura
Je hoeft als hierboven Didacus en Paschalis niet arm geboren te zijn om ooit nog de heiligenstatus te bereiken. Lodewijk van Toulouse lag in 1274 zelfs in een koninklijke wieg, als zoon  van Koning Karel II, koning van Napels en Sicilië en achterneef van de koning van Frankrijk, de heilige Louis XI. Maar dat voordeel had een geweldig nadeel toen zijn vader de strijd met Sicilianen en Aragonezen verloor en de laatstende jonge Ludivico met zijn twee broers als gijzelaars gevangen namen en naar Barcelona wegvoerden. Zeven jaren tussen 1288 en 1295 bracht hij in gevangenschap door in Tarragona (Aragon). Daar kwam hij onder de hoede van  franciscanen, wat hem zo beviel dat hij in 1296 tot de orde toetrad. Paus Celestinus V  had hem al eerder opgemerkt als een zeer vrome knaap (als peuter al voortdurend in kerken en kloosters aanwezig) door hem in 1294 (toen hij nog gevangen zat) tot aartsbisschop van Lyon te benoemen, maar hij vergiste zich in de bescheidenheid van Lodewijk die hier (net als voor de opvolging van zijn vader) niets voor voelde. Paus Bonifatius VIII wist hem wel over te halen en  deze wijdde hem op 29 december 1296 tot bisschop van Toulouse.(en met mijter en staf staat hij op het altaar) Hoewel hij uiteindelijk maar ruim een half jaar dat ambt zou bekleden maakte hij door zijn zorg voor de armen en behoeftigen zoveel indruk, dat hij na zijn dood op 19 augustus 1297 reeds in 1317 heilig werd verklaard. Of was het vanwege de bloem die bij zijn verscheiden wonderbaarlijk uit zijn mond kwam of  vanwege de engelen die zijn ziel volgens getuigen direct ten hemel voerden? Aanvankelijk lag zijn gebeente in Marseille tot Alphons van Aragon het in 1433 naar de kathedraal van Valencia overbracht. Die Spaanse stad nam hem als stadsheilige en zorgde ervoor dat zijn verering zich over heel Europa, inclusief Amsterdam en de Mozes & Aäronkerk uitbreidde. 
Over Bonaventura (1217-1274) zijn dikke boeken geschreven, zoals deze geleerde theoloog zelf dikke theologische boeken schreef. Geboren in Italië als Giovanni di Fidanza en naar de legende als doodziek kind door de uitroep van Franciscus zelve ( O buona ventura) tot zijn levenslot en naam gewekt, studeerde hij in 1243 in Parijs waar hij ook tot de minderbroeders toetrad. Veertien jaar later stond hij als minister-provinciaal aan het hoofd van de orde. Hij was een krachtig bestuurder en stelde de officiële levensbeschrijving van Franciscus vast (1263), dat wat daarvoor over de heilige verteld werd buiten de orde stellend. Hoewel hij net als Lodewijk aanvankelijk alle pogingen om hem bisschop te maken weerstond werd hij in 1273 kardinaal bisschop van Lyon, maar ook dit ging niet van harte. Want toen de pauselijk gezant in vol ornaat bij het klooster kwam waar Bonaventura verbleef, werd hij naar de put verwezen, waar de franciscaan buiten aan de afwas bezig was. 'Hangt u de kardinaalshoed maar even aan die boom', zei hij tot de gezant, 'u ziet dat ik nu natte handen heb.'  Net als bij de ongelukkige Lodewijk was het kerkelijk ambt een opstapje naar de hemel, want een jaar later overleed hij op 16 juli 1274. In 1482 werd hij (pas) heilig verklaard, nadat Dante hem in zijn Divina Commedia die in 1300 speelt al in het Paradijs had opgenomen.  In 1562 werd zijn tombe door de Hugenoten geplunderd en de inhoud publiekelijk op het marktplein verbrand. Alleen zijn hoofd ontkwam aan de vlammen door de dappere ingreep van een kloosterabt, die dit wel met zijn leven moest betalen. Tijdens de Franse Revolutie is echter ook het hoofd spoorloos verdwenen en dat zijn feest op 14 juli (Quatorze Juillet) gevierd wordt volgens mijn internetbron the Catholic Encyclopedia is waarlijk wonderbaarlijk.De 'moderne' Franciscaanse heiligenkalender van minderbroeder Hans van Sevenhoven, waarop ook Maarten Luther en Florence Nightingale figureert, vermeldt overigens 15 juli en het zou (zie hierboven) ook 16 juli kunnen zijn. Wie het weet moet het ons maar zeggen. Niet vreemd is dat Bonaventura met een boek staat afgebeeld.

De ‘nieuwe' kleuren van de kerk

De karakteristieke voorzijde van de kerk heeft met de grote opknapbeurt van 2006 een nieuwe kleur gekregen. Van een roomwit geheel is er nu, naar een idee van de architect van het Bisdom van Haarlem, met een gelere kleur afgezet tegen loodgrijs meer contrast en diepte in de voorgevel gecreëerd. Dit is gedaan om de historische kleuren van resp. zandsteen en hardsteen, waarmee de kerk in 1840 gebouwd is meer naar voren te laten komen. In later jaren werd de aangetaste natuursteen overgeschilderd, aanvankelijk in originele kleuren, maar later dus in één en dezelfde lichte kleur. Dat is nu hersteld.Na verfonderzoek door een extern deskundige en een procedure voor  goedkeuring door de gemeentelijke welstandscommissie is hiertoe besloten. Alleen het  aanvankelijk loodgrijs geschilderde Christusbeeld, dat van een lichte steensoort gemaakt is, leek aanvankelijk aan die logica ontsnapt. Maar omdat het beeld haast wegviel tegen de achtergrond van grijze lei, heeft het Mozeshuis alle moeite gedaan om dat te veranderen:  Geen gezicht! Gelukkig is er op het laatste moment alsnog toestemming voor een lichtere kleur verkregen en die is door Harry Udo en Mike de Veer, personeelsleden van het Mozeshuis, zelf aangebracht.  Op 12 januari 2007 is de opknapbeurt die ook bestond uit reparatie van de houten dakconstructie, gedeeltelijke vernieuwing van dakbedekking en goten en een uitgebreide operatie om de duiven te weren, met een feestelijke bijeenkomst gevierd.

Een kathedraal voor Amsterdam de voorgeschiedenis van de Mozes en Aäronkerk aan het Waterlooplein een boekje geschreven door Thomas van der Dunk.  ISBN 90.5730.226.8  Prijs: € 13,50  verkrijgbaar in de boekhandel.
In 1827 sloot koning Willem I met de paus een concordaat om de bisschoppelijke hiërarchie weer in Nederland te herstellen. Amsterdam zou ook een bisschop en dus een kathedraal moeten krijgen. Omdat er toen geen geschikte katholieke kerk was om als kathedraal dienst te doen, kreeg stadsbouwmeester Jan de Greef (1784-1834) opdracht er één te ontwerpen. Als locatie koos hij voor de Nieuwmarkt. Die kathedraal kwam er uiteindelijk niet, maar het project diende later wel als uitgangspunt voor het ontwerp van ...... de Mozes & Aäronkerk.

Wie weet meer over de Mozes & Aäronkerk?

Het is maar een  voorbeeld. Mevrouw Pauline Kooreman-Maassen stuurde ons een e-mail met een vraag over haar grootvader François Phlippeau. Hij was getrouwd met Pauline Jong, was vermoedelijk bankier, heeft in Nederlands Oost Indië gewoond, waar ze zes kinderen kregen en was rond 1900 voorzanger in de Mozes & Aäronkerk en later opera-zanger. Ze wil graag weten wanneer hij geboren is, wanneer getrouwd etc. Nu wisten wij dat ook niet en zoals altijd verwijzen bij deze vragen naar het Gemeente-archief van Amsterdam waar ook het archief van de kerk ligt.(archief nummer 688) Toch bij  Phlippeau ging er een lichtje branden. Want op pagina 208 van Van Schuilkerk tot Zuilkerk (Van Heel en Knipping) het in 1941 verschenen boek over de historie van de Mozes en Aäronkerk staat iets over C.F. (Karel Frans) Phlippeau, een Amsterdamse schilder die in 1851 pater Arnoldus van Giessen, de bouwpastoor van de huidige kerk portretteerde. Het plaatje daarvan staat op pagina 219. Zou dat familie zijn? Misschien een puzzelstukje erbij.  Daar hebben we nog geen antwoord op, maar wat niet is kan komen.We kwamen al wel in contact met iemand die een boek over operagezelschappen heeft geschreven en inderdaad François Phlippeau als zanger kende.

Een troffel zonder stenen

En we kwamen in e-mailcontact met de heer Stoffels uit Best, die verschillende Phlippeaus kende, en tegelijkertijd met de (voor ons) opzienbare mededeling kwam dat de zilveren troffel  waarmee op 17 november 1837 de eerste steen van de kerk  en op 26 oktober 1841 een herdenkingssteen bij de consecratie van de kerk, was gemetseld zich in zijn familiebezit bevindt. Een voorvader van hem had tweemaal als metselaar opgetreden voor de hoogwaardigheidsbekleders. Hij stuurde ons onderstaand plaatje. De troffel met inscriptie in het Latijn is er dus, maar waar zijn die herdenkingsstenen? We weten zelfs niet waar we ze in de huidige kerk moeten zoeken. Ook hier dus : wie weet meer?


De troffel met inscripties in het Latijn

En dan dat ijzeren hek van de kerk, niet het huidige dat na de restauratie in 1990 is geplaatst, maar het hek dat daarvoor stond en waarschijnlijk tussen 1900 en 1955 is aangebracht. De heer Klunder uit Delft wil graag weten wie dat gemaakt heeft. In zijn familie gaat de naam van Drok's Smederij en Constructiebedrijf of ook A. Drok & Zn Haardenfabriek (Gildstraat 38-40 te Utrecht) rond. Maar (door Joke van Wittmarschen, oud-medewerker van het Mozeshuis) werd ook de firma Van Wittmarschen uit de Nieuwmarktbuurt vlakbij de Mozes & Aäronkerk genoemd. Die optie werd kracht bijgezet door een mailtje (mei 2009) van de heer Theo van Wittmarschen (84) uit Oldenzaal. Zijn grootvader was de stichter van deze smederij aan de Kromboomsloot. Diens zonen Dorus (Theodorus Hendrikus) en Gerard namen die over. Maar in de crisisjaren 1914-1918 was er te weinig te verdienen voor twee gezinnen en 'ging oom Dorus alleen verder'. Hij werkte veel voor de Gemeente aan transformatorhuisjes en maakte ook hekken. De heer Van Wittmarschen kwam als jongen regelmatig in de smederij van zijn oom. Hij schrijft ook dat kinderen van zijn oom (dat waren er zeven) in de Mozes & Aäronkerk getrouwd zijn en hun kinderen zijn er gedoopt. Dus dat ooit de opdracht voor een nieuw hek aan parochiaan Van Wittmarschen is gegund lijkt niet zo vreemd. Maar is het zo gegaan en wanneer is dat hek geplaatst? Dat weten we nog niet. Wie verschaft zekerheid in deze kwestie?

En die prachtige preekstoel met scènes uit het leven van Franciscus volgens Van Schuilkerk tot Zuilkerk afkomstig uit het atelier van De Cuyper uit Antwerpen, gemaakt in 1850 voor f 5000,--.  Mevrouw Hanneke Thuis mailde ons dat haar moeder (85) als kind door haar moeder en oma naar de Mozes & Aäronkerk werd meegenomen en dan op de preekstoel werd gewezen met de woorden: "Kind, die heeft jouw overgrootvader gemaakt."  Opoe wist dit heel zeker. Zij was in 1859 geboren in Amsterdam en haar vader had dit haar zo verteld. Die overgrootvader was Victor Pierre Guillaume Trousset afkomstig uit Frankrijk.  Maar wie was dat nu precies? Werkte deze Trousset voor het atelier De Cuyper?  Ook een interessante vraag waarbij we benieuwd zijn naar het antwoord. 

De doop- en biechtkapel
Tot de sloop van een hele reeks panden rechts naast de Mozes & Aäronkerk midden jaren zestig van de vorige eeuw stond er half achter de pastorie een doop- en biechtkapel. Die ging dus met de pastorie ook tegen de vlakte. Het enige - voorzover wij weten- dat gered werd uit de kapel is het achttiende eeuwse doopvont, een pronkstuk van rococostijl. Het doopvont staat nu in de kerk. Maar wie weet meer over de kapel zelf of heeft zelfs foto's (of weet waar die zijn?). In het boek Van Zuilkerk tot Schuilkerk staan enkel foto's van het doopvont en de onderzijde van het altaar. Mevrouw Corrie Hoogland stelde ons die vraag na een concertbezoek in de kerk. Wij moesten het antwoord schuldig blijven, maar zijn inmiddels ook hevig geïnteresseerd. Inmiddels zijn we via  oud-misdienaar/acoliet Mike Man meer te weten gekomen over situering en interieur maar foto's hebben we nog steeds niet

Inhuldigingsmedaille
De heer Spaans meldt ons dat pastoor Sanders in 1948 de speciale Inhuldigingsmédaille ontving omdat hij voor de inhuldiging tot koningin van prinses Juliana in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een zilveren lezenaar van de kerk had uitgeleend. (18/02/08) 

Gezocht: foto's koor Zelus pro Domo Dei
Musicologe Petra van Langen werkt aan een promotie-onderzoek naar de betekenis van katholieke musici voor de identiteitsvorming van Nederlandse katholieken in Nederland tussen 1850 en 1950.  Organist Jos. Verheijen en het koor Zelus pro Domo Dei spelen daarin een belangrijke rol. Maar, vroeg zij zich af, bestaan er ook oude foto's van het koor? Daar zijn wij natuurlijk ook benieuwd naar. Dus, wie mogelijk een foto van Zelus pro Domo Dei heeft of weet waar we die kunnen vinden: stuur een mailtje naar h.koster@mozeshuis.nl en wij sturen het door naar Petra van Langen. (25/03/08)

Zij schreef reeds in het blad Trajecta, Religie, cultuur en samenleving in de Nederlanden 2008, 17e jaargang no 3 het artikel Muziek, religie en katholieke identiteit. Visies op katholieke kerkmuziek in Nederland 1850 - 1867. Hierin komt de kwestie van het verbod van het Provinciaal Concilie van 1865 op orkesten in de kerk en vrouwen in het koor uitgebreid aan de orde met als belangrijkste voorbeeld (en slachtoffer) Zelus Pro Domo Dei van de Mozes & Aäronkerk. Zeer de moeite waard ! Voor het blad zie www.kdc.ru.nl/trajecta (10-08-09)

Daarom, wie interessante zaken rond de kerk weet, die op deze site zouden moeten staan, of vragen heeft die we via deze site kunnen doorgeven. Aarzel niet. We zijn er gek op onze historische kennis (en die van u als bezoeker van deze pagina)  uit te breiden. Reacties graag naar mozeshuis@mozeshuis.nl

Verdwenen portret duikt op in Australië

Begin maart 2005 kregen we uit Frankrijk het e-mailbericht dat het in 1771 door de 18e eeuwse schilder Jean Baptiste Perronneau geschilderde portret van pater Petrus Woortman in het museum van Melbourne is te bewonderen. In het boek Van Schuilkerk tot Zuilkerk uit 1941over de geschiedenis van de kerk wordt nog triest geconstateerd dat het portret op noodlottige wijze in 1913 in de Haagse kunsthandel is beland en daarna in Engels privaat bezit, zonder nadere aanduiding. De paters hier hadden het eerst nog even laten naschilderen, maar volgens de auteurs Van Heel en Knipping was dat maar een zielige kopie. Die staat in het boek en wordt nu in het museum van Weert bewaard.  Dus voor wie nog eens in Melbourne in het Victoria Museum komt.... Doe hem de groeten en laat het ons weten. Die Parijse Perronneau was overigens geen misselijk schilder - in het Louvre hangen ook twee werken van hem. Maar hoezeer hij nu gewaardeerd wordt, hij is wel van de armen begraven. Ergens in Amsterdam.

Muziek uit de Mozes

De Koninklijke Maatschappij ter Bevordering der Toonkunst, die verschillende Toonkunstkoren in den lande onder zijn hoede heeft, bestond in 2004 175 jaar. Ter ere daarvan vond er op 13 november 2004 een concert in Den Haag plaats. Op het programma stond o.a. de Mis in As groot van Johannes Bernardus van Bree (1801-1857), dirigent van Toonkunst, die heel lang niet meer is uitgevoerd. Een vergeten meesterwerk ?  Nee, hoor, daar ging bij ons toch een lampje branden. Was deze Van Bree (bekend van zijn Allegro voor vier strijkkwartetten) niet ook de dirigent van koor en orkest Zelus pro Domo Dei, het fameuze koor van de Mozes & Aäronkerk? Van Schuilkerk tot Zuilkerk, het boek uit 1941 over de geschiedenis van de kerk, vermeldt inderdaad dat hij zijn Mis in As hier verschillende keren heeft uitgevoerd. Ook schreef hij een speciale mis bij de inwijding van de kerk in 1841. Veel van wat in vroeger eeuwen hier (het koor en orkest Zelus Pro Domo Dei werd in 1689 opgericht)  is uitgevoerd,  is als bladmuziek nog aanwezig in de Mozes en Aäron collectie van de Toonkunstbibliotheek die in mei 2005  50 jaar bestond. Deze collectie is inmiddels ontsloten en er bestaan plannen hier ook een publicatie aan te wijden. Ook aan 'historische concerten' uit de Toonkunstbibliotheek, dus uitgevoerd op de historische locatie wordt gedacht. Op 16 juni 2006  vertelde musicoloog Simon Groot, blibliothecaris van de wetenschappelijke afdeling er in de Zomerschool meer over. Neemt u vast een kijkje op hun  website www.toonkunst-bibliotheek.nl
De Toonkunstbibliotheek kwam door intrekking van subsidies, in 2007 in zwaar weer terecht, maar gelukkig is de historische collectie (inclusief Mozes & Aäroncollectie) begin 2008 overgegaan naar de Bijzondere Collecties van de Amsterdamse UniversiteitsBibliotheek (februari 2008).

Het Mozeshuis is lid van de Vereniging van Beheerders van Monumentale Kerkgebouwen. Wilt u daarover meer weten en contact leggen met andere monumentale kerkgebouwen in Nederland klik dan hier op VBMK
 

 

 
Terug
Terug naar beginpagina